Dorpsbestuur en tempelbeheer (Grader, 1937)

Dorpsbestuur en tempelbeheer op Noesa Penida door C.J. Grader (1937)

Below meticulously detailed description of the village and temple administrative systems was published in DJÅWÅ, "Tijdschrift van het Java-Instituut", XVIIth edition, in 1937 (Dutch).

The article counts 21 pages of minute details and makes very interesting reading. Directly below, in a table, you will find a contents summary by headings. Notes by Grader and additional information by author GD are introduced in the text in square brackets. An preliminary English translation is to be found one 'rung' up on current dropdown menu 'History: Villages & temples administration.

Algemeene Indeeling
  • Lagere Bestuursindeeling
  • De Klihan Dasa
  • Désa en Bandjar
  • De "désa" Kloempoe
  • Bandjar Kaoeh en Bandjar Kangin
Het tempelwezen
  • De poera dalem te Kloempoe
  • De poera Mradjan te Kloempoe
  • De Poera Moendi
  • De Poera Pèd
  • Samenvatting

Algemeene Indeeling

Noesa Penida dat met de eilandjes Tjeningan en Lèmbongan één district omvat, is onderverdeeld in twaalf perbekelschappen. Deze perbekelan's vallen in twee groepen uiteen, waarvan het eene gedeelte voor de vereering van den rijkstempel te Pèd zorgdraagt, terwijl de overige perbekelan's vereeringsgroep zijn van de poera Batoe Madaoe. De grens tusschen de beide afdeelingen wordt gevormd door de toekad Tijingan en de poera Sekar Angkoeh. Op deze wijze worden de perbekelsressorten in een Westelijk (daoeh bantas) en een Oostelijk (dangin bantas) groep naar het volgende schema onderscheiden:

A. Daoeh Bantas: (Poera Pèd).

1. Pèd.2. Kloempoe. 3. Sakti. 4. Batoe Madeg. 5. Batoe Kandik. 6. Djoengoet Batoe. 7. Lèmbongan.

B. Dangin bantas: (Poera Batoe Medaoe).

8. Koetampi. 9. Batoe Noenggoel. 10. Swana. 11. Tanglad. 12. Sekar Tadji.

Oudtijds is de verdeeling in perbekelschappen een andere geweest: Batoe Kandik, Batoe Madeg en Kloempoe ressorteerden vroeger onder Pèd; te Pangkoeng, dat tegenwoordig onder Batoe Madeg en in Toelad, dat nu onder Batoe Kandik behoort, waren eens perbekel's gevestigd; eveneens zijn Ramoean (nu onder Sekar Tadji) en Boejoek (nu onder Koetampi) voorheen afzonderlijke perbekelan's geweest. De oude, uit de vorstentijd dateerende, perbekelgeslachten, waaruit tot op heden de functionarissen bij voorkeur worden benoemd, kunnen nog worden aangewezen:

A. Daoeh Bantas: (Poera Pèd).

1. Pèd (I Njoman Papak). 2. Sakti (I Wajan Dangin). 3. Djoengoet Batoe (Pan Tangsi). 4. Lèmbongan (I Wayan Pasek). 5. Pangkoeng (I Ktoet Sada). 6. Toelad (Nang Djabreg = Pan Gara).

B. Dangin bantas: (Poera Batoe Medaoe).

7. Koetampi (I Madé Lateng). 8. Batoe Noenggoel (Ngakan Gdé Dalang). 9. Swana (I Madé Mranggi). 10. Tanglad ( Sekar). 11. Sekar Tadji ( Gdé Lawas). 12. Ramoean (I Madé Poetoe). 13. Boejoek (Nang Ramboeg).

Getracht is, de perbekelan Tanglad bij Swana te voegen: Tanglad, dat van ouds een afzonderlijken perbekel heeft gehad, is tegen deze samenvoeging, die als een degradatie wordt aangevoeld, gekant.

De hoofdheiligdommen Pèd en Batoe Medaoe dragen beiden het predicaat: "poera panataran"; dit kan er op wijzen dat de tempels op vorstelijk gezag werden gesticht. Immers vertegenwoordigt het woord "panataran" een meer beleefde taalsoort tegenover het woord "dalem", dat in verband met den naam van een rijkstempel niet zoozeer dient om den chtonischen aard van het heiligdom aan te duiden, dan wel honorifieke beteekenis heeft.

Het is onzeker of de verdeeling der perbekelan's in een Westelijke en een Oostelijk groep , een instelling van het vorstenbestuur is geweest, dan wel uit vroegeren tijd stamt. De overlevering zegt, dat Batoe Medaoe wel sinds onheugelijke tijden een sanctuarium van eenige beteekenis is geweest, doch dat de tegenwoordige royale opzet uit de bewindsperiode van Déwa Agoeng Rai dateert. Als "rijkstempel" schijnt dus de poera Batoe Medaoe van jonger datum te zijn dan het heiligdom Pèd.

Eens per maand komen de perbekel's (of hunne vertegenwoordigers) van de Westelijke vereeringsgroep in de poera Pèd en die van de Oostelijke afdeeling te Batoe Medaoe samen (sangkepan); op deze bijeenkomsten vinden maatregelen in het belang van het tempelonderhoud, het kasbeheer en de viering der poedjawali's, bespreking; bij toerbeurt wordt de regeling van de odalan, die volgens de oekoetijdrekening plaats heeft, telkens aan één perbekel opgedragen.

Lagere Bestuursindeeling

De perbekel heeft tot taak de behartiging van de hem door het Gouvernement opgedragen werkzaamheden; toch vervult hij ook in de organisatie van het poera-wezen een rol en niet alleen ten opzichte van de rijkstempels, doch evenzeer met betrekking tot heiligdommen van meer locale beteekenis.

In de uitoefening van zijn functie wordt de perbekel bijgestaan door meerdere "klihan satoes" (hoofdmannen over honderd dienstplichtigen), welke op hun beurt weer boven de "klihan sèket" (over vijftig pengajah's) zijn gesteld. De oproepkringen van deze beide soorten van klihan's vallen niet samen met de adatressorten: de "bandjar's" en, voor zoover men deze onderscheidt: de "désa's"; het komt niet zelden voor, dat meerdere bandjar's tot één klihansressort zijn vereenigd [Ook de ressorten van de klihan's satoes en sèket worden op hun beurt met den term "bandjar" aangeduid].

