Gurun & Seran (Eerde, 1911)

Gurun and Seran, dependencies of the Majapahit Kingdom

by J.C. van der Eerde (1911)

This is an English summarised translation of Van Eerde's original Dutch text. In the second half of this article, stating the main points relevant to the topic of Nusa Penida, J.C. van der Eerde discusses a list of dependencies to the Majapahit Kingdom in Java, found in the Pasei Chronicles, published by Veth in 1857.

989 1343 goeroenImage left: Goeroen (Gurun), in: Atlas van Tropisch Nederland, KNAG 1938 (1937), Grote Atlas van Nederlands Oost-Indië / Comprehensive Atlas of the Netherlands East Indies (1930-1950), representing the years approximately 989, 1200, 1264-1300 & 1343-?, p.55-56

This list is greatly admired by van Eerde as it represents a, in his eyes, correct geographical order of these dependencies, and as it provides valuable additional information on the knowledge of the dependencies as mentioned in the Pararaton (Ken Arok – The Book of the Kings of Tumapel and Majapahit), in a revised edition published by Dr. Brandes, and in the Nagarakertagama, cantos XII and XVI, published by Prof. Kern in 1903. He also bases his findings on a list of Malay manuscripts, collected by Raffles, published in 1846 by E.Dulaurier. Dulaurier, then, published an additional revised list in 1849. This additional list was edited by Pijnappel, Logan and Van der Tuuk, again to be revised by Veth in 1867. This list is used here by van Eerde and represents the final result of a list of the dependencies to the Majaphait Kingdom discussed in this article.

The list starts with A (Sumatra, Java, Sulawesi, Kalimantan, Malaysia, Flores, Moluccas and beyond), followed by B, a list by Majapahit's first minister Gajah Mada (1346-1368 A.D.) as mentioned in the Pararaton. On the question which islands are to be found between Bali and Lombok, Van Eerde mentions an edition of the Negarakretagama as found in the Puri of Cakranegara on Lombok. In this respect, the names of researchers Prof Kern, Rouffaer and Groeneveldt are mentioned. The next list is C on Kalimantan (Borneo), Malaysia and Singapore. In this list, under no.65 is given the name of 'Gurun I with Sukun as its capital (Nusa Penida)'. The list continues with dependencies to the east.

From above data, Van Eerde concludes:

1° that Gurun in this list is mentioned as a dependency in the vicinity of Bali

2° that in attempting to locate Gurun, its capital Sukun is mentioned, and as Nusa Penida is located between Bali and Lombok, on which the village of Sukon is situated, it is proven that Gurun from the Pasei List, 'Gurun-Sukon' ... [Arabic] is intended, and not Larantoeka and that Gurun has to be interpreted as Nusa Penida. If this is the case, Van Eerde says, then Seran has to point at the island of Serangan.

"If these presumptions are correct, then we can, on the basis of the three chronicles mentioned above, conclude that these are the dependencies of the Kingdom of Majapahit:

Gurun I = Nusa Penida: A no.32 en C no.65.

Gurun II = Gorong or Goram: B no.1 en C no.73.

Seran I = Ceram: B no.2 and C no.71.

Seran II = southwest New Guinea: C no.91 (Rouffaer).

Seran III = Serangan: A no.31.

Van Eerde, in this respect, continues to discuss the Usana Bali and the Babad Lombok. The islands of Gurun and Serangan are not mentioned here, he says. This seems strange, he adds, as the art of writing on Bali and Lombok was quite common in the light of Hinduism. Van Eerde puts questions to the fact that Islam didn't discredit the lontar manuscripts whilst at the same time the expansion of the Majapahit Kingdom must surely have impressed the archipelago at the time of Gajah Mada. Wasn't it the case that the standard list of the Negarakertagama was, at the time, to be found in the Puri of Cakra Negara, and thus would have been able to serve as a guideline to the writers of local chronicles?

From the Usana Bali, it would appear that Arya Damar, brother to the King of Majapahit, and Gajah Mada have divided Bali amongst the lords of Bali after the Majapahit King had suppressed an uprising. Bedahulu is mentioned regularly in the Negarakertagama as being a mighty kingdom, ruling over various outposts in eastern Indonesia. In the Usana Jawa, even China and Ulanda would appear to fall under the jurisdiction of the Majapahit Kingdom. Bedahulu would have been destroyed by Arya Damar.

Below follows the original Dutch text by J.C. van Eerde, with additional information from its notes introduced in the text in square brackets by author GD. A full translation is forthcoming.

