Goesti Pandji Sakti (De Kat Angelino, 1925)

Below is a rendering of a Dutch article 'Goesti Pandji Sakti'. To enhance readability and for purposes of research, the following adaptations have been made: modern Balinese, Dutch & Indonesian spelling, grammar & punctuation; as a rule, this also goes for geographical names, except when there is uncertainty regarding spelling.

[p.326] Toen ik in 1918 in de desa Pandji (Buleleng) belastingaanslag hield, vroeg het districtshoofd na de zitting, of hij mij het huisje mocht tonen, waarin, in lang vervlogen tijden, zijn voorvader Pandji Sakti had geleefd. 

katangelino25 huisje pandi sakti

foto: afbeelding: Huisje Pandji Sakti, te Pandji.

Midden in het dorp, nabij de prachtig gebeeldhouwde tempel, staat op een grasveld, verscholen achter enige woonerven, een vrij onaanzienlijk hutje: een smal deurtje, van snijwerk voorzien, doch bijna verteerd door de tand des tijds, geeft toegang tot deze nederige stulp. 

Tegenover de deur bevindt zich een kubusvormige, van rode baksteen gemetselde tafel, van ongeveer gelijke vorm en grootte, als onlangs gevonden in de grootste cel van het klooster aan de Pekrisan [Pakerisan] in Gianyar. In het huisje staat voorts rechts van de ingang een zeer vergane balé-balé. 

Ter linkerzijde ontwaarde ik een hogere balé-balé, een soort offertafel, waarop vaatwerk van Chinees porselein en aardewerk, enige offerschalen en wierookpotjes. Schuin in de hoek stonden oude lansen en versleten payungs; ziet daar het ganse meubilair van het huisje, waarin een Pandji Sakti, de veel bezongen held zou gewoond hebben, temidden van de familie van zijn moeder Ni Luh Pasek Pandji, nadat deze met haar zoon uit Klungkung aldaar was teruggekeerd. 

Het hutje wordt onderhouden door de familie van het oude punggawa-geslacht van Buleleng, thans nog vertegenwoordigd door I Goesti Putu Djlantik, laatstelijk lid van de raad van Kerta's te Singaraja. 

Van hem ontving ik ook een geschriftje getiteld: Babad I Gusti Ngurah Pandji Sakti ring Buleleng.

Hieronder volgt de vertaling van die Balinese babad.

Nadat Sri Beda Ulu, vorst van Bali, gestorven was, gevallen in de strijd met de krijgstroepen van Sri Kalagemet, vorst van Majapahit, heerste een grote leegte en stilte in het land van Bali. Groot was toen de droefheid van patih Gaja Mada, ziende hoe de oude instellingen des rijks waren verwoest. 

Er was een priester van dezelfde godsdienst als patih Gaja Mada, genaamd Danghyang Kapakisan, zetelende in Majapahit, die vier kinderen had, onder wie één meisje. 

Door patih Gaja Mada werden deze tot waardigheid van vorst verheven en wel de oudste tot vorst van Blangbangan, de op hem volgende tot vorst van Pasuruan, en de jongste tot Ratu van Bali, onder de naam van Dalem Kresna Kapakisan, ook wel genoemd Dalem Wau Rau, die een paleis had in Samplangan. (n)

Note: Samplangan, gelegen op de grens van Klungkung, wordt ook genoemd in de Kidung Pamençangah; zie v d. Tuuk, Woordenboek onder Samplang.

De Edelen, die hem volgden vanuit Java naar Bali, waren: Sri Kapakisan in de waardigheid van patih, en voorts de punggawa's: Arya Kanuruhan, Arya Wang Bang, Arya Kenceng, Arya Dalancang, Arya Belog, Arya Pangalasan, Arya Manguri en Arya Kuta Waringin; en ook nog enige Wesya’s, namelijk drie broeders genaamd: Tan Kober, Tan Kahur en Tan Mundur. (n) 

Note: De namen Tan Mundur en Tan Kahur vermeldt ook Van Eck in: Schetsen van het eiland Bali VII, 2de gedeelte p.114 in het Tijdschrift van Ned.-Indië (1880), die hen rekent tot het geslacht der prabali's in Gianyar (Karangasem). Van der Tuuk noemt de namen Tan Kober, Tan Kahur en Tan Mundur, ook zonder nadere uitleg te geven. 

Dalem Kresna Kapakisan kreeg drie zoons en een dochter. De oudste zoon heette Dalem Samprangan, zeer onwillig 

[p.327] en lui; op hem volgde Dalem Tarukan, die idioot was, terwijl hun zuster met een paard huwde en de jongste, Dalem Ktut, zijn vader opvolgde, en als vorst zijn zetel verplaatste naar het ten zuiden van Klungkung gelegen Gelgel. (n) 

note: Die Dalems zouden van origine Brahmanen geweest zijn, afgedaald tot Ksatriya’s, omdat een Brahmaan geen anak agung mocht zijn; de arya’s zouden ksatriya’s tulen geweest zijn, die op Bali afdaalden tot de waisya-stand. In de Pamençangah Ngurah Sidemen van Van Bloemen Waanders (T. Bat. Jan. III - 1859) vinden we ook meegedeeld, dat de Balinese edelen eigenlijk Brahmanen zouden geweest zijn.

Dalem Ktut werd opgevolgd door zijn zoon Dalem Batu Renggong en deze weer door zijn zoon Dalem Sagening. (n)

note: Over de Dalems van Samplangan Renggong en Sagening vgl. Van der Tuuk, citaat bij ‘weganing’' en ook Usana Bali van Friedrich p.266. Volgens Van Eck is Seganing het tegenwoordig Blahbatu nabij Gianyar.

Deze Dalem Sagening had vele kinderen; uit hem zijn door dat grote aantal kinderen de vele Ksatriya's, die nog op Bali zijn, voortgekomen. 

Nu was er een vrouw, genaamd Ni Luh Pasek Pandji, afkomstig uit de desa Panji, een dorp gelegen aan de overzijde der bergen, in het toenmalige Den Bukit, tegenwoordig Buleleng geheten. Deze vrouw diende in het paleis van Dalem Sagening. Op zekere dag gebeurde het, dat de vorst bij toeval in de urine van Ni Luh Pasek Pandji trad; op hem maakte die urine de indruk van buitengewoon warm te zijn. 

De vorst gaf als zijn oordeel te kennen, dat die slavin een buitengewone vrouw (anak utama) moest zijn: om die reden besliep hij haar, en nam hij haar als vrouw. 

Gehuwd zijnde werd zij zwanger; toen haar tijd tot de helft gevorderd was en de vrucht van haar schoot groter werd, schonk dalem Sagening haar weg aan Ki Goesti Ngoerah Djlantik van de desa Djlantik (Klungkung), die een afstammeling was van de hierboven genoemde edele Sri Kapakisan; de opdracht van de vorst luidde, dat hij geen gemeenschap mocht hebben met de vrucht van Ni Luh Pasek Pandji en voorts, dat Ki Gusti Ngurah Djlantik het kind als het zijne zou aannemen en zou leren lief hebben, opdat het als bloedverwant zou opgroeien naast diens eigen zoon Ki Gusti Ngurah Djlantik Jambangan, die reeds een volwassen knaap was (teruna duhur). Ki Goesti Ngoerah Djlantik week niet af van het gegeven bevel. 

Van die tijd af woonde Ni Luh Pasek Pandji in de puri Djlantik, waar zij het leven schonk aan een knaapje, bij wie al bij de geboorte vuur uit de kruin kwam, wat wees op het feit, dat hij eenmaal ‘sakti’ zou wezen. 

Ki Goesti Ngurah Djlantik was buitengewoon verheugd over deze tekenen, waarvan hij ten spoedigste bericht gaf aan dalem Seganing. 

Ook deze was niet weinig verheugd over die heugelijke tijding, waarom hij een groot feest liet houden, waarbij vele offeranden werden klaargezet, terwijl het knaapje de naam kreeg van Ki Barak Pandji. (n) 

note: Barak, wat eigenlijk ‘rood’ betekent, zou wellicht aan de knaap als naam gegeven zijn, zolang hij nog erg Jong, een zuigeling, of de spruit van iemand was; zie Van der Tuuk bij ‘barak’. Op latere leeftijd komt die naam ook niet moor voor.