Als voorbeeld kan de perbekelan Kloempoe dienen, waar de perbekel drie klihan's satoes en zes klihan's sèket onder zich heeft, terwijl de perbekelan in het geheel veertien dorpen telt, onderverdeeld in achttien bandjar's.

Perbekelan Kloempoe.

A.Klihan Satoes I. Klihan sèket. a. Kloempoe. 1. bandjar kawan [Bandjar Kaoeh (kawan) en bandjar kangin, respectievelijk de Westelijke en de Oostelijke bandjar (de gewone wijze, vooral op Noesa Penida om bandjar's van elkaar te onderscheiden]. 2. bandjar kangin. b. Metaki.II. Klihan Sèket a. Angas kadja [Angas kadja en Angas klod vormen geen geheel; de beide plaatsen zijn door een bergrug van elkander gescheiden (selat boekit)]. b. Angas klod. c. Semaga.

B. Klihan Satoes. I. Klihan sèket. a. Rata. 1. bandjar kangin. 2. bandjar kaoeh. b. Soebia. 1. bandjar kangin. 2. bandjar kaoeh. II. Klihan Sèket. a. Tiagan. b. Pengaloesan. c. Tengaksa.

C. Klihan satoes. I. Klihan Sèket. a. Baledan. 1. bandjar moenggah [de hooggelegen bandjar]. 2. bandjar njoeoeng. II. Klihan sèket. a. Iseh. b. Bila. c. Waroe.

De perbekel belegt met zijn klihan's slechts dan een sangkepan, wanneer de dienst dit vereischt; djoeroearah's ontbreken; brieven worden met heerendienstplichtigen (kemit) rondgebracht. De inkomsten der gouvernementsfunctionarissen bepalen zich tot collecteloonen en de opbrengst van ambtsvelden, die gedeeltelijk in de omgeving van het dorp Penida (klappertuinen) en voor een deel in het Kloengkoengsche liggen. De ambtsvelden in Kloengkoeng worden in deelbouw bewerkt; in den oogsttijd nemen de betrokken perbekel's en klihan's het hun toekomende oogstaandeel persoonlijk in ontvangst [De totale oppervlakte van de boekti's der dertien perbekel's bedraagt: 5.44 H.A. sawah en 17.63 H.A. tegal; het lagere personeel ontvangt: 11.31 H.A. sawah, 12.40 H.A. tegal en 1014 klapperboomen. De sawah's liggen in het district Sawan (Kloengkoeng); de tegalan op Noesa. Tevens genieten de perbekel's en klihan's vrijstelling van heerendienst.

De Klihan Dasa

Een niet tot het gouvernementeele bestuursapparaat behoorende instelling, die echter in politioneel opzicht invloed uitoefent, is de "sekaa goeloengan". Uit iedere perbekelan wordt één persoon tot lid van het college benoemd en waar Noesa Penida, de eilandjes Lèmbongan en Tjeningan niet meegerekend, tien perbekelan's telt, bestaat de sekaa goeloengan uit tien leden (klihan sampi), waarom het instituut met den term "klihan dasa" (de tienmannen) wordt aangeduid. Het college heeft tot taak de berechting van veediefstallen en wat hiermede annex is [Zie uitvoerig over de klihan dasa: B.J. Haga in Adatrechtbundel XXIII pag.400-403, waar de noodzakelijkheid van de handhaving van de rechtspraak der klihan dasa wordt aan het licht gesteld. Vgl. hiermede de gegevens omtrent het opsporen van veediefstallen in Djembrana in Adatrechtbundel XV, pag.87 en in Adatrechtbundel XXXVII, p.552]; een primus inter pares kent de sekaa niet; bij defungeeren van een lid, wordt de opvolger voor de overblijvende leden verkozen.

Eéns per maand, op radité oemanis, komt de sekaa goeloengan te Bangoen Oerip (Perbekelan Batoe Kandik), in de balé bandjar dangin bijeen (sangkepan). Het is de gewoonte dat de klihan's satoes en sèket mede ter sangkepan verschijnen om uit de eerste hand de noodige inlichtingen en bevelen te verkrijgen, dan wel om klachten, het eigen ressort betreffende, voor te brengen; deze klihan's hebben echter geen stem.

Bij toerbeurt (giliran) wordt op iedere sangkepan door één der klihan's dasa de "tjané" opgebracht; deze bestaat uit gereedgemaakte sirih (porosan); meestal zijn tweehonderd stuks benoodigd.

Op de overtredingen die met het houden van vee in verband staan, zijn verschillende boeten gesteld. Indien loslopend vee, dat schade heeft aangericht wordt opgevat (naban), maakt het verschil of het rund (onder "vee" wordt hier uitsluitend runderen verstaan) zich heeft losgerukt, dan wel dat nalatigheid van den eigenaar in het spel is. In het eerste geval wordt een minimum boete van 250 duiten opgelegd; anders bedraagt de boete 1200 kèpèng (nem bangsit), vroeger zelfs 2000 duiten. Ook bij diefstal van vee, wordt een boete opgelegd.

Een lontargeschrift, de verschillende bepalingen (awig-awig) bevattende, die bij de berechting van zaken door de klihan dasa in acht zijn te nemen, is in het bezit van den klihan desa Kakin Tegeg uit Batoe Kandik. Kakin Tegeg is als bewaarder aangesteld, omdat hij de klihan is van de perbekelan, waar Bangoen Oerip onder ressorteert. [Zie Adatrechtbundel XXIII, pag. 401; stichter van de seka goeloengan was I Njoman Pedoman, die klihan montjol werd van Batoe Kandik; hij werd door zijn zoon Kakin Ngales opgevolgd; toen naderhand de seka goeloengan tien leden ging tellen, behoorde de kleinzoon van den stichter: N.Kretjed hiertoe. Vanaf de stichting is dus de perbekelan Batoe Kandik ten opzichte van de seka goeloengan het centrum geweest].