***

De Madjapahitsche Onderhoorigheden Goeroen en Seran

door J.C. van Eerde (1911)

Sedert Dr. Brandes in 1896 het Javaansche geschiedkundige werk Pararaton (Ken Arok) of het boek der koningen van Tumapel en Madjapahit uitgaf – een boek dat door de bewerking van Brandes een standaardwerk voor Java's oude geschiedenis is geworden – en nog meer sedert Prof. Kern in den Indischen Gids van 1903 de belangrijke inhoud van de zangen XIII en XIV van het lofdicht Nagarakertagama ontsloot en den belangstellenden de uit de 14de eeuw herkomstige opsommingen van Madjapahit's onderhoorigheden deed kennen, is een andere lijst van de buitenbezittingen van dat Javaansche rijk eenigszins op den achtergrond geraakt, te weten die van de kroniek van Pasei, zoals zij sedert 1857 door Veth was gepubliceerd en in het tweede deel van zijn boek over Java (1878) voorkwam. De groote verdienste van die lijst is wel, dat zijn eene vrij juiste geografische rangschikking van de Madjapahitsche onderhoorigheden bevat, en daar zij voor het onderwerp, waarover dit opstel handelt, in hare wordingsgeschiedenis een belangrijk gegeven bevat, moge die geschiedenis hier nog eens kort in herinnering worden gebracht.

In het Journal Asiatique van Juni 1846, 4me Serie, Tome VII, P.552 werd door E.Dulaurier een lijst gepubliceerd van landstreken, die op het tijdstip van den val van Madjapahit aan den Javaansche rijk onderhoorig waren. Dulaurier had die lijst in 1840 aangetroffen in de Maleische handschriften, die Raffles had verzameld en geschonken aan de Royal Asiatic Society te Londen, aan het slot van een Hikajat radja Pasei, waarvan Brandes vermoedt, dat zij vrij laat, misschien wel in het begin van de 19e eeuw, is geschreven. [Pararaton, blz.130. Blijkens Encycl. v. N.I. IV blz. 382 noot onder 2de kolom waarschijnlijk in de 4e eeuw]

Intusschen bleek die lijst onvolledig, corrupt en verward te zijn, vooral nadat Dulaurier de genoemde Pasei'sche kroniek in zijn geheel had uitgegeven in het eerste stuk van zijne Collection des principales chroniques Malayes van 1849 p.98, en nadat hij in Juni van dat jaar in het Journal Asiatique, 4me Serie, Tome XIII, p.523 een toevoegsel aan zijn eerste over deze aangelegenheid handelend opstel had doen opnemen.

Sedert brachten Pijnappel (Journal Asiatique 1846, 4me Serie, Tome CII, p.544) en Logan (Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia 1848, II noot op p.604) verbeteringen in de genoemde lijst in verband met de gegevens van de kroniek zelf, zoodat daarin hoe langer hoe meer een juiste geografische volgorde viel te onderkennen, en nadat door van der Tuuk nog enkele fouten waren verbeterd (in een noot op blz. 116 van het in 1862 verschenen boek van A.W.de Klerck, Lassen's Geschiedenis van den Indischen Archipel), is dit onderwerp in zijn geheel onder de oogen gezien door Veth in het Tijdschrift voor Nederlands Indië van 1867 Dl. I blz.88 en Dl. II blz.96. Na zich nog eenige opmerkingen van Meinsma in datzelfde Tijdschrift van 1867 Dl. I blz. 96 ten nutte gemaakt te hebben, heeft Veth de lijst van Madjapahit's onderhoorigheden vastgesteld, die in zijn Java (eerste druk, dl. II, blz.133, noot; tweede druk, dl. I, blz.222 noot) te vinden is, en sedert als de opsomming van de buitenbezittingen van Madjapahit, voor zoover zij in de kroniek van de Pasei behandeld worden, is overgenomen.

Zie hier hoe die lijst, voorzien van enkele aanteekeningen nopens de verklaringen tot welke de daarin genoemde landstreken aanleiding hebben gegeven, er uit ziet:

A.I. Tambalan (de Tambelan eilanden); 2. Siatan (Anambas-eilanden, Siantan-groep, door Logan herkend); 3. Djemadja (West-Anambas); 4. Boengoeran (Groot Natoena. Dulaurier gaf eerst op — [Arabic] en dacht dat aan een schrijffout voor ... [Arabic] een eilandje Bangkawan t. N.O. van Borneo, t.O van het grootere eiland, dat de Engelsche kaarten thans Banguey noemen); 5. Serasan (Hoog-eiland van de Serasan-groep der Natoena-eilanden. Dulaurier gaf eerst ... [Arabic] en dacht aan Serang in Bantam, dat hier geheel misplaatst was; hadde er Serang gestaan in tegenstelling van ... [Arabic] voor Seran = Ceram – zie bij no.31 -, dan was er hier eerder te denken geweest aan het eilandje Serang bij Singkep); 6. Soebi (Vlak-eiland van de Zuid-Natoena of Soebi-groep. Dulaurier schreef eerst Soerbi en dacht aan Soerabaja, dat hier geheel misplaatst was); 7. Poelau Laoet (Noord Natoena); 8. Tjoeman (eilandje t.O. van het Maleische schiereiland bij de grens van Pahang en Djohor); 9. Poelau Tinggi; 9. Poelau Tinggi (klein eilandje t.Z. van Poelau Tioeman); 10. Pemanggil (tusschen Poelau Tioeman en Poelau Tinggi t.O. van het Maleische schiereiland. Meinsma heeft op overtuigende gronden aangetoond, dat dit eilandje bedoeld is en dat de veronderstellingen van Dulaurier, dat bedoeld zou zijn Pemanggilan Karimata, d.i. het ontmoetingspunt voor de vloten der Madajapahitsche vorsten bij de Karimata-eilanden, onjuist was); 11. Karimata; 12. Blitoeng; 13. Bangka; 14. Lingga; 15. Riau; 16. Bintan (in den Riouw-Archipel, vroeger ook Bentan, Bentam of Bentam genoemd. Dulaurier dacht verkeerdelijk aan Bantam op Java. Bintang was na de verovering van Malakka door de Portugeezen de zetel van de Maleische Sultans, zie bij no.29; 17. Boelang ('t Z.W. van Batam in den Riouw-Archipel. Dulaurier dacht aan Bolaang - Mongondou, – Oeki, – Itang ter noordkust van Celebes); 18. Sambas; 19. Mampawah; 20. Soekadana; 21. Kota-Waringing; 22. Banjarmasin; 23. Pasir; 24. Koetei (Koetei in Oost-Borneo, zoals door Pijnappel het eerst is opgemerkt. Dulaurier had ... [Arabic] geschreven en aan Koedoes in Djepara gedacht); 25. Beraoe (Dulaurier wist met zijn ... [Arabic] geen weg; Van der Tuuk en Veth dachten aan Broenei; Meinsma toonde uit den tekst van de kroniek aan, dat het Beraoe moest zijn); 26. Djambi; 27. Palambang; 28. Pasei; 29. Oedjoeng Tanah (Djohor. In 1539 bezocht Ferdinand Mendez Pinto de kusten van het Maleische schiereiland. Hij maakte o.a. melding van het rijkje Jantana, op latere kaarten Viontana en door de Chineezen van de Ming-dynastie, 1368-1643, Utang-talim genoemd. Dit rijkje is Djohor. "Johore is situated near Pahang and is also called U-tang-ta-lim", Groeneveldt, Notes p.135. Volgens Pinto heerschte de vorst van Oedjong Tanah – Jantana – over Bintang = Bentan van Marco Polo, zie bij 16 en beoorloogde hij als bondgenoot van de Koningin van Aroe op den Sumatrawal de vorsten van Atjeh, met het gevolg, dat de stad Jantana verwoest werd. Vergel. Dr. R. Martin. Die Inlandstämme der Malayischen Halbinsel. Jena 1905, S.116, en Raden Hoesein Djajadiningrat in Bijdragen T., L. en Vk. v. N. I. Dl. LXV 1910 blz.156. Het schijnt, dat kaap Oedjoeng Tanah – Roumanië – haar naam aan het gehele landschap gegeven heeft); 30. Bandan (Banda); 31. Seran (Ceram, zie bij 5 en hieronder); 32. Larantoeka (Larantoeka op Flores naar Veth's lezing. Dulaurier dacht eerst ... [Arabic] en Gorontalo, voor Gorontalo. Meinsma dacht aan eene corruptie voor Ternate, doch Veth ontcijfert .. [Arabic] en meent dat de eerste K een L moet zijn, zoodat Larantoeka te lezen is. In de kroniek stonden nos. 31 en 32 na 35); 33. Bima; 34. Sambawa (het landschap Soembawa); 35. Salamparang (Lombok. Volgens de Lomboksche verhalen zagen de Baliërs, als zij naar Lombok overstaken het Rindjani-Poenikan gebergte als een scherpe steen, een Sela-parang, weshalve zij het eiland Sassak Selaparang noemden; Lombok is de naam, die de inlandsche zeevaarders aan het eiland gaven naar het plaatsje van dien naam aan de oostkust); 36. Bali; 37. Blambangan (Blambangan op Java's Oostkust. Dulaurier dacht aan het eilandje van dien naam t. N. O. van Borneo. Pijnappel en van der Tuuk wezen er reeds op, dat na Bali opgesomd niet anders dan het bekende landschap op den Javawal bedoeld kan zijn).

