Bandieteneiland (Helbig, 1939)

Noesa Penida, het "Bandieten-eiland" door Karl Helbig (1939)

This article is a rendering of the travels of German archaeologist Karl Helbig on Nusa Penida in 1938 and 1939 combined. The texts of these articles varies only in the detail, and variations are indicated. Helbig published an article in d'Oriënt and Tropisch Nederland, in 1938 and 1939 respectively. The images provided in this article are from both magazines, as indicated. Please, refer to sources below. An English translation is available here. Happy reading!

helbig-dorient-1938-juni-01-coverhelbig-dorient-1938-juni-02Helbig-1939-cover01

Images above: Magazine cover "d'Oriënt", June 4th, 1938; right: "Tropisch Nederlands", 1939

Het is eigenlijk verwonderlijk, dat het eiland Penida zoo zelden door vreemdelingen wordt bezocht, terwijl het vlak bij Bali, het toeristenland bij uitnemendheid, gelegen is. Men kan in de beroemde tempeldistricten in het Oosten en Zuidoosten van Bali haast geen weg berijden, vanwaar men Penida niet ziet liggen.

Als een tafel met scherpe, steile randen rijst het op uit de matblauwe wateren van den Indischen Oceaan op de plek, waar deze versmalt tot de Straat van Lombok. In doorsnede 20 en van de verst vooruitspringende kaap van Bali bij Koesambe zelfs slechts een goede 12 km van Bali verwijderd, ligt het als het ware voor het grijpen; hierdoor kwam het, dat de gedachte aan het eiland mij op mijn tochten door Bali niet met rust liet.

helbig-dorient-1938-juni-11Bovendien hadden enkele landgenooten, ongeveer de eenigen, die het eiland uit artistieke en folkloristische belangstelling wat nader bekeken hadden, mij reeds enkele eigenaardigheden verteld en dus keek ik uit naar de eerste de beste gelegenheid om over te steken. Dit is weliswaar niet mogelijk per stoom- of motorboot, doch men is aangewezen - des te romantischer natuurlijk - op een prauw of "Djoekoeng", de avontuurlijke kano's, die aan de Indische wateren hun karakter verleenen. Van Koesambe, een Mohammedaansche nederzetting, levende van visscherij en zoutwinning, zou de tocht beginnen.

Toen ik op een middag met mijn reisgezel in het dorp aankwam, wachtte ons allereerst een teleurstelling. Ik had gehoopt, nog dezelfden dag over te kunnen steken, om den volgenden ochtend in alle vroegte den op vier dagen berekenden zwerftocht over het eiland te kunnen beginnen. Doch de wind was ongunstig en er dreigde een hevige passaat. Het was in December, een maan, die de Zuidkust van Bali dikwijls geheel onverwachts zeer zware buien en geweldige regenvloeden brengen kan.

helbig-dorient-1938-juni-14

Image left: Typical semi-conical hills of the coral karst terrain with corn plantations in the somewhat more humid valleys of Nusa Penida (Helbig, 1939)

Naar de meening der visschers, die uit ervaring spraken, zou het beste zijn om eerst kort na middernacht op te breken en dan tegen daglicht Penida te bereiken.

Enfin, een nachtelijke tocht was niet te versmaden, tijdverlies zou op deze manier ook niet ontstaan en dus sprak ik met twee donkere kerels tijd en prijs af. Voor twee gulden wilden zij ons naar de op halve kustlengte gelegen hoofdplaats Sampalan brengen en voor denzelfden belachelijken prijs zouden zij ons vier dagen later weer afhalen in Toja Pakeh, het plaatsje, dat het dichtst bij Koesambe gelegen is. Bij den "burgemeester" van Koesambe, die tegelijkertijd een kleine lunchroom hield, vonden wij voorloopig onderdak en na een gastvrij aangeboden maaltijd ook nog een paar uren slaap.

helbig-dorient-1938-juni-03

Image right: The steep cliffs of Nusa Penida - see article on page 11.

Tegen één uur kwam een onzer visschers ons halen. De volle maan stond groot en helder boven de palmen, het lichte strand en de zee. Inktzwart stak het silhouet van Penida af tegen den lichten hemel. Op het strand was het levendig. Een heele vloot visschersbooten maakte zich klaar voor de uitreis. Vlug werd onze schaarsche bagage in de djoekoeng gebracht en wij namen plaats op een bamboebankje achter den mast. Een dozijn en meer helpende handen grepen de boot, duwden uit alle macht en met geroutineerde zekerheid werd de boot over het resteerende stuk strand en door de hoog opbruisende branding geschoven. Op het laatste oogenblik sprongen onze beide zeerovers handig in het vaartuigje en enkele minuten later gleden wij met zachtjes zwellende zeilen in rustige vaart ons doel tegemoet.