Toen het kind een weinig groter geworden was, ging hij als parekan dienen in de puri Agung van dalem Seganing, waar hij met de zoons van andere punggawa's de lichte pagediensten verrichtte. 

Op zekere dag, toen het reeds tijd was om te gaan slapen, traden dalem Seganing en zijn hoofdvrouw uit hun slaapvertrek en vertoefden in de voorgalerij van hun woning, toen hun aandacht getroffen werd door een lichtstraal, weIke recht uit de kruin van een der parekans, die daar sluimerden, scheen te komen. 

De vorst naderde die plaats; dicht daarbij gekomen verdween de lichtstraal plotseling, doch het lichaam waaruit het licht was voortgekomen kon nog met een vingerveeg sirih-kalk getekend worden, met

[p.328] het doel de volgende ochtend te kunnen nagaan, wie dat licht had voortgebracht. 

Bij onderzoek bleek toen, dat Goesti Pandji het merkteken droeg; om die reden was de vorst hem buitengewoon genegen. De vorst was ten hoogste verbaasd over dat verschijnsel; zijn liefde voor de knaap groeide, hoewel aan de andere kant de vorst in zijn hart toch ook wel enige zorg voelde groeien, daar hij wellicht in de toekomst in macht achter zou staan bij zijn kind en deze zelf wel eens vorst zou kunnen worden. 

Toen Goesti Pandji de leeftijd van vijftien jaren had bereikt, namen de zorg en twijfel van de vorst in hoge mate toe, en niet alleen bij hem maar ook bij Ngoerah Djlantik, waarom zij beiden middelen beraamden om Goesti Pandji kwijt te raken. Zij namen tenslotte het besluit om Ki Goesti Pandji te gelasten terug te keren naar Pandji (Den Bukit), het land van oorsprong van zijn moeder.

Tot geleide werd hem een gevolg van veertig uitgelezen mannen meegegeven; voorts gaf de vorst bevel om hen veertig krissen uit te reiken, die vervolgens ook één voor één aan het gevolg werden overgegeven, waarna wonderlijk genoeg een kris overschoot. 

De krissen werden weer verzameld en geteld, waarna bleek dat er toch maar veertig krissen waren; weer kregen de mannen ieder een kris en weer schoot er aan het einde een over, die een zgn. kris kebo mundarang bleek te zijn en met een cacaran bangbang.

Dit voorval wekte in hoge mate de verbazing van de vorst en van Ngoerah Djlantik op; het gevoel van de vorst was, dat de overblijvende kris aan Ki Goesti Pandji behoorde geschonken te worden, aan welk geschenk hij nog een blaaspijp, van een bajonet voorzien, toevoegde, welk wapen de naam “tunjung tutur" droeg (n).

Note: voor Tunjung tutur geeft Van der Tuuk op: een op een lotus gelijkende plant, die evenwel niet in het water groeit. Ook is het de benaming voor een krisfatsoen (Ramayana 173).

Toen de dag gekomen was, waarop Goesti Pandji met zijn moeder zou vertrekken, nam hij afscheid van de vorst en van Ki Goesti Ngoerah Djlantik, waarop zij vandaar gingen met de kris en het gevolg van veertig man, aangevoerd door twee lieden met name Dé (Gdé) Doempyoeng [Dumpyung]en Dé Kedodot. 

Nu wordt verhaald van de reis van Goesti Pandji, hoe hij trok uit de puri Agung in Gelgel, nog even binnenging in het paleis te Djlantik om in de pamerajan (huistempel) hulde aan de Goden te brengen en zegen voor de verre reis af te smeken.

Vandaar vertrok bij in zuidelijke en westelijke richting, passeerde de desa Samplangan, om nog meer westelijk het rijk Mengwi binnen te trekken en vervolgens in het rijk Tabanan te belanden, waar hij in noordwestelijke richting reizende in rechte lijn aankwam bij het Bratan-meer. Hier hield hij, daar de avond reeds gevallen was, in de open lucht halt om daarna naar Batoe-medjan [Batu Mejan] te gaan, gelegen in het land Dènboekit [Den Bukit], wat zij tegen zonsondergang bereikten. Bij Batu Mejan rustten allen uit om hun ketipat (ketupat) te nuttigen: al etende verslikte de prins zich in zijn ketipat, die hij droog moest gebruiken. 

De Dumpyung gaf daarom bevel om vlug beneden in het dal water te gaan halen, waarop men de speer, die eerst door de aanvoerder gedragen werd, overhandigde aan Ni Loeh [Luh] Pasek Pandji, die de lans met het puntig einde in de grond stootte. 

Door de goedheid van Sang Hyang Widi, die medelijden had met hem die zich verslikte, spoot plots een straal helder fris water uit de aarde tevoorschijn; een hoeveelheid water voldoende om een grote pot te vullen vlood uit de rotsen, zodat allen bun dorst konden lessen. 

Buitengewoon groot was de vreugde van Goesti Pandji, toen hij van dat water gedronken had, waarbij bij zijn ketipat verder kon nuttigen. Na voldoende gegeten en gedronken te hebben spraken zij af, om verder in westelijke richting te trekken.

[p.329] Toen de zon bijna geheel onder de kim verdwenen was, bevond het gezelschap zich nog op weg; beneden zich zagen zij het Buyan-meer liggen; op deze hoogte ontmoetten zij een mens, die eruit zag als een schrikwekkende figuur. Hij noemde zich Pandji Landung, en durfde het best aan, Ki Goesti Pandji vast te grijpen; daarna droeg hij hem op de schouders weg, hem (zoals Pandji Landung opmerkte) uitnodigend om met hem op te stijgen tot de hoogste hoogten, ongeveer tot ter halver hoogte van het uitspansel. (n)

Note: Landung, wat groot, reusachtig betekent, identificeert Van der Tuuk in de naam Panjilandoeng [Panji Landung] met gendruwo [Genderuwo = makhluk gaib/halus, een magisch, onzichtbaar wezen].

Daar verzocht hij Ki Goesti Pandji om naar het Oosten te kijken, waar hij de voet van de gunung Tianyar in Karangasem kon zien, en vervolgens om naar het noorden te zien, waar hij alleen de Wera-zee te zien kreeg, waarop Pandji zijn blikken naar het westen richtte en daar de donkere voet van de gunung Blangbangan [Blambangan] ontwaarde; nu vroeg Goesti Pandji echter nadrukkelijk om hem weer neer te zetten, aangezien hij niet in staat was langer het wenen aan te horen van zijn moeder, die over de grond wentelde en schreeuwde en jammerde, zorg hebbende over haar kind, dat in moeilijkheden gekomen was. 

Goesti Pandji werd neergezet door Panji Landung, die hem nog iets op het hart drukte, zeggende: “Zo uitgestrekt als de zo-even waargenomen landstreek is, zo groot zal het rijk zijn, dat gij, Goesti Pandji, eenmaal als eigendom zult bezitten, te weten het hele land van Den Bukit, met al wat daarin is, zal door u, Goesti Pandji, als Vorst eenmaal beheerst worden.”

Zodra Ki Goesti Pandji de veilige bodem bereikt had, was de gestalte van Panji Landung verdwenen; het gemoed van Pandji's moeder en van al zijn volgelingen was niet weinig opgelucht. Zonder acht te slaan of het nacht of dag was, wandelden zij voort, daar zij in de verte het dorp gezien hadden alwaar zij zouden verblijven. 

Door de hulp van de oppermachtige God konden zij zonder ongelukken en tegenspoed hun reis voleinden; pas de volgende ochtend, toen het eerste morgengloren zichtbaar werd, kwamen zij in de desa Panji, waar zij bun intrek namen in de woning van een familielid van Pandji’s moeder, die zeer verheugd was al haar bloedverwanten terug te zien.

Kort daarop keerden achtendertig volgelingen terug naar Gelgel, terwijl Dé Dumpyung en Dé Kedodot achterbleven, daartoe gedreven door hun verknochtheid aan hun goesti; zij bleven in Panji en volgden hun heer overal. 