Het is de regel dat ieder zich aan de uitspraken van de sekaa goeloengan onderwerpt; weerspanningen werden vroeger tot reden gebracht door het aan hen toebehoorde vee vogelvrij te verklaren; ook nu is het de vrees voor een mogelijke boycott, die er toe leidt, dat een opgelegde boete meestal prompt wordt betaald. Maakt een veroordeelde tegen de uitspraak van de klihan dasa bezwaren, dan verwijst de sekaa goeloengan de zaak naar den gouvernementsrechter (Districtsgerecht of Raad van Kerta). De boetegelden, die op den sangkepandag worden geïnd, worden in gelijke aandeelen onder de eischende partij, de kas van de sekaa en de klihan dasa persoonlijk, verdeeld.

Het is de gewoonte dat het geld dat de klihan dasa zelf ontvangen, terstond wordt uitgegeven; er wordt een gemeenschappelijke maaltijd uit bekostigd, die uit ketipat bestaat. De sangkepan te Bangoen Oerip is een evenement dat vele belangstellenden trekt; door de honderden aanwezigen maken verkoopsters goede zaken.

Désa en Bandjar

De termen "désa" en "bandjar" worden weinig scherp uit elkaar gehouden; vooral heeft men het op Noesa Penida met de omschrijving van het begrip "désa" te kwaad; de meest uiteenloopende antwoorden worden vernomen. Een enkele maal wordt de meening gehuldigd dat Noesa slechts twee "désa's" kent: de gebieden "dangin bantas" en "daoeh bantas"; volgens deze opvatting worden dus de beide groote vereeringsgroepen, waarin Noesa uiteenvalt, "désa" genoemd. Dit systeem vindt een parallel in de organisatie van het désawezen der Baliërs van Lombok, waar de uit de vroegere rijkjes Tjakranegara, Mataram, Pagoetan en Pagesangan voortgekomen vereenigingsgemeenschappen, de eigenlijke desa's vormen.

Anderen noemen de "perbekelan" tevens "désa" en hebben daarbij niet zoozeer het oog op de bestuurseenheid, dan wel op het feit dat in sommige gevallen ook de perbekelan een vereeringsgroep omvat en ook op andere wijze één geheel vormt. Immers ten opzichte van de vereeniging van de poera's Pèd en Batoe Medaoe vormen de perbekelan‘s ieder op zichzelf een eenheid; ook is dit het geval voor zoover het de sekaa goeloengan betreft, want uit iedere perbekelan wordt één klihan dasa benoemd.

Sommige perbekelsressorten kennen een tempel die soengsoengan van de geheele perbekelan is, zooals de poera Moendi voor den ambtskring van den perbekel van Kloempoe en de poera Toendjoek Poesoeh voor de perbekelan Tanglad. Elders heerscht 't spraakgebruik dat de plaats van inwoning van den perbekel "désa" wordt genoemd, zooals in de perbekelan Batoe Noenggoel, waar [niet?] gesproken wordt van de "désa" Batoe Noenggoel doch van de "bandjar's" Sampalan en Mentigi.

Echter vormen binnen de perbekelan, de bandjar's Batoe Noenggoel, Sampalan en Mentigi een eenheid, die tezamen één poeseh en één dalem vereert en zijn beide tempels op het gebied van Batoe Noenggoel gelegen [Ook de poera Poetjak Sari is soengsoengan van alle drie bandjar's; het heiligdom staat te Mentigi en wordt eveneens beschouwd een poeseh te zijn]. Vandaar dat anderen de hoogere waardering van Batoe Noenggoel toeschrijven aan het feit dat het de plaats is, waar de algemeene poera's zich bevinden.

De gelijkstellingen van "désa" met "woonplaats van de perbekel" en met plaats waar de tempels zich bevinden, worden vermeld om te doen zien met welke opvattingen men op Noesa rekening heeft te houden; overigens hebben zij geen waarde. Een andere uitspraak is nog: de "désa" is een woondorp, de vereenigingsleden vormen de "bandjar". Meer doeltreffend lijkt de volgende onderscheiding: de "bandjar" is in de eerste plaats een vereeniging ten behoeve van den doodencultus; de "désa" is de eenheid die het tempelwezen verzorgt. Soms is de doodenvereeniging aan de tempelvereeniging identiek: de désa omvat niet meer dan één bandjar; ook wel vormen meerdere bandjar's één tempelvereeniging; in dit geval bestaat de "desa" uit een aantal bandjar's.

De onderscheidingen zijn op Noesa niet scherp, doch een concreet voorbeeld kan het een en ander verduidelijken.

De "désa" Kloempoe

De désa Kloempoe omvat twee bandjar's (bandjar kaoeh en bandjar kangin). De definitie die men in Kloempoe van het begrip bandjar geeft is de volgende: de banjar is een vereeniging voor de doodenvereering en voor den gemeenschappelijken dienst der voorouders. Kenmerken van de bandjar zijn:

1. Het bezit van een "balé bandjar" * ["Balé bandjar", kortweg aangeduid als de "bandjar" soms: "karangan bandjar"], bestaande uit een aantal loodsen, tezamen op één erf vereenigd en gelegenheid gevende tot het houden der bandjarvergaderingen, het slachten tijdens de bandjarfeesten, het vervaardigen en het rangschikken van offers, het geven van dansvoorstellingen en muziekuitvoeringen. Tevens zijn steeds eenige godenzetels op het bandjarerf aanwezig. Deze bandjartempel (poera bandjar) draagt ook den naam van "oemah sangjang" (pars pro toto).