Er was net genoeg plaats voor ieder om een half zittende, half liggende houding aan te kunnen nemen. Maan, vermoeidheid en nachtwind, de zacht golvende zee en het bewustzijn, in een echt Zuidzeevaartuig te liggen, schiepen tezamen een unieke stemming, zooals ons cultuurmenschen door het lot slechts zelden beschoren wordt. Doch een meedogenlooze ontnuchtering bleef ons niet gespaard. Tegen vier uur 's morgens slokten pikzwarte wolken de maan op, een harde wind stak op, wierp het kleine vaartuig op en neer door de golven en een ijskoude regen doorweekte ons tot op de huid, daar geen enkele beschutting hiertegen aanwezig was. Met klapperende tanden wachtten wij vol verlangen de aankomst af en toen de spookachtig aandoende fakkels der strandvisschers van Penida eindelijk heel dichtbij waren, hadden wij het gevoel, niet vier, doch minstens veertig uren onderweg te zijn geweest.

Van alle kanten werden wij, toen wij aan wal stapten voor Sampalan, door nieuwsgierige oogen aangestaard. Men ontvangt hier zelden blank bezoek en dan bestaat dit meestal nog alleen uit ambtenaren. Onze eerste tocht gold den hoogsten vertegenwoordiger van het gezag, hier een Balinees van hoogen stand. In het eenige, eenigszins aan onze toestanden herinnerde huis, dat men op dit eiland heeft, heerscht hij over 33.000 inwoners. Behalve de weinige Mohammedaanse Maleiers in ons einddoel Toja Pakeh blijft hij ook de eenige, met wien men zich in het Maleisch kan onderhouden. Zelfs de meeste dorpshoofden, met wie wij later te maken hadden, beheerschten nauwelijks een dozijn woorden van deze voertaal van den Archipel. Alles, wat hier woont, is van Balineesche afkomst en wel van een bijzondere soort. De vorsten van Kloengkoeng, het voornaamste rijk van Zuid-Bali, hebben langen tijd, tot aan hun val in het begin dezer eeuw, Penida als verbanningsoord voor ongehoorzame onderdanen gebruikt.

helbig-tropisch-nederland-1939-332helbig-tropisch-nederland-1939-333

Images above: Malay natives on Nusa Penida at the Demang's office; Malay woman of Nusa Penida at her loom (Helbig, 1939)

Het zijn echter beslist niet altijd bepaald misdadigers geweest, die hierheen verbannen werden, doch ook vele schuldenaren, die niet aan hun verplichtingen konden voldoen, politieke intriganten en slachtoffers van vrouwen-perkara's. Alleen reeds uit dit feit, dat de tegenwoordige bevolking dit, van nature behoeftige, land tot in den hoogst mogelijken graad heeft gecultiveerd, blijkt, dat de kern dezer bevolking onmogelijk uit slecht en onbruikbaar menschenmateriaal kan hebben bestaan. Toch wordt het eiland nog veelal het "Bandieteneiland" genoemd, een benaming, welke wij op oude kaarten terugvinden als Noesa Pandita (Pastooreneiland), hetgeen waarschijnlijk een verbastering is van Penida, een woord, dat waarschijnlijk "slechte kalk" beteekent, dus voor het kalkeiland wel geschikt is.

helbig-dorient-1938-juni-12helbig-dorient-1938-juni-11a

Images above: The shadow of Gunung Agung on Bali; The proa, which will take us to Nusa Penida, is prepared for the journey (Helbig, 1938)

Met behulp van den ambtenaar lukt het, een ouden boer met een waarlijk Odysseesche schaapherdersgestalte als drager te krijgen. Eén man is nauwelijks genoeg, om onze weinige bagage te dragen, maar ondanks alle moeite om een tweeden drager te krijgen, stuiten deze pogingen af op de weigerende houding der bevolking.