Men ziet, na de opsomming van de eilanden tusschen Borneo en het Maleische schiereiland, gaat de schrijver van de Hikajat radja Pasei over de eilandjes bij dat schiereiland gelegen en over Bangka en Blitoeng naar den Riouw-Archipel, en na eene opsomming te hebben gegeven van de staatjes op Borneo komt hij op Sumatra, om na Djohor vermeldt te hebben verder te gaan naar de Molukken en de Kleine Soenda-eilanden om met Blambangan in Oost-Java te eindigen. Evenwel, de geheele eer van deze vrij systematische rangschikking mag niet aan dien kroniekschrijver worden gegeven, omdat, het werd boven reeds opgemerkt, de hand van Dr. Veth bij die rangschikking behulpzaam is geweest, gelukkig niet zonder dat die geleerde van zijne handeling behoorlijk verslag heeft gedaan, zoodat het mogelijk is de oorspronkelijke rangschikking op dit punt weder te herstellen. Daar juist die rangschikking voor ons onderwerp van belang is, zij hier geconstateerd:

1. dat in de oorspronkelijke gegevens van de kroniek van Pasei op Bandan volgden Bima, Sambawa en Salamparang en dat tusschen dat eiland (Lombok) en Bali opgenoemd werden Seran en wat Veth voor Larantoeka aanzag; 2. dat Veth de verplaatsing van die namen achter Bandan verklaart door te zeggen, dat Seran en Larantoeka tusschen Lombok en Bali geen plaats konden vinden, m.a.w. misplaatst waren; 3. dat in de oorspronkelijke, in 1846 gepubliceerde lijst (blz.567 Journal Asiatique IVme Serie, Tome VII) tusschen Salamparang en Bali liggen ... [Arabic] en ... [Arabic], eerst voor Gorontalo (Gorontalo), later voor ... [Arabic] Kroentoeka en drukfout voor Larantoeka aangezien. 4. dat in de overigens zoo juiste geographische volgorde die de Pasei-kroniek aan de Kleine Soenda-eilanden van oost naar west geeft ook tegen de schikking van Veth het bezwaar bestaat, dat Seran, als het Ceram aanduidde, vóór Banda geplaatst had moeten worden, doch dat Seran en het landschap, waarvan de eerste helft op Goeroen duidt, blijkbaar bij elkaar hooren en door Veth dan ook niet gescheiden zijn.

Bij het zoeken naar het antwoord op de vraag welke landstreken of eilanden met die namen van tusschen Bali en Lombok gelegen eilanden bedoeld kunnen zijn, zullen in de eerste plaats geraadpleegd dienen te worden de andere inlandsche geschriften waarin dezelfde namen voorkomen. Hier zij dan gewezen op de lijst van landstreken, die volgens de gelofte van Gadjah Mada, die Madjapahit's eerste minister was van 1346-1368 A.D. (Pararaton blz. 124 e.v.) tot onderwerping zouden worden gebracht. Wij vinden dan:

B. 1. Goeroen (volgens Brandes de Goram = Gorong-eilanden ten zuid-oosten van Ceram, waaromtrent J.G.F. Riedel in zijn boek De sluik- en kroesharige rassen tusschen Selebes en Papua op blz.146 het volgende mededeelt: "De Seranglao en Gorong-Archipel, in het begin der zeventiende eeuw door de Nederlanders ontdekt en bestaande uit de ten zuid-oosten van Serang gelegene eilanden, ligt tusschen 130º 54′ en 131º 40′ oosterlengte van Greenwich en tusschen 3º 50′ en 4º 15′ zuiderbreedte. Tot de Seranglao-groep behooren de eilanden Serangrei, ook wel genaamd Klein-Keving, Geser, Kiliwaru, Seranglao of Maar, Masangarat, Kivar, Kanoli, Makokak, Savivi, Matauli, Kidang, Nedin en Nukus, welke grootendeels door uitgestrekte riffen aan elkander verbonden zijn. De eilanden Gorogos, Koon, Surnaki of Gorongrei, Goronng of Goronglao en Manuwoko, behooren tot de Gorong-groep"); 2. Seran (Ceram, volgens Brandes en Rouffaer, "heuschelijk Ceram", zie dit Tijdschrift 1908 blz.343); 3. Tandjoengpoera (Borneo. Brandes dacht aan Sumatra's oostkust, Zuid Palembang, Benkoelen, Borneo en Krawang. Rouffaer bewees, dat hier aan Borneo bij Matan te denken viel en de Nagarakretagama stelde hem in 't gelijk, want noemde Borneo als Tandjoengnagara, wat volgens Kern synoniem is met Tandjoengpoera, zie C. bij no.25); 4. Haroe (het oude rijk Aroe op Sumatra's Oostkust bij Tjamijang); 5. Pahang (op het Maleische schiereiland); 6. Dompo (op Soembawa); 7. Bali; 8. Soenda (West-Java); 9. Palembang; 10. Toemasik (Singapoera. Brandes dacht aan Samudra = tasik = zee op Sumatra's Oostkust, maar vestigde er de aandacht op – Pararaton blz.130 – dat uit de Sadjarah Malajoe volgt, dat Tamasik lag op de plaats, die later Singapoera heette. Vergel. Martin, Die Inlandstämme der Malayischen Halbinsel, Jena 1905 S.106. Uit de Negarakretagama bleek dan ook, dat Toemasik bij 't Maleische schiereiland moest liggen).