*) Illustratief voor het karakter van de bandjar is nog de volgende korte aanteekening omtrent den oorsprong van het dorp Koetampi. Toen de voorvader van den tegenwoordigen perbekel in ouden tijd naar Noesa werd gezonden om er als vertegenwoordiger (perbekel) van den vorst te fungeren, was hij van 19 gezinnen, in hoofdzaak uit Kemoning, Tangkas, en Kemasan afkomstig, vergezeld. Besloten werd in de nabijheid van Djoerang Pait een nieuwe vestiging te stichten. Spoedig nadat de eerste ontginningen gereed gekomen waren, vereenigde men zich in een pamaksan bandjar en werd een sema aangelegd en een poera dalem gesticht. Naderhand werd ook voor de goenoeng agoeng een vereeringsplaats gebouwd, de poera "goenoeng anjar" of poera "pamaksan", zoo genoemd, omdat het de Kloengkoengers waren, die behoefte hadden aan een pasimpangan voor de batara di goenoeng agoeng; de poera was dus als het ware bezit van de pamaksan "Kloengkoeng", maar fungeert nu als algemeene vereeringsplaats. Voor de visschers en handelaren werd ook een poera mlanting gemaakt. Een aan het dorp Djoerang Pait behoorende, doch op het gebied van Koetampi gelegen tempel, de poera pamastoelan werd tot poera poeseh verheven. Immers omvatte de ambtskring van den perbekel van Koetampi ook Djoerang Pait en is de pamastoelan de oudste poera der gehele omgeving. Djoerang Pait is in de streek de oudste vestiging; het oorsprongdorp is Goenoeng Semir; dit dorp bestaat nu alleen nog uit acht gezinnen. Bij Djoerang Pait heeft het nieuwere gehucht Glagah aansluiting gezocht; de menschen waren oorspronkelijk afkomstig van Seboen Doepa (perbekelan Sakti), een dorp dat nu geheel verdwenen is. De pamastoelan is de eenige tempel die door de drie dorpen tezamen wordt vereerd; deze drie bandjar's vormen de seka pamastoelan. Koetampi en Djoerang Pait hebben ieder een klihan pamastoelan; Glagah ressorteert in dit opzicht onder Djoerang Pait; de poedjawali in de pamastoelan valt op anggara klion doekoet.]

2. Het aanwezig zijn van een bandjarvereeniging, de "seka bandjar". Alle gehuwden zijn lid van de seka. Weduwnaars (baloe) genieten algeheele vrijstelling, ook al genieten zij thuis over vrouwelijke verzorging (van een volwassen dochter of van een vrouwelijk familielid). Aan het hoofd van de seka staat de "klihan bandjar", terzijde gestaan door den "panjarikan" [De panjarikan is de bandjarschrijver, hij voert de administratie en gaat aan de hand van de ledenlijst na, of ieder aan zijn verplichtingen voldoet]. De bandjar stelt zich tot taak, het gemeenschappelijk beoefenen der vooroudervereering, het verleenen van onderlingen hulp bij doodenfeesten en andere familie plechtigheden, terwijl de bandjar tevens de zorg voor de grondmagie op zich neemt. Met het woord "désa" worden de vereenigde bandjar's bedoeld: ten opzichte van de vereering der dorpstempels vormen de beide bandjar's één geheel. Deze dorpstempels zijn de poera dalem en de poera mradjan; beide poera's zijn uitsluitend soengsoengan van Kloempoe, geen andere dorpen hebben aan de vereering deel. Ook treden de twee bandjar's van Kloempoe gemeenschappelijk op bij de vereering van de poera Moendi (soengsoengan van de gehele perbekelan Kloempoe).

Toch kent de "désa" geen chef; voor iedere doelstelling wordt een afzonderlijke leider aangewezen. Voor de vereering van de poera dalem vereenigen de beide bandjar's zich tot de "seka dalem"; de administratie van het bidgenootschap is in handen van den klihan dalem; de pamangkoe dalem vervult uitsluitend de functie van geestelijk voorganger. Op dezelfde wijze is de "seka mradjan" georganiseerd; er is een afzonderlijke klihan mradjan; een aparte pamangkoe treedt op als leider van den eeredienst. De eenheid der beide bandjar's ten opzichte van de vereering van de poera Moendi, verpersoonlijkt zich in den klihan Moendi, die op de periodieke bijeenkomsten der gezamenlijke tempelbestuurders, Kloempoe representeert.

Echter heeft de term "seka Moendi" een andere beteekenis dan naar analogie van de aanduiding "seka dalem" en "seka mradjan" zou worden vermoed. De "seka Moendi" omvat de geheele vereeringsgroep, de perbekelan; met betrekking tot de totale vereeringsgemeenschap, vormt de eenheid "Kloempoe" één "bandjar", in de beteekenis van "afdeeling, groep".

Ten slotte is de geheele perbekelan Kloempoe weer onderdeel van een grooter geheel (de afdeeling: daoeh bantas) voor wat het njoengsoeng van de poera panataran Pèd betreft; in dit opzicht neemt de perbekel de leiding, bijgestaan door de klihan's satoes en sèket, gezien de omstandigheid, dat de dienst van de heiligdommen Pèd en Batoe Medaoe in zijn tegenwoordigen vorm een instelling van het voormalige Kloengkoengsche vorstenbestuur is -, een geheel natuurlijke gang van zaken.

Bandjar Kaoeh en Bandjar Kangin

De twee bandjar's zijn op geheel verschillenden bodem gefundeerd. De Bandjar kaoeh is een zuiver genealogische groep (kawit toenggal); soembahan abesik), waarvan de leden allen tot het geslacht van de "pasek kebon toeboeh" behooren; deze pasek's voeren hun afstamming terug tot Madjapahit [Andere pasek's (bv.: pasek Gèlgèl, pasek bendèsa, pasek gadoeh, enz.) worden niet zonder meer tot de vereeringsgroep toegelaten; het is een vereischte dat men "toenggal dadia" is]. Bij de bandjar kangin, kan iedereen zich aansluiten [Een dergelijke vereeniging noemt men seka of pamaksan soesoepan, soepsoepan of toetoepan. (Vgl.: masoesoepan = ergens indringen en noeptoepang = bijeenvoegen).]