Zoo arm als zij is en hoe graag zij ook een paar centen verdienen zou, toch kan zij niet besluiten tot ongewonen arbeid in vreemden dienst over te gaan. Dat zij inderdaad niet over veel aardsche goederen beschikt, blijkt uit het feit dat, behalve kleine koperen munten, het hoofdbetaalmiddel nog de oeroude, doorboorde Chineesche kèpèng is ter waarde van één zevenden cent! Drie kèpèng b.v. wordt gewoonlijk betaald voor een klein bamboebekertje vol scherp gepeperden palmwijn, overigens den eenigen drank, die buiten brak grond- en smakeloos regenwater op het eiland bekend schijnt te zijn.

helbig-dorient-1938-juni-12ahelbig-dorient-1938-juni-13helbig-dorient-1938-juni-12b

Images above: On the beach at Kusamba; all buildings on Nusa Penida are made of coral rock; saltpans along the coast (Helbig, 1938)

Penida is zoo behoeftig als wel nauwelijks een tweede eiland in den over het algemeen zoo rijk gezegende Archipel. Van nature een uit het water opgeheven kalkblok, is het met alle nadeelen van een tropisch kalkeiland bedeeld: een schralen, aan mineralen armen bodem, spaarzamen plantengroei, weinig dieren en voor alles: watergebrek. Wel valt er veel regen - wij zelf konden hier ook nog een halven dag lang van genieten - maar het poreuze gesteente neemt het regenwater direct op en voert het langs onderaardsche wegen af en in de weer snel uitdrogende dalen.

helbig-dorient-1938-juni-13ahelbig-tropisch-nederland-1939-346helbig-tropisch-nederland-1939-346b

Images above: Pura Batu Medau, the most sacred temple of Nusa Penida; entrance to a Hindu temple on Penida; Hindu offering shrine in a temple court on Penida (Helbig, 1938/9)

Op onzen geheelen tocht zagen wij, zelfs niettegenstaande genoemden regen, geen enkelen druppel stroomend water! Dat bemoeilijkt het reizen. Daar bosch volkomen ontbreekt - een klein heilig boschje in het midden van het eiland kan men nauwelijks zoo noemen - kan echter de wind van alle kanten vrij over het eiland waaien en daar dit op zijn hoogste gedeelte 500 meter hoog is, is het wandelen ondanks het watergebrek, den heeten, steenachtigen bodem, de plotselinge stilten en de gloeiende zon best uit te houden. De huid is na eenige uren donkerrood verbrand en de neus verwisselt evenveel malen van vel, als wij dagen reizen.

Geen bosch, geen hout, alleen steen. Dan wordt het vanzelf duidelijk, dat de bevolking alleen "steencultuur" kent. Huizen, dorpsmuren en toegangspoorten, tempels (behalve eenige hooge pagoden uit planken en gras), godentronen en beelden, alles is uit de weeke koraalkalk, het eenige op dit eiland voorkomende gesteente, tezamen gevoegd of uitgehouwen. Meer nog dan voor alle woningen en cultuurbouwsels heeft men den steen noodig voor den aanleg van velden. Afgezien van een smalle strook vlak land in het Noordwesten, die in een grooten klappertuin veranderd werd, bestaat het geheele eiland uit dalen en hellingen, met de voor tropische kalk zoo karakteristieke halfronde toppen.

helbig-dorient-1938-juni-14ahelbig-tropisch-nederland-1939-344

Images above: A water reservoir at Tanglad on the Nusa Penida plain, built by the Dutch Colonial govenment; A typical mountain village of the island. The inhabitants are helpful and hospitable, though despite their poverty, they are too independent to work for money (Helbig, 1938).

Zoo is uitsluitend terrassencultuur mogelijk en de vele duizenden trappen, waarin men de oppervlakte verdeeld heeft, worden alle stuk voor stuk door kalksteenmuren gesteund. Bij den aanblik van dezen moeizamen arbeid kan men werkelijk niet anders dan respect voor den vlijt en zorgzaamheid van de bevolking gevoelen. Nog grooter wordt deze achting, wanneer men deze terrassen van dichtbij beschouwt. Geen steentje, geen halmpje onkruid tusschen het gewas te ontdekken.

Een tuinman kan zijn bedden niet met meer liefde verzorgen. Waar wij ook kwamen, overal zagen wij de boeren met hun heele gezin aan het wieden, hakken, en schoonmaken. Men heeft weinig rijst op het eiland, alleen in de vochtigste deelen van de dalen en in de aardtrechters kan zij gedijen. Van een kunstmatige bevloeiing kan natuurlijk geen sprake zijn, waar noch stroomend water, noch rijke bronnen aanwezig zijn. Maïs is het hoofdgewas en het hoofdvoedingsmiddel. Daarnaast is er eenig vee, want gras is er genoeg en levend vee is dan ook het voornaamste uitvoerproduct naar het dichtbevolkte Bali. Menigmaal kwam de gedachte aan Alpenweiden bij mij op, als wij op de hoogvlakte bonte runderkudden voorbijkwamen. De vele stekelige cactusplanten en doornstruiken, die overal groeien, passen echter vanzelfsprekend niet in deze vergelijking.