Daar Goeroen en Seran in den Pararaton zonder eenige nadere aanwijzing voorkomen, valt tegen de identificatie Gorong en Ceram niet veel in te brengen; alleen zij er de aandacht op gevestigd dat Rouffear (Encycl. v. N.I. IV blz.376) mededeelt hoe een Chineesch schrijver ± 1264 A.D. (met twee vraagtekens) als eilanden buiten Java noemt "Ma-li" = Bali, "Goeloen" = Gorong of Goram (wel merkwaardig dit Goeroen bij Bali genoemd!), "Tandziong-boe-la" = Tandjoengpoera (Borneo), "Timoet" = Timor en "P'ing-ga-i" – Banggaai.

Blijkt de Pararaton dus geen licht te geven nopens de vraag welke tusschen Bali en Lombok gelegen landen met Seran en den met Goeroen samengestelden naam van de Paseikroniek bedoeld kunnen zijn, anders is dit met de lijst van onderhoorigheden van Madjapahit, die voorkomt in Zang XIII en XIV van het in 1896 in de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, Dl. XLIX, 1ste stuk, door wijlen Dr. Brandes uitgegeven gedicht "Nagarakretagama. Lofdicht van Prapantja op Koning Radjasanagara, Hayam Wuruk, van Madjapahit", naar het eenige daarvan bekende handschrift, aangetroffen in dé Puri te Tjakranagara op Lombok, sedert door Prof. Kern voor een groot deel vertaald in verschillende stukken van de Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, en waarvan de landenlijst te vinden is op blz.351 e.v. van den Indischen Gids van 1903, I, in het opstel van dien geleerde over het Nagarakretagama, dat hij een Oud-Javaans geschiedkundig gedicht uit het bloeitijdperk van Madjapahit (het gedicht is in 1365 A.D. geschreven) noemt. Deze lijst, waarvan voorzoover regel 1-6 van Zang XIII Nagarakretagama betreft eene letterlijke vertaling voorkomt in Encycl. van N.I. IV, blz.200, noot 3, terwijl eene transcriptie van de laatste 2 1/2 regels van Zang XVI wordt aangetroffen op blz.342, noot 2, Dl.XXV (1908) van dit Tijdschrift, wordt hier nog eens in haar geheel afgedrukt, omdat sommige van de door Kern, Rouffaer, van Hasselt en Groeneveldt met meer of mindere zekerheid reeds herkende namen wellicht verbetering zullen blijken te behoeven, terwijl ook nog enkele niet herkende namen op verklaring wachten.

C. De dichter begint met Sumatra, of, zooals hij het eiland noemt: 1. Malayu, blijkbaar de algemeene naam van gansch Sumatra bij de Javanen. Op Sumatra liggen de volgende landschappen: 2. Djambi (dat Rouffaer voor Mo-lo-yu van de Chineesche kronieken houdt – Malajoe proper. – Zie Notul. Bat. Gen. 1909 XLVII, blz. 116); 3. Palembang; 4. Teba (d.i. naar Kern in Ind. Gids 1903 I, blz.352 meende volgens gewestelijk Bataksche uitspraak Toba, maar v. Hasselt wees reeds op Tebo = Boven Djambi in Encycl. v. N. I., IV, blz.200 noot 3, waarmee Prof. Kern mij verklaarde in te stemmen); 5. Dharmacraya (lett. "Stut van de Boeddhistische wet". Rouffaer denkt dat hiermede Poelau Poendjoeng en Sigoentoer, Batang-Haridistricten bedoeld zijn, zie Notul. Bat. Gen. 1909 XLVII, blz. 118); 6. Kandis (Rouffaer ibid. denkt aan het terrein bij "de rivier Kandis bij Koto Toeo, 25′ recht Noord van Poelau Poendjoeng"); 7. Kahwas?; 8. Manangkabo; 9. Siyak; 10. Rekan (thans Rokan); 11. Kampar; 12. Pane; 13. Kampe (volgens Rouffaer Poelau Kompei en niet Moeara Kompeh, Encycl. N. I., blz.200); 14. Haru (zie B. bij no.4); 15. Mandahiling; 16. Tumihang (lees Tamihang); 17. Parlak; 18. Barat (de "West-kust." v. Hasselt in Encycl. v. N. I., IV, blz.200, noot 3); 19. Lwas (Padang Lawas of Gajoe Loeös?); 20. Samudra; 21. Lamuri (Indrapoeri? Rouffaer); 22. Batan (wellicht een landschap op Sumatra, waaraan hier eerder gedacht schijnt te moeten worden dan aan Poelau Batam in den Riouw-Archipel); 23. Lampung; 24. Barus. "Deze en nog andere liggen in 't land Malayu".