De bandjar kaoeh is de oudste en voornaamste; de leden vereeren hunne gezamenlijke voorouders in de "iboe kamoelan", die binnen een afzonderlijke ommuring (zie afb.I), naast het bandjarerf staat, slechts door een steeg hiervan gescheiden. De perbekel is hoofd van het pasekgeslacht en als zoodanig tevens pamangkoe van de paibon [Noesaasch: palibon. Bij het ngentas reciteert de pamangkoe "wéda baos bali"; hij is "maklénéng" (hanteert de schel). De klihan bandjar is tevens klihan van de seka paibon. De odalan van de iboe kamoelan bandjar kaoeh valt op boeda-manis djoeloengwangi; rerainan zijn; poernama en tilem]; overigens is hij in de "bandjar" gewoon lid en ondergeschikt aan den klihan bandjar.

Behalve deze algemeene iboe kamoelan zijn er in de bandjar kaoeh geen andere paibon's meer; alleen heeft iedere gehuwde op zijn erf, zijn sanggah kamoelan [Na in het huwelijk te zijn getreden richt iedere jongeling een eigen "sanggah kemoelan" op; sterft de maker en zijn ook de overige leden van het gezin overleden, gehuwd of uitgetrouwd, dan wordt de sanggah niet meer onderhouden en vervalt. De sanggah heeft geen eigen odalan; matoeran heeft plaats bij galoengan en koeningan (vooroudervereering); op meer bescheiden wijze tijdens andere feestdagen en in gevallen van ziekte of rampspoed.

Een enkele tjanang wordt aangeboden op de gewone rerainan (op Noesa: poernama en tilem en niet: anggar-kasih, boeda-klion, enz.). Te Koetampi werd vernomen dat de individuele kamoelan óók wel "iboe" wordt genoemd; deze "iboe" is als het ware een filiaal van de vereeringsplaats van het geslacht: de "palibon dadia". Een dergelijke "palibon" (odalan: boeda-wagé kelaoe) wordt onder meer vereerd, door de nakomelingen der eerste ontginners, die toen zij naar Noesa kwamen, in negentien gezinnen vereenigd waren.

Te Koetampi ontbreekt de "iboe bandjar"; men schreef dit toe aan het feit dat het meerendeel van de bandjarleden afstamt van Kloengkoengsche immigranten, afkomstig uit streken waar het geen gebruik is een iboe bandjar te stichten. Omtrent de verspreiding van de iboe bandjar is niets bekend; talrijke Balische bergdésa's (bijv.: Lateng en Sanda, beiden in het district Kintamani) kennen een "iboe désa". De sanggah kamoelan zoowel als de palibon zijn aan den voorouderdienst gewijd; tusschen beide vereeringsplaatsen is slechts een gradueel verschil; in de sanggah kamoelan staat de dienst der meer directe voorouders op den voorgrond. Overledenen ten behoeve van wie, het volledige doodenritueel (de verbranding, benevens de nafeesten) in acht is genomen, di "pitara ané kedas" of "tedas" (beide woorden beteekenen: smetteloos , rein), lossen zich op in de triniteit Brahma, Wisnoe en Iswara. Vandaar dat de kamoelan steeds drie rong's (afdeelingen) heeft.

Men ziet: de uitlegging te Koetampi verschilt in niets van de ook in het Kloengkoengsche gebruikelijke. De zielen waarvoor de doodenfeesten nog niet gegeven zijn, worden in het woonvertrek en in den keuken (pawaregan) vereerd. De "patoeoetan" - een aan de kamoelan, doch op lager niveau aangebrachte dépendance, een deze nog niet gelouterde zielen gewijd - , die vooral in het Kloengkoengsche wel wordt aangetroffen, komt te Koetampi niet voor (patoeoetan = aanhechtstelsel, aanhang).

Wij keeren terug naar de drie rong's waarin de kamoelan is onderverdeeld. In het kort kan worden aangestipt dat de kamoelan in de bergstreken van Bali (bv. te Soekawana) eveneens uit drie afdeelingen bestaat, waarvan één aan den zonnegod en twee aan de voorouders (mannelijke en vrouwelijke) zijn gewijd. Het is begrijpelijk dat een andere trits, die van de Hindoeïstische triniteit, hiermede werd geassocieerd, zoodat thans de kamoelan niet slechts de "wortel" van den praehindoeïstischen eerdedienst in zich bevat, doch tevens is gewijd aan de trimoerti, de "oorsprong" van de "agama tirta".

De oriëntering van de kamoelan op het Oosten is een reminiscentie aan de vroegere zonnevereering; de rangschikking van het godendrietal in de volgorde: Wisnoe in het noorden, Iswara in het midden, Brahma in het Zuiden, komt, zoover het de positie van Brahma en Wisnoe betreft, overeen met die van de nawasanga; het verband tusschen Iswara's eigenschappen in de nawasanga (positie in het Oosten; kleur wit; embleem: de badjra) en die van den zonnegod, leidde tot de aanwezigheid in den trits van den oppergod Siwa, met de titulatuur van den hoeder van het Oosten (Iswara).

Hoe diep het begrip der Hindoeïstische triniteit binnen een stelsel van oudinheemsche voorstellingen besloten ligt, kan nog blijken uit de gelijkstelling der vergoddelijkte voorouders, bekend onder den naam van batara goeroe, met Siwa, de leeraar bij uitmuntendheid in den stelsel van de Caiwasiddhanta, van wien de leeraar op aarde, de priester, doch ook de vader, een afspiegeling is.

Overeenkomende met hunne cosmische positie - Wisnoe bedadjanan en Brahma bedelodan - dragen Wisnoe en Brahma in de Balische religieuze voorstellingswereld, uitgesproken het karakter van een uranische tegenover een chthonische godheid: Wisnoe als de god, waar de vorst, de godheid op aarde, een incarnatie van is, Brahma zijnde de personificatie van het aardvuur en fungeerende als hoeder van dien haard.

Oostelijk van de iboe kamoelan ligt het bandjarerf (zie afb. II); hier wordt op anggar-kasih [Niet iedere bandjar houdt sangkepan op anggar-kasih; bv. te Pedjoekoetan op boeda-klion; te Koetampi op boeda-manis] de maandelijkse sangkepan gehouden. Op het vastgestelde uur slaat de klihan op het seinblok (koelkoel), waarna binnen zeker tijdsverloop de bandajrleden aanwezig moeten zijn; in sommige bandjar's wordt na het slaan van de koelkoel een wateruurwerk (djanggi) in werking gesteld, bestaande uit een klapperdop, gevulde met water dat uit een klein gaatje naar buiten lekt; wie ter sangkepan verschijnt nadat de klapperdop leeg is, wordt beboet.