Van de gloeiend heete Noordkust af, waar de bevolking evenals aan het tegenoverliggende strand van Bali op zeer primitieve wijze in platte schalen, aarden filters en gespleten palmstammen in den vorm van troggen, zeezout wint, stegen wij reeds den eersten dag langs zeer moeilijk begaanbare wegen naar de hoogvlakte. Zonder een paar keeren te rusten in de spaarzame schaduw van knorrige acacia's brachten wij het er niet af.

Onze oude drager verdween dan iederen keer, om kort daarop terug te komen met eenige verfrisschende Djuwatvruchten, een soort tussending tusschen sleedoorn en pruim. Zij groeien aan kleine, kromme boomen tusschen de terrassen en zijn zoo ongeveer het eenige, wat men aan vruchten te zien krijgt op penida en dan natuurlijk ook nog maar alleen in een bepaald jaargetijde.

Krijschende, witte kakatoe's boven ons hoofd hielden ons aangenaam bezig tijdens de rustpauzen. Er zijn zeer veel van deze beesten op Penida, terwijl zij vreemd genoeg op Bali geheel ontbreken. Natuurlijk heeft dat ook zijn oorzaak: vroeger kwamen zij ook op Bali voor, doch wegens hun twistziek en diefachtig gedrag werden zij, net als de menschen, als ongewenste onderdanen naar Penida gestuurd. Zoo vertellen de menschen op Penida het.

Boven, in de dikwijls zeer groote dorpen, vinden wij dan eindelijk ook weer water. Het brakke water beneden aan de kust had den dorst niet kunnen stillen. Ieder huis vangt het regenwater op in aarden tonnen, die door gebrek aan bruikbaar materiaal van Bali moeten worden ingevoerd. Buitendien zijn op initiatief en met ondersteuning van de bestuursambtenaren in bijna ieder groot dorp regenvangers gebouwd. Het zijn in een hoek loodrecht op elkaar opgestelde borden van gegolfd plaatijzer, omgekeerd als een dak, met een afvoergoot, die naar een bak loopt. Een geweldig slot op het deksel hiervan, waarvan de sleutel alleen bij het dorpshoofd te krijgen is, bewijst, dat water hier tot de meest begeerde en zorgvuldigst beschutte materiën behoort. Bovendien heeft men in een of anderen bijzonder waterarme streek een paar groote betonnen tanks van duizend en meer kubieken meter inhoud gebouwd. Maar zelfs in de regenmaand December bevatten deze slechts enkele centimeters water, dat bovendien nog allesbehalve schoon was, zooals wij bij het baden onder een der aftapkranen konden vaststellen.

helbig-tropisch-nederland-1939 347bhelbig-tropisch-nederland 1939 347

Images above: Seat of the gods in a Hindu temple on Penida.; Monument in a Hindu temple fore-court on Penida (Helbig, 1939)

Overal waar wij kwamen, baarden wij groot opzien. Vrouwen en kinderen verborgen zich meestal zoo snel mogelijk, of renden met lange passen weg, hetgeen mogelijk werd gemaakt door de lange splitten in haar sarongs. De vrouwen weven en verven zelf; zij verstaan de kunst uit planten roode, blauwe en gele verfstoffen te winnen. Zoodra wij echter in een dorp binnenkwamen en ons, zooals het de gewoonte is, hadden nedergezet op de verzamelplaats van den tempel en ons zoo goed en kwaad het ging, ingericht hadden voor het doorbrengen van den nacht, verscheen groot en klein aan den tuinmuur om met diepe aandacht ieder van onze bewegingen en handelingen te volgen. Wanneer zij echter maar een enkelen stap in den richting van den muur deden, verdwenen direct alle hoofden of zij met een sabel waren afgehouwen, tot zij, na eenige oogenblikken muisstil verborgen te zijn geweest, weer als aan een touwtje getrokken, opdoken. Begrijpelijk, dat wij er een soort van sport van maakten, om dit grappige gedrag uit te lokken. Daar wij geen conserven, veldbedden, bedienden, koks en meer van dergelijke cultuurkwalen bij ons hadden, waren wij in zeker opzicht afhankelijk van de gastvrijheid van de bevolking, waarin wij niet teleurgesteld werden.