Nu zal worden verhaald van de vorst (het hoofd) te Panji; dat was Ki Poengakan [Pungakan] Gendis, wonende in de desa Gendis, waar alle bewoners van genoemd dorp bun onderdanigheid aan hem erkenden.

Op zekere dag ging Ki Pungakan Gendis erop uit om een hanengevecht bij te wonen, dat in een andere desa gehouden werd. Hij begaf zich daarheen op een roodbruin paard (een kuda gendis) vergezeld door een menigte van desa-lieden, terwijl een groot zonnescherm boven zijn hoofd werd gehouden en alle kroonsieraden hem werden nagedragen; hij hield voortdurend recht op het noorden aan, waar de grote weg zich bevond; daar was het, dat Goesti Pandji, die zich een beetje aan het vermeien was in gezelschap van zijn twee volgelingen, die ketela [cassave] zochten op een stuk tegal-grond, het voorbijtrekkende hoofd kon gadeslaan.

Goesti Pandji had als gewoonlijk de kris - het geschenk van de vorst - bij zich en gebruikte dit wapen om de ketela uit de grand te spitten, toen plots een stem uit de hemel klonk, opgevangen door Ki Goesti Pandji, luidende: “He, Barak Pandji, weest gij als kleinkind toch niet zo onverschillig tegenover uw grootvader; het past toch niet om zijn grootvader te gebruiken voor het uitspitten van knolgewassen;

[p.330] laat grootvader zich niet verontrusten over zijn kleinkind, want in het lichaam van uw grootvader zit de opperste paçupati [pasupati], de macht om u namelijk te verheffen tot een vorst met bovennatuurlijke kracht die door zijn ganse rijk zal geliefd worden; draagt daarom van nu af aan beter zorg voor uw grootvader, want er is iemand, die zelf vijandschap voedt; u past het hem te doden; heb maar geen vrees over uw eigen leven, wijs slechts met uw grootvader in zijn richting en wis zal hij moeten sterven." Aldus luidde die stem, welke Ki Goesti Pandji en zijn volgelingen hoorden; van toen al lieten zij het wel na om de kris als speeltuig te gebruiken: deze werd behoorlijk in haar schede gestoken en bewaard. 

Verhaald wordt van Ki Pungakan Gendis, hoe deze zijn weg voortzette, ten einde zich naar het hanengevecht te begeven, nagekeken door Goesti Pandji, wiens hart zeer vertoornd was geworden door de stem van de kris; edoch op dat ogenblik kon hij zijn doel niet ten uitvoer brengen, omdat Ki Pungakan Gendis al veel te ver voor hem uit was, waarom hij liever op diens terugtocht wilde wachten. Nadat de tijd voor de hanengevechten was afgelopen, keerde Z.H. weer naar huis terug, vergezeld van al zijn volgelingen. 

Gekomen bij de plaats, waar Ki Goesti Pandji hen opwachtte, klom de laatste vlug in een Letjé-boom, welke daar aan de kant van de weg stond, om vanuit die boom met zijn kris naar de voorbijgaande Pungakan Gendis te wijzen; deze blies op hetzelfde ogenblik de laatsten adem uit, doch bleef dood op zijn paard zitten, zodat geen van zijn volgelingen bemerkte, wat er geschied was. 

Niet lang daarna kwamen zij aan bij de voorhof van de woning van Ki Pungakan Gendis, waar bleek dat hij gestorven en zijn lichaam reeds geheel stijf was: alleen zijn ogen waren nog open, als bij een levend mens.

Ki Pungakan Gendis had een dochter, I Dewajoe Djoeroeh [I Dewa Ayu Juruh], die bijna de maagdelijke leeftijd had bereikt, en wonderschoon van aangezicht was; ook was er een zoon, die nog te klein was om zijn vader op te volgen en een land te regeren, zodat zijn waardigheid werd waargenomen door Ki Bendesa Gendis, die het rijk van Gendis met Pandji inbegrepen zon besturen. 

Na verloop van tijd gebeurde het eens op een dag, dat een schip uit den vreemde vastliep op het strand bij de Pura Segara Panimbangan. 

De opvarenden riepen de hulp in van Ki Bendesa Gendis, opdat deze de prauw naar buiten zou helpen brengen, waarbij zij de belofte deden om, ingeval dat mocht gelukken, de gehele lading, voor zover die waarde had, bij wijze van beloning aan Ki Bendesa Gendis af te staan. 

Daar deze geweldig veel zin had in die voor hem zo waardevolle goederen, bleek hij terstond genegen te helpen, waarom hij met de nodige spoed de opdracht gaf om het alarmblok (de kulkul) te slaan, teneinde alle werkbare mannen op te roepen; de dienstplichtigen kwamen tezamen met bun gereedschappen, en met touwen om te trekken, waarna allen zich naar het strand begaven voorafgegaan door de Bendesa; daar liepen zij het water in totdat de prauw bereikt werd, waarop de desa-lieden aanvingen te trekken en te sjorren, te duwen en te wrikken, zonder dat echter de prauw ook maar een ietsje van de plaats te krijgen was; hun bleef, na alles geprobeerd te hebben, niets over dan onverrichterzake naar huis terug te keren.

Nadat Ki Goesti Pandji van die prauwgeschiedenis had gehoord, begaf hij zich met zijn beide volgelingen Dé Dumpyung en Dé Kododot op weg; bij het strand gekomen troffen zij daar de juragan aan, die zijn moeite en zorgen nog niet vergeten was en ook hen smeekte om te helpen, waarbij bij ook weer zijn vroeger geuite belofte, omtrent de te verdienen beloning, herhaalde.

[p.331] Hierop deelde Pandji de prauwvoerder mede, dat hij stellig in staat zou zijn om hem te helpen, waarop hij zijn kris uit de schede trok en op datzelfde ogenblik een stem hoorde, zeggende: “Da semang" - (da I Barak semang knèh), wat betekent “Wel I Barak (mijn zoon), wees niet bedrukt van gemoed.'' Met deze woorden wilde de kris de eigenaar bemoedigen, zodat deze zeker kon zijn van zijn succes.

Door nu eenvoudig met de kris tegen het vaartuig te drukken, kwam de prauw vlot, en kon zij nu weer naar buiten en naar dieper water worden gesleept, waar het schip voor anker ging. Getrouw aan zijn belofte bood de juragan daarop al wat de prauw aan lading bevatte, te weten kostelijke lijnwaden, zeldzame borden en andere artikelen, de redder uit de nood aan. Vanaf deze dag begon Pandji zich te verheugen in het bezit van enige rijkdommen en schatten, waarom hij zijn kris de naam gaf van I Semang.

Toen Goesti Pandji de leeftijd van twintig jaren had bereikt, wist hij hoe langer hoe meer de genegenheid der mensen in Gendis te winnen, waarom ze hem ten laatste tot hun heer (Goesti) kozen. 

Gendis verheugde zich sinds dien in een periode van welvaart en rust; hun hoofd nam de titel aan I Goesti Ngoerah Pandji; hij richtte een puri (paleis) op in de desa Pandji, terwijl de desa-tempel van Gendis ook daarheen werd overgebracht; vele inwoners van Gendis verhuisden daarop eveneens naar Pandji. Kort daarop huwde Goesti Ngoerah Pandji met de hiervoor genoemde Dewajoe Djoeroeh [Dewa Ayu Juruh].

De voorspelling van Ki Pandji Landung begon zich ook te verwezenlijken; alle lieden ten oosten van de rivier Banjoemale [Banyu Male?] tot aan de desa Gianyar op de grens van Karangasem onderwierpen zich aan hem en erkenden vrijwillig zonder enige krijg, zijn gezag. 

Ki Goesti Ngoerah Pandji richtte toen een paleis op in het tegenwoordige Sukasada; voorheen was daar een kleine nederzetting, een verzameling van hutjes (kubu's) van lieden uit het nog meer zuidelijk gelegen Sangket; pas na de bouw van een paleis voor Pandji kreeg die plaats de naam Sukasada.

De desa's ten westen van de tukad Banyumale werden nu beoorloogd; zij verloren allen de strijd en boden bun onderwerping aan met uitzondering van een hoofd, genaamd Kyayi Sasangka Adri van de dessa Tebu Salah, die nog een bloedverwant was van Kyayi Cili Ularan, die zich niet wilde onderwerpen, waarop Pandji met zijn mannen tegen hen optrok. 