In de bandjar kaoeh bedraagt de boete voor te laat komen 12 duiten. Het geld komt in de bandjarkas (pipis seka); de klihan bandjar voert de administratie en legt op iedere sangkepan van het beheer verantwoording af. De fondsen worden besteed aan het onderhoud van de balé bandjar, aan de odalan van de oemah sangjang (op boeda-klion doengoelan = galoengan) [17. De odalan op galoengan wijst op vooroudervereering; het modalan (modalin) geschiedt met bèbèk, taloeh en poendjoengan] en aan de grondmagie. Dit laatste bestaat uit het houden van het zuiveringsfeest op tilem kasanga (njepi) en uit het matjaroe in geval van ziekte of onheil [18. Het metjaroe ter afwering van ziekten en rampspoeden heeft plaats op kadjeng-klion, zoo mogelijk op kadjeng-klion noedjoe tilem. Het periodieke matjaroe of mesegeh op rerainan's komt te Kloempoe niet voor. Vooral in het Badoengsche ontwikkelde dit mesegeh zich in brede kringen tot een soort primitieve Sandhya-ritus; het heeft plaats op het moment dat de zon het zenith passeert en bij de avondschemering; vooral het mesegeh op kadjeng-klion wordt in eere gehouden; via de bandjarbesturen wordt namens den Tjokorda, de kleine man aan dezen plicht herinnerd; eertijds belastte I Goesti Madé Tangeb, lid van den Raad van Kerta te Denpasar, zich hiermede]. Eventueel aanwezige kasgelden, worden zoo mogelijk uitgeleend; de rente bedraagt 10 duiten per atak (200), dat is dus 5%. Heeft de bandjar geld noodig en zijn de fondsen niet toereikend, dan wordt een heffing (patoeroenan) geheven.

Keeren wij tot de sangkepan terug; de aanwezigen vangen aan met het bandjarerf te reinigen en aan te vegen. Hierna begint de vergadering in de balé gedé. Bij toerbeurt (giliran) moet ieder bandjarlid voor de noodige sirih (tjané) zorgen; iemand die de beurt heeft, wordt "sinoman" [19. Op Bali meestal "saja"; zoo ook te Koetampi] genoemd; degene die tijdens de volgende sangkepan als sinoman zal optreden, wordt hieraan herinnerd doordat hij een vijftal gereedgemaakte sirihpruimpjes (porosan) ontvangt, in een peperhuisje (kodjong) van pisangblad tezamen gepakt [20. Deze wijze van kennisgeven heet "noembak"; vgl. hiermede de "toembakan", het offer waarmede in Oud-Balische dorpen van een huwelijkssluiting aan de godheid wordt kond gedaan].

De balé gedé waar de sangkepan wordt gehouden, heeft steeds twee zitvloeren; het blijkt niet welke beteekenis deze architectuur heeft gehad; momenteel meent men dat de doorgang tusschen de beide zitvloeren er is, om het bedienen gemakkelijker te maken. Op de vergadering komen de volgende punten ter tafel; onderhoud en herstel van tempels; de wijze waarop komende offerfeesten zullen worden gevierd en hoe bij een op handen zijnde abènan de patoesan zal worden berecht, waarbij, indien de bandjar tekort schiet, de perbekel en zijn handlangers hun autoriteit doen gelden [21. De meeste gevallen betreffen quaesties aangaande schulden aan de bandjar of aan een van de sekaa's; nalatigheid in het volvoeren der bandjardienstplicht en het opbrengen der pepesoewan; kleine diefstallen. Deze maximum boete bedraagt 125 duiten en komt aan de betrokken bandjarkas ten goede]. Op een gewone sangkepan wordt geen heilmaaltijd gehouden en niet geofferd bij de oemah sangjang; na het afsluiten van de bandjarkas biedt de klihan bandjar een tjanang (godensirih, een bloemenoffertje) aan batara ramboet sedana aan. Het bandjarerf is ook de plaats voor het gemeenschappelijk slachten (nampah) bij crematies en eveneens bij huiselijke feesten, als tandenvijlen (matatah). De bandjar kangin is op soortgelijke wijze als de westelijke bandjar georganiseerd; zooals gezegd ontbreekt een genealogische basis. Toch wordt een gemeenschappelijke "iboe bandjar" (oorsprongstempel van de bandjar) vereerd (zie afb. III); hiernaast bezit iedere familie een privé paibon.

Essentieel voor de vereering van de iboe bandjar, is dienst van de batara Goeroe; hieronder worden verstaan de voorouders (prewajah) die reeds gelouterd (beresih) zijn; daar de bandjar kangin geen gemeenschappelijke voorouders heeft, kan worden verondersteld dat hiermede de oorspronkelijke stichters van de bandjarvereeniging zijn bedoeld. Het spreekt vanzelf dat de ééne bandjar niets uitstaande heeft met de vereering van de paibon en van de oemah sangjang van de andere bandjar; wel werken de bandjar's samen ten opzichte van de patoesan (onderlingen hulp bij doodenfeesten), onder leiding van den klihan van de poera dalem [22. De beide bandjar's vereenigen zich dus, zooals men zich uitdrukt, "tot één seka patoes". Omtrent de wijze van begraven kan worden opgemerkt dat vroeger, indien het plan den doode een verbrandingsceremonie deelachtig te doen worden, voorstond, het lijk niet op de sema, maar op de tegalan werd begraven. De bedoeling was, naderhand zekerheid omtrent de identiteit van het gebeente te hebben. Iets van dezen aard werd ook vernomen uit de Banglische dorpen Satra en Pengotan].

Het tempelwezen.