Na Sumatra – vervolgt Kern in Ind. Gids 1903, I, blz.352 – komt aan de beurt 25. "het eiland Tandjungnagara"; dit woord is synoniem met Tandjungpura (vergel. B bij no.3), en dat dit de Javaansche naam voor Borneo is, blijkt uit het vervolg, want als onderdeelen van Tandjoengnagara noemt de dichter op: 26. Kapuas; 27. Katingan (of Mendawei-rivier in de afdeeling Sampit); 28. Sampit; 29. Kuta Lingga (Lingga aan de vereeniging van de gelijknamige rivier en de Soengei Batang Loepar in Serawak", Rouffaer); 30. Kuta Waringin; 31. Sambas; 32. Wawai (volgens Rouffaer's scherpzinnige aanwijzing Moera Labai aan de mond van de gelijknamige rivier, zijrivier van de Mendawah); 33. Kadangdangan (Kendawangan; Rouffaer); 34. Landa (Landak); 35. Samedang (?); 36. Tirem (Peniraman aan de Kapoeas Ketjil; Groeneveldt in Encycl. v. N. I. IV, blz.384); 37. Sedu (Sadong in Serawak; Rouffaer ibid.); 38. Burune (ng; Broenei, Kern); 39. Kalkasaludung (de Maloedoe-baai; Rouffaer); 40. Solot (Soeloe; volgens de inheemsche kronieken ± 1390 A.D. door een vorst van Minangkabau, Radja Baginda veroverd. Zie The History of Sulu by Najeeb M. Saleeby, Manila 1908); 41. Pasir; 42. Baritu; 43. Sawaku (het eiland Seboekoe); 44. Tabalung (Sambalioeng? Rouffaer; het komt mij eenvoudiger voor hier te denken aan Tabalong, het tegenwoordige district in de afdeeling Amoentai); 45. Tunjungkute (Koetai, Rouffaer); 46. Malano (Balinean aan de Redjang-rivier in Serawak; id.) met hoofdstad Tandjoenpuri.

Als onderhoorigheden op 't schiereiland van Malakka – waarvoor een verzamelnaam ontbreekt zoals Rouffaer in Encycl. v. N. I. blz. 384 opmerkt – worden opgegeven: 47. Pahang; 48. Hudjung Tanah [Ook in Ned. Indië is Oedjoeng Tanah geen ongewone naam; zoowel een kaap in Indramajoe als een kustgedeelte even ten noorden van Makassar dragen dien naam.] (Djohor, zie A bij no.29); 49. Lengkah-suka (Selangor? Rouffaer); 50. Semong (toen ik aan Prof. Kern mededeelde in Semong het gebied van de Negritische stammen in de Noordelijke staten van het Maleische schiereiland te zien – de Semang of Samang of Seumang zie K. Martin, Die Inlandstämme der Malayischen Halbinsel, Jena 1905, S.187 – antwoordde Prof. Kern mij, dat deze verklaring voor Saimwang-Semong hem ook schriftelijk was medegedeeld door den heer Otto Blagden); 51. Kalanten; 52. Tringgano; 53. Nagor (Ligor, Lakon; Rouffaer); 54. Pakamuwar (Moear of Peken Moear; id.); 55. Dungun (thans "North Cape" in Kemaman; id.); 56. Tumasik (Singapoera, Vergel. B bij no.10); 57. Sang hyang hudjun (Oedjoeng Salang? Rouffaer); 58. Kelang; 59. Keda (Kedah); 60. Djere (Djering? bij Patani; Rouffaer); 61. Kandjapiniran (?), benevens eenige eilandengroepen.

Overgaande tot de bezittingen ten oosten van Java, vermeldt de dichter de volgende namen: 62. Bali met 63. Badahulu en 64. Lwa-gadjah (?); 65. Gurun I met Sukun als hoofdplaats (Noesa Penida); 66. Taliwang (op Soembawa); 67. Dompo (id.); 68. Sapi (id.); 69. Sang hyang Api (Goenoeng Api of Sangeang; Rouffaer); 70. Bima (op Soembawa); Seran I (volgens Rouffaer valt te denken aan de Kanarigroep t. Westen van Misool); 73. Gurun II (Gorong = Goram-Archipel, zie B bij no.1); 74. Lombok Mirah (lees Lombok en Birah, twee havenplaatsen op de Oost- en de Noordkust van Lombok, dat zijn naam te danken heeft aan de vreemdelingen – Boegineezen e.d., Vergel. A bij no.35, – die in de baai van Lombok en te Laboahan Birah landden; als verzamelnaam hier dus Noord-Oost Lombok); 75. Sakasak (de inheemsche naam voor Lombok, Vergel. A. bij no.35 en waarmede hier in tegenstelling van 74 bedoeld zal zijn de bewoonde vallei ten zuiden van het Poenikan-Rindjani-Anak Dare-gebergte dus de vallei van Lombok, die door de bevolking wordt verdeeld in Bat-Djoering en Timoe Djoering, een Westelijk en een Oostelijk deel); 76. het landschap Bantayan (Bonthain; Rouffaer) met hoofdplaatsen Bantayan en Luwuk (Loewoe; id.); 77. de eilandengroep Udamakatraya (?); Makassar; 79. Butun (Boeton); 80. Banggawi (Banggaai); 81. Kunir (?); 82. Galiyao (Kangean); 83. Salaya (Selayer); 84. Sumba (Soemba); 85. Solot (Solor); 86. Muar (Honimoa = Saparoewa, zie Rouffaer in dit Tijdschrijft 1908, blz. 342); 87. Wandan (Banda); 88. Ambon; 89. Maloko (Ternate; Rouffaer); 90. Wwanin (Onin op Nieuw-Guinea; Rouffaer in Encycl. v. N. I. IV, blz.385); 91. Seran II (Zuid-West Nieuw Guinea, zie het zeer belangrijke artikel van Rouffaer in dit Tijdschrift 1908, blz.308 e.v.); 92. Timor en vele bijbehoorende eilandjes.