In deze oorlog verloor Kyayi Sasangka Adri de strijd; hij smeekte om lijfsbehoud, onder de belofte dat zijn afstammelingen zich niet langer zouden durven verstouten tegenover bun Heer. Ngoerah Pandji stond zijn verzoek toe en bevestigde hem als hoofd te Tebu Salah. 

Het gehele rijk Den Bukit was na onder de heerschappij van de jeugdige vorst gekomen, die zich nu noemde Ki Goesti Ngoerah Pandji Sakti. 

Uit zijn huwelijk met I Dewajoe Djoeroeh sproten drie zoons, te weten Ki Goesti Ngurah Pandji, Ki Goesti Ngurah Pandji Made en Ki Goesti Ngurah Panji Bali, terwijl uit een huwelijk met een andere penawing-vrouw nog hun stiefbroeder Ki Gusti Danudresta geboren werd. 

Toen deze zoons volwassen waren, herinnerde Pandji Sakti zich weder de woorden van Pandji Landung, waardoor de wens geboren werd om ten strijde te trekken tegen het rijk van Blambangan op Java.

Voor dit doel zocht hij een twintigtal moedige kerels uit, welke hij overhaalde om als kraaien ten strijde te trekken; toen zij allen in kraaien waren veranderd, vroeg Ki Goesti Ngoerah Pandji Sakti hen een voor een: “Wel kraai, wat zoudt gij nu wel wenschen?" Het antwoord der kraaien was al zeer ongelijk; de een wilde lekker eten, de ander vroeg lekkere dranken; ook waren er 

[p.332] die de voorkeur gaven aan een jong maagdelijn en weer anderen vroegen sieradiën. Al wat zij vroegen werd hun gegeven. 

Hierop nam Ki Goesti Ngoerah Pandji Sakti de gedaante van een kraai aan, waarop zijn soldaten hem vroegen: “Wel kraai, wat begeert gij wel?” De kraai antwoordde: “Het rijk Blambangan", op welke mededeling veel hoerageroep opging uit de toeschouwende menigte. 

Nu werd overgegaan tot regeling van de expeditie naar Java. Weldra hadden zich talrijke lieden verzameld met leeftocht, wapens en jukungs (een soort prauwen), waarna zij afvoeren in westelijke richting naar Candi Gading nabij het strand van Banyuwangi. 

Vandaar uit begon de strijd tegen Blambangan; de Balinese troepen werden aangevallen en bestookt door de lieden van Blambangan, zodat een hete strijd ontbrandde, waarin talrijke doden en gewonden aan beide rijden vielen. Spoedig daarop kwam Pandji Sakti te staan tegenover de vorst van Blambangan; tussen hen begon een tweekamp, die geruime tijd duurde, waarin de vorst van Blambangan tenslotte door de kris I Semang gedood werd.

De bevolking gal zich over, smekende om genade en lijfsbehoud. Van al de hierboven verhaalde gebeurtenissen hoorde ook de Ratu van Solo, die op de hoogte gebracht van de bovennatuurlijke kracht van de Balinese vorst, hem uitnodigde aan zijn hof te verschijnen. Aan deze uitnodiging gaf Pandji Sakti gevolg, om na een kort verblijf en vergezeld van enige olifanten, een geschenk van de vorst van Solo, weer naar Bali terug te keren. waar hij, ondanks de overwinningen en trofeeën, verdrietig aankwam, omdat ook zijn zoon Danudresta in de krijg gevallen was. 

Kort daarna betrok Pandji Sakti een tijdelijke woning op een tegal Belalok ten noorden van Sukasada, waar hij een scheefstaande offerzuil, een ibu lèlèng zag staan, klaarblijkelijk een offerhuisje van mensen, die daar een aanplant hadden gehad van het bekende gras, de belèlèng. Deze grond liet hij geheel gelijk maken en hij liet er een grote desa op bouwen, waaraan hij de naam gaf van Ibuleleng. Hier liet hij ook een groot paleis bouwen, genaamd Singaradja, aangezien zijn bovennatuurlijke kracht gelijk was aan die van een Singa.

Voor de olifanten werd een stal gebouwd te Petak, even ten noorden van de kota, terwijl de bewakers van de olifanten, enige Javanen, een onderdak kregen op een stuk grond weer iets ten noorden daarvan, wat naar hun naam tot heden de Javaansche Wijk of Banjar Jawa genoemd wordt, hoewel daar thans slechts Balinezen gevestigd zijn. 

Na een periode van rust voerde Pandji Sakti een oorlog tegen het rijk Djaranbana (Jembrana), dat de strijd verloor en zich geheel aan hem onderwierp, de vorst hulde brengende. 

Kort daarop deed Pandji Sakti aanzoek om de hand van Ki Goesti Ajoe [Ayu] Rai, een zuster van Ki Goesti Ngurah Made Agung, vorst van Mengwi, welk verzoek evenwel niet werd aangenomen. Dit vertoornde Pandji ten zeerste, zodat hij een oorlog met Mengwi begon met zijn kraaienleger, dat kwam te staan tegenover de troepen Batan Tunjung en Munggu; de eigenschappen van de krijgers waren aan beide kanten gelijk, zodat de strijd onbeslist bleef en daarmee eindigde, dat het verzoek van Pandji werd aangenomen en hem Ki Goesti Ajoe Rai als vrouw werd gegeven. Hierop keerden beiden terug naar Buleleng; het rijk van Blambangan en Jembrana schonk hij aan de vorst van Mengwi.

Daar van de vorst Pandji Sakti gezegd werd, dat hij zo’n buitengewone bovennatuurlijke macht bezat, maakte dit hem dronken en kwam hij in de verleiding maar steeds oorlog te blijven voeren waarom bij op een keer, vergezeld van soldaten en veel wapentuig, de berg 

[p.333] Batukaru beklom. Op de top aanbeland begon bij de Godenhuisjes van de Batara's aldaar te verplaatsen en van bun stutten af te tillen, met geen ander doel dan de toorn van de vorsten in Tabanan tot een dolle woede aan te wakkeren. 

Door de toorn der Goden zelve kwam er al heel gauw een kink in de kabel. In een oogwenk kwamen, men wist zelf niet vanwaar, enige legers van bijen, zo groot wel als gelatiks (rijstvogeltjes), op Pandji Sakti toevliegen. Met al zijn wapentuig wist deze zich daartegen niet te verdedigen, zodat hij weldra genoodzaakt was om zijn legers in de grootste haast weer de wijk naar Buleleng te laten nemen. Vervolgens trok hij nog te velde tegen het rijk van Badung, waarheen hij zeer vele wapenen meenam. Zelf trok bij daarheen gezeten op een van de Javaanse olifanten. 

Aldaar aangekomen op een veld ten noorden van de pura Kastriya, werden de Bulelengse troepen aangevallen door de Badungse legerscharen. Een zeer warme strijd ontbrandde, waarin velen sneuvelden, totdat beide partijen genegen bleken een vergelijk te treffen en de vrede te sluiten. Vandaar dat het terrein van die strijd en het neerleggen der wapenen de naam kreeg van Taen Siat. 

Ongeveer in die zelfde tijd gebeurde het, dat Ki Goesti Ngoerah Djlantik, een verwant van Pandji Sakti wonende te Djlantik-Gelgel, in ongenade was gevallen bij de vorst van Gelgel, omdat deze niet genegen was zijn pusaka-kris, waarin de vorst zo'n groot behagen had, af te staan. Hij was geheel lusteloos geworden door het grote verlangen, om maar voor goed de desa Djlantik te kunnen verlaten en uit de nabijheid van de ontevreden vorst te geraken. 

Pandji Sakti begaf zich toen naar Djlantik en bracht vandaar Ngurah Djlantik over naar de desa Tojan Blahbatuh, in welke plaats toen ten behoeve van de olifanten een hok werd opgericht, en wel ten noordwesten van die desa, welke plaats tot op heden Bangun Liman wordt genoemd.

Nadat aan Pandji Sakti was gebleken, dat Ngurah Djlantik daar naar behoren was gehuisvest, keerde hij vanuit de desa Tojan naar Buleleng terug, waar hij verder bleef resideren in zijn paleis te Sukasada. 