De tempeltuinen werden ons zonder meer ter beschikking gesteld, evenals matten om op te slapen e.d. en een pan vol maïsbrei gemengd met cassaveknollen werd op mijn verzoek steeds met de grootste bereidwilligheid voor ons gekookt. Het speet mij alleen, dat ik zoo weinig met de menschen kon praten, doch ik beheersch helaas de Balineesche taal niet.

helbig-tropisch-nederland-1939-345ahelbig-tropisch-nederland-1939-345

Images above: offering place for a certain god in a Hindu Temple on Penida; Karst hill slope turned into terraced agricultural land, Penida (Helbig, 1939)

Het was een mooie tocht. Het uitzicht van de openliggende hoogvlakte was steeds prachtig. Op Bali staat, in blauwe scherpe lijnen, of omspoeld door wolken, de geweldige Agoeng, die ook voor de Penida-bewoners de heilige godenberg is. Verder Oostelijk ligt de aan rotsen en bochten rijke kust van Lombok. Iets meer sluiers gehuld verrijst daar de nog hogere Rindjani en helemaal Westelijk vermoedt men nu en dan de uiterste vulkaankegels van Oost-Java. Onmiddellijk voor de Westkust van het eiland, slechts door smalle zeestraten gescheiden, liggen twee kleinere eilanden: Tjeningan en Lembongan, vlakker, heeter en moerassiger dan Moeder Penida. Want natuurlijk zijn het haar kinderen. Van Tjeningan wordt ook verteld, dat het uit een omgeslagen prauw is ontstaan. Een man zou van Java naar Bali zijn gezeild; op den terugweg stond hem de berg Agung in den weg, waar hij met volle kracht tegenaan voer, om hem te doorsplijten; doch bij deze poging sloeg zijn scheepje om. Dat is nu Tjeningan.

helbig-dorient-1938-juni-16aImage right: steep cliffs on the south coast of Nusa Penida (Helbig, 1938)

Op een morgen staan wij ook aan de Zuidkust. Een "Rügen" kan geen overweldigender indruk maken. Beneden is het water zoo helder, dat men tot op grooten afstand nog de bodem kan zien. Doch aan den voet van den uitgevreten rotswand breekt het water woelend en razend in een wilde branding. Ik sta stil en kijk naar beneden. Waar zag ik ooit, in den geheelen Archipel, een dergelijke grootsche en woeste schoonheid? De beroemde Zuidkust van Java kan er niet mee wedijveren. Er zullen reeds vele vreemdelingen gestaan hebben zooals ik en met ontroering en bewondering een paar oogenblikken in het verheven boek der natuur gelezen hebben, zoo denk ik en vraag aan het dorpshoofd van de dichtstbijzijnde nederzetting, die ons hierheen bracht, of er wel werkelijk reeds veel bezoekers zijn geweest.

"O ja!" antwoordt hij. "Er zijn hier al heel veel blanken geweest!" Maar ik wilde het nauwkeuriger weten: "Heel veel? Waren het er wel tien of twintig?" "Wel neen!" antwoordt hij, haast verontwaardigd. "Tot nu toe waren het er vier, voor zoover ik mij kan herinneren!" Het zouden er wel duizenden mogen zijn, dacht ik, maar wellicht is het toch beter, dat dit mooie stukje natuur nog niet in het toeristenverkeer is opgenomen en een zeldzaam genot blijft voor de weinigen, die zich de moeite getroosten het te zoeken.

Source

  • Helbig, Karl – Noesa Penida. – d'Orient, 1938, no.23 (4 Juni 1938): p.11-16: illustrations
  • Helbig, Karl – Noesa Penida, Het “Bandieteneiland”, in Tropisch Nederland, Veertiendaags Tijdschrift ter Verbreiding van Kennis omtrent Nederlandsch Oost- en West-Indië. Onder redactie van Prof.Dr. A.W.Nieuwenhuis, Dr.Z.Kamerling, S.A.Reitsma, Prof.Dr.B.G.Escher en C.K.Kesler, Uitg.J.H.de Bussy, Amsterdam, Xie jaargang afl.21 (6 februari 1939), p.329-333, & afl.22 (20 Februari 1939) p.343-347; illustrations

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman http://guidomansdijk-talen.nlsocial facebook box white 24