Wat nu thans aan de orde zijnde namen betreft, zoo blijkt uit deze uitvoerige lijst:

1° dat Goeroen in deze lijst evenals in de Pasei-lijst en evenals in de mededeeling van den op blz.225 bedoelden Chineeschen schrijver en bovendien in Zang XVI Nagarakretagama (Bijdr. 1910, blz.358) genoemd wordt bij Bali;

2° dat bij het zoeken naar het met Goeroen bedoelde landschap een nadere aanwijzing komt: de hoofdplaats Soekoen.

En daar nu tusschen Bali en Lombok gelegen is het eiland Noesa Penida, waarop het dorp Soekon (zie kaart Bali 1:250 000, Topographische Inrichting Batavia 1909), zoo is m.i. het bewijs geleverd, dat met Goeroen van de Pasei-lijst (no.32), dat dan Goeroen-soekoen ... [Arabic] te lezen is, allerminst Larantoeka maar evenals met Gurun I [Blijkens een schrijven van de heer Rouffaer aan Prof. Kern heeft ook R. Goeroen aangewezen tusschen Bali en Lombok (mededeeling van Prof. Kern).] van de Nagarakertagama-lijst (no.65) Noesa Penida [De Penida-groep waartoe ook behooren de eilandjes Lembongan en Tjeningan is met zijn 12.000 inw. als onderdeel van Kloengkoeng bij het rechtstreeks bestuurd gebied ingelijfd en verdeeld in twee districten, Batoe Moenggoel en Toja Pakeh, met negen desagebieden. Het eiland Penida (goeroen = wildernis, woestenij) is zeer onvruchtbaar.] bedoeld is. Maar als dat zoo is, dan doet de geographisch zoo juiste lijst van Pasei ons ook voor Seran (no.31 van die lijst) tusschen Bali en Lombok in de buurt van Noesa Penida zoeken en dan kan dit niet anders doelen dan op Serangan, het eiland met zijn heiligen koraal-tempel aan den ingang van Pantai Timoer.

Is deze veronderstelling juist, dan wijzen de drie hooger behandelde kronieken, voorzoover wij ze thans begrijpen, als Madjapahitsche onderhoorigheden aan:

Gurun I = Noesa Penida: A no.32 en C no.65.

Gurun II = Gorong of Goram: B no.1 en C no.73.

Seran I = Ceram: B no.2 en C no.71.

Seran II = Zuid-West Nieuw Guinea: C no.91 (Rouffaer).

Seran III = Serangan: A no.31.

De bevestiging van het bovenstaande en misschien nog andere bijzonderheden nopens de Madjapahitsche onderhoorigheden, die men dacht te vinden in een tweetal in transcriptie ten dienste staande kronieken, een afschrift van een Oesana Bali waarvan het lontargeschrift eigendom is van Goesti Wajan Djilantik van Karang Tangkeban (Tjakra Nagara) en een afschrift van een Babad Lombok, waarvan de lontars thans in het Museum Prins Hendrik te Rotterdam bewaard worden, zijn daarin niet aangetroffen, alhoewel Prof. Dr. J.C.G. Jonker zoo welwillend was de op het genoemde onderwerp betrekking hebbende gedeelten van die soms vrij onduidelijke en blijkbaar corrupte afschrift-kronieken na te gaan. Omtrent de eilandjes Goeroen en Serangan werden daarin geen gegevens gevonden, doch in 't kort moge hier worden medegedeeld, wat de genoemde kronieken nopens de Madjapahitsche veroveringen vertellen. Het mag verwonderlijk weinig genoemd worden, als men in acht neemt, dat de schrijfkunst op de eilanden Bali en Lombok met het Hindoeïsme vrij algemeen werd, dat geen Islam daar de duurzame lontargeschriften uit dien tijd in discrediet bracht en dat de geweldige expansie van Madjapahit over den Indischen Archipel in de eeuw van den ijzeren kanselier Gadjah Mada diepen indruk moet hebben gemaakt, terwijl bovendien de standaardlijst van de Nagarakretagama zich in de boekerij van de poeri te Tjakra Nagara bevond en dus schrijvers van plaatselijke kronieken tot leidraad had kunnen dienen.