Aldus luidde de babad van Pandji Sakti, zoals I Gusti Putu Djlantik te Singaraja deze voor mij heeft opgeschreven. 

De babad van I Goesti Ngoerah Pandji Sakti komt als zodanig niet voor onder de verzameling handschriften, in het bezit van hogergenoemde Goesti Djlantik, welke verzameling is opgenomen in het tweede kwartaalverslag van de Oudheidkundigen Dienst te Batavia jaar 1921, bijlage L, van de hand van Prof. Krom. 

Ik meen ook om andere redenen te moeten aannemen, dat het verhaal geen afzonderlijk handschrift vormt, maar deel uitmaakt van de presasti (pamencengah) van de familie van die Goesti, die zich rekent tot de afstammelingen van Pandji Sakti. 

Ik liet dit verhaal ook aan de regent van Gianyar lezen; deze, die zelf ook goede lontars bezit, verklaarde mij, dat het verhaal wel vrij goed overeenkwam met een dergelijk verhaal dat hij bezat, maar dat o.a. vergeten was een oorlog, die Pandji had gevoerd met Payangan en Gianyar, in welke strijd de roemruchtige vorst lelijk klop zou hebben gekregen. Tot bewijs van die nederlaag toonde de regent mij in alle ernst een koperen bel, die de gevangengenomen olifant om de hals had gehangen. Later werd in Ubud nog een tweede olifantenbel getoond, die ook al op Goesti Pandji Sakti zon zijn prijs gemaakt. 

Deze feiten versterken mij in de mening, dat de Bulelengse familie de glorie van haar stamvader natuurlijk zoveel mogelijk zal verguld hebben; het bewuste verhaal moet ook veel later zijn opgetekend, dan ten tijde van Pandji's 

[p.334] leven. Vooral de verklaringen van namen als Banjar Djawa, Bangun Lima, Toya Ketipat, Ibuleleng, bewijzen voldoende, dat de auteur van de babad die plaatsnamen te pas (of te onpas) in verband heeft willen brengen met het leven en de daden van de Bulelengse vorst. 

De babad verhaalt ons omtrent de staatkundige toestand in die tijd, dat in Zuid-Bali waren de vorsten van Gelgel en Mengwi en de vorsten (pararatu) van Tabanan, terwijl ook Badung klaarblijkelijk als zelfstandig rijk bestond, gegeven de laatste oorlog tegen Badung. 

Over Gianyar als rijk wordt niet gesproken: misschien stond dat nog onder Klungkung, hoewel de verhuizing van Ngoerah Djlantik vanuit Gelgel naar Blahbatu er ook weer op kon wijzen, dat Blahbatu liggende in het rijk Gianyar niet meer onder de vorst van Gelgel stond. Waarom zou anders Ngurah Djlantik, die het aangezicht van de vorst van Gelgel mijden wilde, hebben kunnen volstaan met een verhuizing naar Blahbatu, dat klaarblijkelijk dan over de grens zal hebben gelegen. 

De pararatu van Tabanan kunnen de heren van Krambitan, Kediri, Penebel, Samsam, Jegu, Tabanan, Timpag en Marga geweest zijn, eigenlijk punggawa’s, die evenwel macht hadden, als waren zij vorsten, en dan ook op Bali in vele rijkjes de gewone figuur waren. 

Ook op Buleleng zou volgens de babad een toestand bestaan hebben van zelfstandige desa's, die een eigen staatje vormden, welke zich (zoals het verhaal meedeelt) een voor een aan het gezag van Pandji onderwierpen, een toestand die overeenkomt met de schets, die Liefrinck ons gaf in Tijdschr. Ind. T.L.V. deel XXXIII p.263 ev. 

De mededeling, dat de Balinese vorst Bedahulu door de legerscharen van Sri Kalagemet werd gedood, en de opsomming van de vorsten, die komende van Java over Bali zouden hebben geheerst, kunnen we voorbijgaan, omdat deze feiten niet zozeer met ons verhaal samenhangen.

Sri Kalagemet of Bhatara Jayanegara, prabhu van Madjapait, die van 1231 tot 1250 Saka geregeerd heeft, kan Bali nooit veroverd hebben, daar volgens de konklusiën in de Pararaton opgenomen in 1256 het eiland Bali nog geen onderhorigheid van Java kan geweest zijn. 

De vrouw Ni Luh Pasek Pandji is naar ik denk een slavin geweest afkomstig uit Den Bukit. (Den betekent: aan de overzijde); Den Bukit is de naam voor het land aan de overzijde der bergen). Als slavin heeft zij dan als een soort penjeroan-diensten verricht aan het hof van de vorst Dalem Seganing.

In T.N.I. 1868 tweede deel in de “Bijdragen tot de kennis van het eiland Bali” door P.J. Veth, naar aanleiding van de bundel aantekeningen van P. L. van Bloemen Waanders, komt op p.406 een bijna gelijkluidend verhaal voor om de oorsprong der Paseks en Mandesa's is verklaren. 

Deze groepen zouden namelijk stammen uit een huwelijk van een Cokorda van Klungkung met een papua'se slavin, in wier warme urine ook die vorst trad, wat hem in liefde deed ontbranden. Uit dat huwelijk (zij werd zijn bijvrouw of gundik) werd een zoon geboren, die de naam kreeg van Gusti Gunaksa (de vernuftige), en toevertrouwd werd aan een bloedverwant, die in een desa woonde, welke later ook de naam kreeg van Gunaksa, en die ten oosten van Sampalan (Klungkung) gelegen is. 

Op bladzijde 408 van het artikel van P.J. Veth hierboven genoemd vinden we ook een verhaal over de oorsprong van het Bulelengse vorstenhuis, welk verhaal enigszins parallel loopt met onze babad, waarom we dit verhaal in het kort hier willen Laten volgen. 

In dit verhaal vat Gusti Ngurah Djlantik, ik denk dezelfde als de in ons verhaal genoemde, liefde op voor een houthakster. De zoon uit die vereniging geboren werd 

[p.335] met zijn moeder verstoten, en door een wild zwijn in het bos gestolen, die het kind neerlegde voor de woning van een machtig opperhoofd in Buleleng, de Pasek van Pandji.

Gdé Pasek, die geen kinderen had, nam de vondeling aan, en gaf hem de naam van Goesti Pandji; de jongeling huwde met de dochter van een kluizenaar (dukuh), die over bovennatuurlijke krachten beschikte. Goesti Pandji stal hem de guna weg, waarna hij de erenaam Sakti kreeg, omdat hij onbegrijpelijke dingen kon verrichten. 

Zijn dochter gaf hij aan de vorst Mengwi ten huwelijk, en hij scheurde zich, al machtiger wordende, tenslotte los van zijn heer, de vorst van Mengwi, die daarop een machtig heirleger afzond, dat bij Gitgit tegenover het Bulelengse leger kwam te staan. Deze strijd bleef onbeslist, waarna vrede gesloten werd en Pandji slechts genoegen te nemen had met de aanstelling van een Mengwisch stadhouder te Patemon. 

Pandji Sakti zou later het recht gekocht hebben om de vorst van Mengwi in de gelijke taal te mogen aanspreken (mabasa). 

Pandji Sakti trok later op last van Mengwi naar Blambangan op Java en veroverde dat land. Hij werd te Buleleng opgevolgd door zijn zoon Goesti Pandji Wajan, ook wel Pandji Danoedrasta [Danudrasta] genaamd. Omtrent de guna werd niets meer vernomen. 

Zo luidt het verhaal over de afkomst der Bulelengse vorsten, zoals Van Bloemen Waanders, die assistent-resident geweest is te Singaraja, dat heeft opgetekend.

Pandji is naar Noord-Bali getrokken langs de zogenaamde Baturiti-weg, welke nog steeds veel gebruikt wordt voor de reis van noord naar zuid, hoewel de weg buitengewoon steenachtig is. Op de waterscheiding bij Batoe medjan [Batu Mejan] is tot nu toe een bron waaruit de vermoeide reizigers het frisse water drinken; op die plaats trof ik op mijn tournees bijna altijd enige rustende reizigers aan, die daar de maaltijd gebruikten en uit de bron dronken van Toya Ketipat, zoals die plaats genoemd wordt, ter herinnering aan Pandji Sakti, die daar eens zijn ketupat verorberde nadat het water uit de rots was gesprongen. Bij deze bron is nog een offeraltaartje, waarop iedere reiziger wat offert, hetzij bloemen, wat rijst of enige kepengs. 