A. De poera dalem te Kloempoe

De poera dalem te Kloempoe is "oeloen sétra" (begraafplaatstempel) en ligt derhalve in de nabijheid van den doodenakker. De tempel wijkt af van de van Bali bekende typen en vertoont een vrij sterke mate van hindoeïsering (zie afb. IV). De voor dit heiligdom meest op den voorgrond tredende godheden zijn: batara Goeroe, batari Oema en batari Doerga [23. Regel is, dat ook in de titulatuur van godinnen, in het Balisch de vorm batara en niet batari wordt gebruikt. Wat de trits: Goeroe, Oema en Doerga betreft, herinneren wij aan het grondplan van de Oud-Boelèlèngse poera dalem, bestaande uit een zetel voor den zonnegod, geflankeerd door een gedong (bebadjanan) voor den mannelijken batara di dalem en een gedong (bedelodan) voor zijn vrouwelijke wederhelft; vgl. ook de kamoelan te Soekawana (Aant. 15)]; een naar het Oosten georiënteerde gedong met een driedeelig steenen altaar, is aan deze trits gewijd.

Verder trekt het de aandacht dat de sanggah mandjangan seloewang (hier kortweg: seloewang geheeten), niet voor de batara Maspait (Madjapahit) bestemd is, doch voor bagawan Toemanglang. Bij de ngoerah in den Zuid-Oostelijken hoek, hebben eedsafleggingen plaats. De huidige pamangkoe poera dalem officieert eveneens in de oemah sangjang van de bandjar kawan. Als offerdieren worden uitsluitend varkens (bawi) gebruikt en eenden (bèbèk) voor de soetji's.

De klihan dalem staat aan het hoofd van de seka of pamaksan dalem, die de leden der beide bandjar's van Kloempoe omvat. Deze klihan wordt door de geheele seka verkozen; het is onverschillig of hij tot de bandjar kaoeh dan wel tot de Oostelijke bandjar behoort; bekwaamheid tot het bekleeden van het ambt is bij de verkiezing het eenige criterium. De huidige functionaris behoort thuis in de bandjar kaoeh; in de bandjarvereeniging bekleedt hij geen bijzondere positie (njerik).

Geen helpers staan den klihan in de uitoefening zijner werkzaamheden bij; oproepingen (ngarah-arah) geschieden door den klihan persoonlijk. De tegemoetkomingen waar de klihan recht op heeft bestaan uit vrijstelling van den plicht tot het opbrengen van bijdragen in natura (reramon) ten behoeve van de poera dalem, terwijl hij bij het bepalen (madoemdoeman) der aan ieder lid der seka dalem toekomende aandelen (doeman of djoldjolan) in de offermaaltijden, twee porties verkrijgt. De klihan treedt op als leider van de sangkepan in de poera dalem, die op iedere boeda-klion wordt gehouden; voor de sangkepan wordt op de gebruikelijke wijze tjané opgebracht. Het onderhoud der tempelopstallen (papajongan) en voorbereidingen voor een aanstaande odalan worden besproken. Tevens wordt tijdens de sangkepan het tempelterrein gewied (ngiskis) en gereinigd (ngrisak).

B. De poera Mradjan te Kloempoe

De tempel ligt op geringen afstand ten Noordoosten van de karangan banjar kaoeh (zie afb. V). Evenals in de dalem wordt ook hier een balé sloewang aangetroffen, gewijd aan bagawan toemanglang [24. In de poera mranting te Batoekandik staat eveneens een balé seloewang, hier balé gentèng genoemd, naar de bamboe-sirappen, waarmede het gebouwtje is gedekt; de balé gentèng is zetel van de "watek djaksa". Zie omtrent de sanggaran van de poera mranting, Stutterheim in T.B.G. dl. 92, afl. 2, pag. 206-210]; in de iboe kamoelan van de bandjar kaoeh komt deze balé nogmaals voor. De plaatsing in de kadja-kaoeh hoek van de djeroan is typeerend voor dezen godenzetel, in verband met de in talrijke heiligdommen in de bergstreken op Bali voorkomende zetels voor de ratoe doekoeh en de ratoe boedjangga valt te ontdekken; de verhouding die er bestaat tusschen de praedicaten: "doekoeh", "boedjangga" en "bagawan", doet verder vermoeden dat met de godheden, onder deze drie benamingen bekend, identieke persoonlijkheden, slechts verschillend in rangorde, worden bedoeld.

De naam van het heiligdom houdt verband met dien van de in deze poera het meest de aandacht trekkende godenverblijfplaats, de driedeelige "pameradjan" [25. De gewone beteekenis van pameradjan of kortweg: mradjan, is: huistempel van lieden van kaste (triwangsa); de huistempel van de djaba's wordt sanggah genoemd], een gedong die naar het Oosten staat georiënteerd en zetel is van Wisnoe, Iswara en Brahma; met Iswara worden de batara Goeroe gelijkgesteld, de "prewajah" of "pitara", de voorouders [26. De prewajah zijn: i bapa tekèn i mémé (nl. die reeds overleden en gelouterd zijn) = batara goeroe = batara Iswara; in de iboe kamoelan bandjar kawan worden onderscheiden: jang adigoeroe, batara goeroe, jang prama adigoeroe]. De taksoe is de geëigende plaats voor het matjaroe; in de dalem geschiedt dit aan de buitenzijde van den tempel, waartoe klod-kaoeh van den ingang voor iedere gelegenheid een sanggar tjaroektjoek wordt opgericht. In de balé pasamoean heeft tijdens den offerdienst het mawéda plaats, bij bijzondere gelegenheden wordt tot het verrichten hiervan een padanda uit het Kloengkoengsche uitgenoodigd.

Terloops kan nog vermeld worden dat ten Zuiden van het voorplein van de poera meradjan, aan den overkant van de dorpsweg een balé tadjoek (balé tanah) staat, waar tijdens lijkverbrandingen en andere groote feesten een gong wordt bespeeld. Overigens vertoont de organisatie van de seka mradjan groote overeenstemming met die van de dalem; op iedere toempek wordt sangkepan gehouden.