In de eerste plaats dan de Oesana Bali. Uit eene inhoudsopgave van dat geschrift door R.Friederich in Tijdschr. v. N. I. 1847, blz. 245 e.v., blijkt reeds dat het handelt over de verovering van Bali door den broeder van den vorst van Madjapahit, Arja Damar en den patih Gadjah Mada en de verdeeling van Bali onder de grooten van het land, nadat de vorst van Madjapahit er een opstand had gedempt. Het in de Nagarakretagamalijst (bij no.63) genoemde Badahalu, waarvan de naam terug te vinden is in de tegenwoordige districtshoofdplaats van Gianjar, wordt in deze kroniek ook herhaaldelijk als een machtig vorstendom genoemd, zelfs als heerschende over Boegis, Boni, Tambora, Bima, Makassar, Soembawa, Sasak, Madoera, Kangean, Badjo, Mandar, Blambangan, en Djembrana, terwijl de Oesana Djawa volgens Friederich eene opsomming van Madjapahit's onderhoorigheden bevat tot welke zelfs China en Oelanda zouden behoren.

Het thans met behulp van Prof. Jonker geraadpleegde exemplaar vertelt van den vorst van Madjapahit (Sang andiri, ring Madja-lange) en zijn patih (rakrijan patih) Gadjah Mada en hoe Bede-oeloe (Badé Moerdi) door de macht van Arja Damar verwoest werd, maar overigens komt er omtrent de veroveringen van Madjapahit niets in voor. Het in de Nagarakretagama-lijst bij no.64 vermelde Lwa-gdjah is ook in dit geschrift niet aangetroffen, doch wanneer Lwa (zie Kawi Wbk. v.d.Tuuk s.v. lo, loha, en lwa) de stam is van Lolowan (Wbk. v.Eck loh en Lohlohan), dan zou Lwa kunnen wijzen op de bij Negara, de hoofdplaats van Djembrana gelegen desa Lolowan, waar plaatselijk onderzoek misschien de combinatie met Gadjah kan verklaren.

Dat een ander handschrift van de Oesana Bali nog belangrijke gegevens nopens de door Madjapahit op Bali getroffen bestuursmaatregelen bevat, volgt uit Bijdragen 1910 blz.359 en 360.

Ten slotte nog een enkel woord over hetgeen de Babad Lombok nopens ons onderwerp mededeelt. Deze kroniek, hier en daar sterk Mohammedaansch getint en waarschijnlijk niet van oude herkomst is, omdat er woorden als bedil (geweer) en ringgit in voorkomen, vermeldt hoe de Javanen ten tijde dat zijn nog niet wisten wat de Islam en wat het heidendom (agama kapir) was, onderwezen werden door een zekeren pandita Garendah, die bij Poelau Betawi landde en door het overtuigende van zijne woorden den Javanen den waren godsdienst deed aannemen. Daarna zond de vorst van Madjapahit zijne zonen uit om de lieden van Bali, Sasak, Timor tot aan Bandjar, Makassar, Poelau Moloko (Malaka) en Djambi te onderwijzen en er dan te blijven heerschen. Zij vertrokken, begeleid door den patih, en het ressort van den oudsten zoon van Bali, Lombok (boemi Sasak) en Soembawa; dat van den jongeren zoon boemi Boegis (Celebes) en Ternate met bijbehoorend gebied; dat van den jongsten zoon Bandjar (masin) en wat daarbij behoort; dat van den middelsten zoon was Madjapahit (hier is de geraadpleegde tekst waarschijnlijk corrupt). De heerscher over Lombok deed den vorst van Pamotan (bestaat nog) de Agama Boeda verwerpen en den waren godsdienst aannemen, waarna de Javaansche prins zich daar vestigde; de heerscher van Bali bleef in Kloengkoeng; de prinsen van Soembawa, Boegis en Bandjar bleven ieder op zich zelven. Hierna vermeldt de kroniek vulkanische uitbarstingen, overstroomingen en pogingen der menschen om zich te redden; de vorst vluchtte in een vaartuig naar Lalawan (=Lolowan in Djembarana), waar hij zich verborg. Later stichtte hij de residentie Karang Lombok en de dorpen Karang Moemboel, Karang Boengbang, Toembelalang, Karang Pelem, waar de ambtenaren woonden, terwijl in Bajan (Noordkust) en Kadjagih (Padjanggi?) voorname hoofden woonden. Daar de Babad Lombok verder voor ons onderwerp niet van belang schijnt, worde met het hier medegedeelde, voor de opgave waarvan ik Prof. Jonker dankbaar ben, volstaan.

Source

  • Eerde, J.C. van – De Madjapahitsche Onderhoorigheden Goeroen en Seran, TAG 1911, No.28, p.219-233

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman http://guidomansdijk-talen.nlsocial facebook box white 24