Pandji heeft vandaar niet het pad naar Gitgit gevolgd, maar is links afgeslagen langs de meren, het tegenwoordige pad naar Munduk, dat een zijpad heeft naar de desa Pandji. Daar ontmoette hij Pandji Landoeng [Landung]. die hem de grenzen van zijn toekomstig rijk toonde: in het oosten Karangasem, in het westen Blambangan en in het noorden de Segara-wera, het grote water, blijkbaar in tegenstelling met de kleine wateren achter hem, de bergmeren van Munduk, nl. het Tamblingan- en Buyan-meer. 

In Pandji, waar hij zich vestigde, was Ki Pungakan Gendis opperhoofd. De titel Pungakan ben ik alleen in Buleleng tegengekomen voor benaming van een Ksatriya van lagere orde; toch schijnt die betiteling Ngakan, Pengakan of Pungakan in Zuid-Bali voor te komen, zoals de beer C. Lekkerkerker tijdens mijn verlof in Europa mij uit de literatuur bewees. ‘Pungakan’ is gevormd uit ‘kaka’ wat ‘vader’ betekent en is dan de titel voor een ksatrya, geboren uit een moeder van lagere kaste. 

We naderen nu de wonderen die Pandji deed met zijn kris, waarmee hij eerst de raja van Pandji doodde door slecht[s] naar hem te wijzen, en vervolgens het gestrande schip weer vlot bracht. Van der Tuuk deelt nog mee over de kris I Semarang: I Baru Semang, de naam van een wonderkris, die aan de vorst Pandji Sakti toebehoorde en nu (dat was in Van der Tuuks tijd) van de vorst van Lombok

[p.336] zou zijn; deze kris zou tot Pandji Sakti gezegd hebben, toen hij nog Barak heette: “Da i Barak smang keneh”, toen er een gevaar dreigde.

Het zou heel goed mogelijk zijn, dat de Lombokse raja die kris bezeten heeft, zodat deze wel zou kunnen zijn terecht gekomen in het museum van het Bataviaasch Genootschap. Daar we weten, dat de kris van de soort kebo mundarang was, waarvan we thans ook de tekening bezitten, zou de kris wel gedetermineerd kunnen worden. 

Het woord ‘baru’ komt vaak voor in namen van wonderkrissen; zo bijvoorbeeld i baru paras, i baru sèé, i baru driji, i baru alis, de laatste naam voor de kris pangampakan, waarmee Pan Bongkling zijn vele overwinningen wist te behalen. Baru is ook de eigennaam van een knecht van Bhatara Indra. I Baru is een komische figuur die door de neus spreekt (in de w. bedienden der Goden). Bebaru is de benaming van betoverde wapens die de aanvaller het gezicht benemen (zie Kawi Balinees Woordenboek).

Nu komt het belangrijkste punt in ons artikel, met name de inval in Blambangan. 

Zoals bekend heeft er van de oudste tijden al een band tussen Blambangan en Bali bestaan; er wordt zelfs beweerd dat die twee landen vroeger verenigd waren, doch de landtong door verheffing van de zee, gepaard met andere vulkanische werkingen, is verbroken. 

Meestal was de verhouding van vriendschappelijke aard; een expeditie als door Pandji uitgezonden wijst wel op een heel andere toestand in dat rijk. We mogen dan ook gerust aannemen, dat pas een gewijzigde verhouding geschapen werd nadat Blambangan aan Mataram, het grote rijk der mohammedaanse vorsten, werd onderworpen, terwijl Bali de enige toevlucht voor de Hindoes bleef. 

Sultan Ageng veroverde in 1639 Blambangan, dat toen onder Tawang Alun stond. Na deze onderwerping deed de vorst van Mataram zelfs een aanval op Bali, zodat de keizer van Bali wat spijt had, dat hij zich niet hij de Compagnie had aangesloten, toen een gezantschap, in 1633 naar Gelgel gezonden, hem had verzocht om mee te doen in de oorlog tegen Mataram. 

In 1648 rukte Blambangan zich echter weer los en werd het een vazalstaat van Bali. 

Veth deelt op p.410 van het meer genoemde artikel mee, dat bij eens ergens gelezen heeft, dat Pandji in 1647 naar Blambangan trok om de vorst van Mataram bij te staan in het dempen van een opstand in Blambangan. Deze mededeling van Veth klopt met de inhoud van ons verhaal, maar verdient m.i. geen geloof, omdat men moeilijk verwachten mag, dat Pandji een mohammedaanse vorst zou helpen om Blambangan, dat nog veel hindoe-sympathieën onderhield, voor de sultan van Mataram te veroveren. 

De geschiedenis verhaalt dan ook, dat Mataram in 1659 trots de krachtige hulp van Bali andermaal werd onderworpen. We mogen das gerust vaststellen, dat Pandji pas na 1659 een inval in Blambangan kan gedaan hebben. 

Van Eck verhaalt ons, dat in het laatst van de zeventiende eeuw, toen Bali het terrein was van vele binnenlandse woelingen, geleid door punggawa’s, die als zelfstandige anak agungs uit de strijd te voorschijn kwamen, optrad de zo hooggevierde Goesti Ngoerah Agoeng of Pandji Sakti, koning van Buleleng, van wie we in de Soerapati [Surapati] lezen, dat bij met een vloot van ongeveer 300 vlerkprauwen naar Blambangan overstak, de regent van dat gewest uit zijn rijk verjoeg en later met 800 Blambangers naar Buleleng terugkeerde. 

Deze Pandji moet dan dezelfde zijn, tot wie de Compagnie de uitnodiging richtte om aan alle particuliere handelaren de uitvoer van slaven te verbieden.

[p.337] Ia het Dagh-Register vinden we namelijk vermeld dat in 1665 een brief te Batavia werd aangebracht van Goesty Pangy, (dat is natuurlijk Goesti Pandji), waarin deze zijn beklag deed over het wegvoeren van enige Balinese slavinnen; in 1666 weer een brief van hem uit de stad Boelinlin (ten rechte Buleleng), in 1668 nog gevolgd door een brief van Gusty Loera Panji; heel merkwaardig dat hij hier de titel Lura of Ngurah heeft vermeld, omdat in ons verhaal ook wordt meegedeeld, dat Pandji pas later de titel Ngoerah aannam.

Deze Goesti Pandji is dan waarschijnlijk de held van de babad, die volgens de brief van de gouverneur-generaal Graaf Willem van Outshoorn in vereniging van enige Mangkasaren [Makassaren] het rijk Blambangan vermeesterde. 

Uit een ander stuk, tot heden nog nergens gepubliceerd, kan nader worden aangetoond, dat deze Pandji Sakti in die tijd moet geleefd hebben en de inval in Blambangan deed. 

Het stuk dank ik aan de heer C. Lekkerkerker, die mijn artikel doorlas, en dit voorzag van een reeks kanttekeningen, welke dankbaar in het omgewerkte stuk werden opgenomen; de bedoelde bron is een stuk afkomstig van Nicolaas Engelhard uit het algemeen Rijksarchief (Inventarisnummer 149/1551). Daarin komt een beschrijving voor van Bali en Banyuwangi door de commandant te Banyuwangi J.C. van Wikkerman, die als vaandrig in 1800 te Banyuwangi tot commandant werd aangesteld, welke post hij in 1818 nog bekleedde. In een rapport deelt hij dan mee: 

“de Berigten van dat uitgebreide Oostersche Balemboangsche district, in zo verre als hij het door zijne geringe vermoogens bij de oudste en Kundigste Ingezetenen aldaar à Costy heeft kunnen erlangen en opdelven, - welke vorsten aldaar geregeerd, welke de laatste vorst geweest is en of dezelve op hunzelven hebben geregeerd, of onder eenig ander vorst of Heer hetzij op Java of elders buiten dit Eyland ondergeschikt zyn geweest enz. enz; - alsmede het wijnige dien aangaande omtrent het Eyland Baly en Lombok, wat ik daervan heb komen te weten te krijgen." 