C. De Poera Moendi

De sangkepan in de poera Mundi valt op boeda-manis; alleen de veertien klihan's Moendi komen tezamen; uit ieder dorp, ook wanneer de désa uit meerdere bandjar's bestaat, wordt slechts één klihan afgevaardigd. De klihan van Rata wordt als de voornaamste (klihan gedé) beschouwd; de reden hiervan is, dat de tempel binnen het gebied van Rata ligt; deze "klihan gedé" is tevens pamangkoe van de poera Moendi. De besprekingen zijn van hetzelfde karakter als die op de sangkepan's in de reeds behandelde tempels. Voor het schoonhouden van het tempelterrein dragen de klihan's zelf tijdens iedere sangkepan zorg; slechts wanneer odalan zal worden gehouden, roepen zij de bandjarleden op en deelen hen de van de klihan gedé ontvangen bevelen mede. De odalan heeft plaats op boeda-manis doekoet, doch wordt afwisselend met grooten luister en op meer bescheiden wijze (ngatoerang tjitjipan) gevierd.

Merkwaardig is dat de poera Moendi naar het Zuiden staat georiënteerd; in overeenstemming hiermede is de djeroan ten Westen van den voorhof gelegen (zie afb. VI). Als reden hiervoor geeft de bevolking op dat vanuit het overgroote deel van de perbekelan, de tempel, die op de Westelijke top van het middengebergte ligt, langs een naar het Zuiden oploopende helling wordt bereikt; hierom is de Zuidelijke richting ten opzichte van de poera Moendi de hoogste. Op het tempelterrein valt de sanggaran door omvang op; in de pamarekan bevinden zich eenige steenen beeldjes (pretima) die een rol spelen bij de ceremoniën voor het verwekken van regen, waarbij zij, onder het uitspreken van een bede om het hemelwater te doen neerdalen, met water worden begoten.

Eenige balé's (pasotjèn, plaatsen voor de "soetji" offeranden) zijn door bepaalde dorpen uitverkoren (ngempon) ten behoeve van het noenans tirta (wijwater halen) ter gelegenheid van huiselijke feesten; dit "ngempon" bepaalt zich hiertoe dat, wanneer bijvoorbeeld voor matatah (tandenvijlen) wijwater in de poera Moendi zal worden gevraagd, slechts aan één bepaalden godenzetel offers worden aangeboden (matoeran) en niet aan alle palinggih's, zooals dat het geval is, wanneer een feest de geheele vereeringsgroep (de perbekelan) aangaat. Overigens is géén dezer balé's uitsluitend bezit van één enkel dorp; het onderhoud van den tempel wordt door de geheele perbekelan gelijkelijk gedragen terwijl tijdens de odalan door ieder bij elke palinggih devotie wordt verricht (mebakti).

Ook de bandjar Tjoebang, die thans onder Sakti ressorteert, haalt te Moendi wijwater; dit komt omdat Tjoebang voorheen tot de perbekelan Kloempoe heeft toebehoord. In de djeroan bevindt zich nog een pesimpangan voor de batara's van de poera Batoe Medaoe; een soortgelijke pasimpangan voor de poera Pèd ontbreekt en is ook niet noodig, omdat de perbekelan tot de afdeeling daoeh bantas behoort en dus op gezette tijden te Pèd zelf komt mebakti.

D. De Poera Pèd

Op de boeda-wagé, houden de perbekels sangkepan te Pèd; meestal woont een klihan satoes uit naam van den perbekel de besprekingen bij; wanneer echter de dag van de odalan (boeda-wagé klaoe) nadert, verschijnt de perbekel aan wien bij giliran de organisatie van de poedjawali is opgedragen, in persoon, vergezeld van zijn klihan's satoes en sèket. Ook de poera Pèd beschikt over fondsen die in hoofdzaak van boeten bij hanengevechten afkomstig zijn (danda kletjan; naoeng).

Samenvatting

Talrijk zijn de verbindingen waardoor de laagste adatrechtelijke organisaties, de bandjar's, op Noesa, in wijder samenhang worden bijeengebracht. Echter bieden de meer of minder ruime verbanden slechts zelden meer dan één enkel punt van aanraking.

In sommige gevallen waarin de woongemeenschappen hetzij door oorzaken van genealogischen dan wel van geographischen aard, in meerdere bandjarvereenigingen zijn verdeeld, belijden de bandjar's hunne samenhang in de samenwerking bij de heffing der patoes en in de tempelvereering. Doch, eene al deze facetten der eenheid omvattende organisatie ontbreekt; de eenheid der bandjar's onderling is een meervoudige eenheid: als overkapping van het bandjarwezen komt een alles omvattende dorpsorganisatie niet voor. Een gemeenschappelijk dorpsbestuur ontbreekt en slechts voor telkens in zich zelf scherp omlijnde doelstellingen, vindt de eenheid haar belichaming in bepaalde, als leiders optredende personen.

Merkwaardig genoeg is een feitelijk buiten de adatrechtelijke verbanden vallende groepeering, de perbekelan, de organisatie die als eenheid nog de meest veelzijdige werkzaamheid ontplooit. Als eenheid treedt de perbekelan op bij de vertegenwoordiging in de seka goeloengan en bij de vereering der beide rijkstempels; sommige perbekelans vormen ook in zich zelf één vereeringsgroep; de "bandjar" [heeft] zich op Noesa in de bandjarvereeniging volkomen [heeft = hier waarschijnlijk foutief geplaatst] gehandhaafd, de uranische gemeenschap echter: de "desa", is slechts ten deele en dan nog geheel versnipperd terug te vinden in sommige tempelvereenigingen en vereeringsverbanden, benevens in het instituut der pamangkoe's.

Source

  • Grader, C.J. – Dorpsbestuur en Tempelbeheer op Noesa Penida, in: DJÅWÅ, Tijdschrift van het Java-Instituut, onder redactie van R.A. Prof.Dr. Hoesein Djajadiningrat, J.Kats, S.Koperberg en M.Soeriadiradja, Redactie-Secretaris: Dr.Th.P.Galestein, Zeventiende jaargang, Java-Instituut, Jogjåkartå, (Java), N.O.I., 1937, p.372-393

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman www.godidijkman.nl social facebook box white 24