Hij deelt dan verder mee, dat volgens de gewone tijdrekening over het gehele Balemboangsche Rijk in 1655 een Susuhunan Tawang Alloon [Alun] als onafhankelijk vorst regeerde, van geloof als de Balinezen,

“met zetel te Matyaen Poeti (Macan Putih), alwaar nog tot heden daags eenige overblijfselen van groote gebacken steenen Mueren te zien zijn; voor het overige kan men niets ontdekken doordien deze plaats met swaere bossen begroeid is en zig veel ongedierten daar ophouden." 

Deze vorst [Tawang Alun] had onder zijn kinderen twee zoons, de oudste Pangerang Pattee [Pati?] en de jongste Matjan Napoero [Macan Napuro]; na vaders dood werd om de troon oorlog gevoerd, in welke strijd de oudste sneuvelde, terwijl de jongste in 1660 op de troon kwam.

Deze verlegde zijn troon naar Witjennan (ten rechte Widjennan) [Wijenan?] verder zuidwaarts; hier zijn geen merkwaardige overblijfselen meer of oudheden; alles is wildernis geworden. 

De zoon van Pangerang Pattee, genaamd Maes Pattee [Maspati], grootgebracht aan het hof van zijn oom Pangerang Macan Napuro, ging volwassen zijnde naar Baly Boliling en verzocht Goesti Pandji om bijstand tegen Pangerang Macan Napuro; Goesti Pandji gaf volk, wapens enz. aan Maes Pattee, die zijn oom van de troon stiet, die daarop naar Pasuruhan vluchtte in 1690. Maes Pattee bestijgt de troon als Pangerang Pattee en verplaatst het hof naar Lateng, westwaarts, maar stond onder Goesti Panji van Boliling. 

Wikkerman meldt niets over Soerapati, terwijl De Jonge VIII het voorstelt of Pangerang Pattee een Balinese Goesti was en werktuig van Soerapati. 

Hij deelt nog mee, dat enige jaren later Blambangan een oorlog voerde met Mengwi, waarna Banyuwangi onder 

[p.338] Mengwi kwam en Pangerang Pattee onder Goesti Agoeng van Mengwi. 

Pangerang Pattee werd opgevolgd door zijn minderjarigen zoon Pangeran Pattee II onder voogdij van Mengwi. De pupil stelde zich echter onder bescherming van de Compagnie en wilde onder de heerschappij van Mengwi uit. Tijdens een korte afwezigheid was zijn gezag ondermijnd door een mantri van de vorst van Mengwi, genaamd Banyu Alit; hij werd ontboden aan het hof van Mengwi, waarheen hij zich begaf en waar hij ongeveer een jaar bleef. 

Er ontstond toen een grote sterfte in Mengwi, waarop de hoofden aandrongen op de dood van Pangerang Pattee II, waarna Goesti Agoeng, bevreesd voor revolutie in zijn rijk, hieraan voldeed en Pangerang Pattee met zijn gevolg, mantri’s en Pannokawangs [panakawans] ten getale van 80 koppen aan het zeestrand van Sèsé door pieken liet ombrengen.

Onder de om het leven gebrachte mantri’s bevond zich ook Wierogoeno [Wiraguna?], de vader van de tegenwoordige (1805) Regent Raden Temmogong Wierogoeno [Tumenggung Wiraguna?], aldus eindigt Wikkerman.

Te Sèsé is mij wel eens de plaats getoond, waar Pangerang Pattee zon zijn begraven, terwijl de ongezonde toestand in die desa (onderafdeling Badung) nog geweten wordt aan het ‘panas’-zijn wegens die gruwelmoord. 

Hoewel het verhaal van Wikkerman ook weer afwijkt van de lezing in de babad en de verhalen van Van Eck, kunnen we toch wel stellen, dat in het laatst van de zeventiende eeuw in Buleleng Goesti Pandji leefde, die een expeditie naar Blambangan uitzond.

We mogen even zeker aannemen, dat de vriendelijke uitnodiging van de sultan van Solo is achterwege gebleven, aangezien de verhouding van het Mataramse hof met Blambangan en Bali nu niet bepaald van vriendschappelijke aard is geweest. 

Het verhaal van Van Eck, bijna geheel overeenkomende met de aantekeningen van Bloemen Waanders gepubliceerd door Veth, verschilt in heel veel met de babad van Goesti Putu Djlantik.

Zo lezen we daar dat Pandji Sakti niet zelf naar Blambangan ging, maar dat de expeditie onder leiding stond van diens zoon Danudresta, eigenlijk Pandji Wajan [Wayan] geheten, vergezeld van zijn broeders Djlantik en Nyoman Oka, namen die de Buleleng-babad niet kent. Deze geeft als zonen van Pandji Sakti op Danudresta (een kind van een penawing vrouw) naast Ngurah Pandji, Ngurah Pandji Made en Ngurah Pandji Bali. 

Volgens Van Eck zou deze bastaard Danudresta zijn vader zijn opgevolgd, terwijl in de babad wordt medegedeeld, dat Danudresta in Blambangan sneuvelde. 

De verhouding van Buleleng tot Mengwi wordt door Van Eck ook geheel anders geschilderd dan in de babad. Van Eck beweert, dat Buleleng aanvankelijk een vazalstaat was van Klungkung, later van Mengwi, aan welke afhankelijkheid Pandji Sakti een einde zon gemaakt hebben; Van Eck schrijft, dat de enige dochter van Pandji huwde met de vorst van Mengwi, terwijl in de babad staat dat de strijd tussen Mengwi en Pandji ontbrandde, omdat de vorst van Mengwi zijn zuster niet ten huwelijk wilde geven aan Pandji Sakti, welk huwelijk toch volgde na een onbesliste strijd, waarna Pandji Blambangan en Jembrana schonk aan Mengwi. 

De berichten van Wikkerman pleiten voor de lezing van Van Eck en tegen de babad van Buleleng. 

Hiermee zijn we aan het einde gekomen van een gedeelte onzer taak: het verhaal van Pandji Sakti te toetsen aan de overige daaromtrent bestaande gegevens.

Op Bali wijst men u de verschillende plaatsen in dit verhaal genoemd nog aan: 

[p.339] de plaats waar de olifantenkraal in Buleleng stond, de kampong Jawa, de plaats waar het paleis stond, het oude huisje in Pandji-Sukasada, Toya Tetipat, de Bangun Lima of olifantenkraal in Blahbatu enz. 

Geeft dit Pandji-verhaal de historicus wel interessante gegevens, ook de etnoloog zal met grote belangstelling hiervan kennis nemen, omdat ook hier wederom gegevens voorhanden zijn die een belangwekkende parallel opleveren voor reeds bekende feiten in de overige Archipel. 

We lezen o.a. in de Balinese tekst: “Dalem Seganing marasa kebus pisan, kabaos ring pakayunan wantah anak utama Ni Luh Pasek Pandji”.

“De vorst trapte bij toeval in de urine van de slavin Ni Luh Pasek Pandji en gaf te kennen, dat deze vrouw wel een bizonder mensch moest zijn, omdat haar water zo buitengewoon warm aanvoelde." 

Hierin moeten we stellig een voorbeeld zien van de voorstellingen, die de primitieven hebben over de magische kracht der menselijke excreten en meer nog van menselijke excreten die zo warm aanvoelen. 

Mr. F.D.E. van Ossenbruggen stelt het aldus voor: De magische kracht wordt afgeleid uit het ochtendgezang der dieren, die door hun verschillende geluiden tegen het ochtendgloren niet de zon en haar warmte roepen, maar deze in de eerste plaats daardoor voortbrengen. Zij veroorzaken de zonneschijn, dat is bovenal warmte. 

Die magische kracht van het dierengeluid, waardoor warmte wordt geboren, wordt naar analogie ook toegekend aan de adem, die uit de keel van het roepende dier komt en ook aan de faeces en de urine, die evenzo als veroorzakers van de zonnewarmte worden beschouwd. 

Als een onweerlegbaar bewijs voor die theorie noemt de schrijver nog de Mexicaanse hiëroglyfe voor vuur en warmte, die voorgesteld worden door het teken voor menselijke faeces. 

Schr. schrijft daaraan de grote waarde toe, die vele volken aan faeces van mens en dier toekennen als geneesmiddel. 

Daarvoor behoeft men slechts naar Bali te zien. Toen ik als controleur B.B. in 1917 van desa naar desa trok om aan de arme slachtoffers van de schrikkelijke aardbeving de helpende band te bieden, vond ik overal zieken met vreselijke breuken en wonden, allen bedekt met een papje van koemest. In Brits-Indië en tientallen andere landen vindt men hetzelfde gebruik. 

In het Westen kent men tot heden nog grote waarde toe aan het speeksel. Daarom kunnen we begrijpen, dat de vorst met graagte een vrouw met zo magische kracht tot gezellin wenste te nemen. 

Het kind, dat uit zijn huwelijk met haar geboren werd, toonde op de kruin van zijn hoofd reeds een vuurstraal of vuurglans. De kruin van het hoofd is een zeer voornaam deel van het lichaam; vele volken menen dat de kruin de zetel van de ziel is, of de plaats waar de ziel het lichaam pleegt te verlaten. 

Ook op Bali is de sivadvara, de fontanel een zeer belangrijke plaats. Ik kon daarop vroeger reeds wijzen in een artikel over de ziekten enz. der Balinezen. (Tijdschr. T.L. en V. 1920 dl. IX afl. 3). 

Als nu reeds bij de geboord een vuurglans op de kruin wordt gezien, dan laat het zich begrijpen, dat we in het Balinese verhaal de volgende woorden vinden:

“Ni Luh Pasek Pandji magenah ring puri Djlantik, raris ngembasang oka lanang, sakdap mijil seni saking ubun-ubun 

[p.340] Iare-né, punika ciri pacang sakti kapungkur." 

Dit lichtverschijnsel was dus een teken dat het kind later zou beschikken over bovennatuurlijke macht, sakti zou zijn. In bijna alle verhalen van de ‘wong sakti’ vinden we dit lichtverschijnsel terug.

Om maar eens een aan alle lezers wel bekend voorbeeld te noemen: de Pararaton, waar we lezen, dat de dief Lembong, die toevallig op de pabayangan kwam (waar Ken Endok het kind had gelegd, dat Bhatara Brahma bij haar verwekt had), zag, dat er iets lichtte en naderbij komende een wenend kind ontwaarde. Dit kind werd later Kan Angrok, de ratu van Tumapel. 

Wij menen ook te mogen aannemen, dat niet toevallig in het verhaal wordt gezegd, dat Pandji Sakti op een Letjè-boom [Leca = a species of plant] klauterde, om vandaar Ki Pungakan Gendis met zijn wonderbaarlijke kris te doden. 

De fijngestampte bast van de Lètjé-boom wordt toch gebruikt om de visnetten rood te kleuren, waardoor de netten sterker worden. De netten nemen in het primitieve denken een buitengewone plaats in als afweermiddel en het is dus niet onmogelijk, dat dergelijke elementen hier ook mogen worden verondersteld. We moeten evenwel voorzichtig zijn met onderstellingen van deze aard. Misschien moeten we wel aan heel wat anders denken. 

Immers ook elders treffen we iets dergelijks aan. Nemen we maar weer de Pararaton op, waar we op p.51 van de tweede druk (1920) lezen, dat Ken Angrok tijdens de achtervolgingen eerst in een katu-boom of katu-struik zo groot als een vijgenboom vluchtte, om daarna zijn toevlucht te nemen tot een tal-boom, een lontar-boom dus. In het proefschrift van Dr. W. Rassers, ‘De Pandhi-roman" (1922), vinden we hierover menige interessante bladzijde. 

Volgen wij na Pandji Sakti weer naar de Batukaru, de hoge Tabananse berg, waar hij de goden vertoornde. De goden, verstoord over de zeldzame belediging hun door Pandji Sakti aangedaan, lieten een zwerm bijen zoo groot als gelatiks op de onverlaat los, waartegen hij, de sakti-mens, niets vermocht. 

Waarom wordt in dit Balinese verhaal nu juist een zwerm bijen op Pandji Sakti losgelaten, waarom geen raksasa's of buta's, of een vreselijke duisternis? Wat is ons bekend over de magische betekenis van bijen? Mr. Van Ossenbruggen zegt daarover in hoofdstuk IV van zijn werk het volgende: 

Bijenwas wordt onder primitieve volken bijna algemeen gebruikt als amulet bij epidemieën en bij verschillende andere ziekten of aandoeningen: uit het algemeen gebruik van bijenwas blijkt dus al, dat de primitieven grote betekenis daaraan toeschrijven. 

Van Ossenbruggen waagt het zelfs te beweren, dat de Papoea's bijenwas bezigen bij het vervaardigen van bun trommen, met geen andere bedoeling, dan om door middel van deze stof het gegons der bijen na te bootsen op het voor primitieve volken zo gewichtige instrument. Ook omdat was evenals olie zo gemakkelijk ontbrandbaar is en dus vuur of warmte produceert, meent de schrijver dat aan bijenwas zo'n hoge magische kracht wordt toegekend. 

Talrijke voorbeelden worden in zijn werk genoemd, waaruit de hoge verering blijkt voor de honing; men leest daar met welke magische praktijken de inzameling van de honing gepaard gaat, wat wel heel klaar wordt gedemonstreerd door de naam in de Karo-Batak-landen gegeven aan een honingverzamelaar, die daar ‘pawang’ heet, het Maleise woord voor ‘magiër’.

Men leze maar eens na wat in de Encyclopaedie voor Nederlandsch-Indië

[p.341] over deze dingen wordt gezegd onder het woord ‘bij’. Van Ossenbruggen meent voor de ‘bij’ nog op iets anders te moeten wijzen en wel op de angel, het door ieder gevreesde wapentuig. Zo’n geducht wapen moest aan het dier wel een magische kracht doen toekomen. 

Wij wijzen ook op Wilken, die over de ‘bij’ schrijvende, in deel III p.19 meedeelt, dat sommige volken menen, dat de ziel de gedaante van een ‘bij’ aanneemt; en in deel IV p.183 deelt Wilken mee, dat waar de bijenteelt bestaat, deze dieren tot het gezin behoren en als denkende wezens worden behandeld, aan welke anthropopathische opvatting Wilken dan nog enige waardevolle bladzijden wijdt. 

We mogen dus wel aannemen, dat met opzet een zwerm bijen op Pandji Sakti werd afgezonden en dan nog wel bijen zo groot als rijstvogeltjes, om daarmee de bovennatuurlijke macht van Pandji te neutraliseren. In geen enkele strijd zagen we hem zo volkomen het onderspit delven als juist in zijn ontmoeting met de bijen, die hem tot een smadelijke aftocht drongen. 

We mogen tevens niet nalaten in dit verband ook nog te wijzen op de tontemboansche teksten, verzameld door J. Alb. T. Schwartz (1907), in welke verzameling onder no.87 een verhaal voorkomt onder de titel ‘Manimporok en Mololewo’. 

Op bladzijde 311 e.v.v. komt een gevecht voor van kwaadaardige bijen, een strijd waarin de mens het ook aflegt tegenover de overmachtige vijanden. 

En thans nemen wij afscheid van de Balinese held, die volgens het Bulelengse verhaal een bezoek bracht aan het hof van Solo, een bezoek dat nadien, doch pas in de laatste jaren, door verschillende edelen van Bali is herhaald en van de zijde der Javaanse prinsen niet onbeantwoord bleef, een goede gewoonte omdat Java en Bali dezelfde heerlijke cultuurschatten bezitten en naar wij verwachten behouden zullen, dank beider verlangen om de edele erfenis der vaderen van vreemde smetten vrij te bewaren.

Source: Kat Angelino, P. De - Goesti Pandji Sakti, in ‘Djawa: Driemaandelijksch Tijdschrift’, [Kirtya Liefrinck-van der Tuuk], Jaargang 5, [afl.6], 1925, pp.326-341

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman http://guidomansdijk-talen.nlsocial facebook box white 24