Middeljavaansche Historische Traditie (Berg, 1927)

Below Dutch book is a rendering of famous University Ph.D thesis (loosely: 'The Central Javanese Historical Tradition') by C.C. Berg (1927). It is published here as valuable background information to the history of Gelgel, Bali. The book can be downloaded from https://www.delpher.nl, where a basic text is available. However, this text is poorly 'assembled', hence below revised version.

Adaptations to enhance readability & research include: modern Dutch spelling; names of people and places into modern standards in Balinese, Indonesian and Dutch: Blangbangan = Blambangan, Madhura = Madura, Koetoeran = Kuturan, Ayam-(W)Uruk = Hayam Wuruk, Kadiri = Kediri, Batan-Jruk = Batan Jeruk, Saganing = Seganing, Mesoela = Masula, To-Langkir = Tohlangkir, etc.; ç = s (except in quotations). '(n)' refers to a note directly below (italics).

DE MIDDELJAVAANSCHE HISTORISCHE TRADITIE DOOR C.C. BERG

PROEFSCHRIFT TER VERKRIJGING VAN de GRAAD VAN DOCTOR IN DE LETTEREN EN WIJSBEGEERTE AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE LEIDEN, OP GEZAG VAN de RECTOR MAGNIFICUS Prof. Mr. E. M. MEIJERS, HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID, VOOR DE FACULTEIT DER LETTEREN EN WIJSBEGEERTE TE VERDEDIGEN OP VRIJDAG 8 JULI 1927, DES NAMIDDAGS TE 1 UUR, DOOR CORNELIS CHRISTIAAN BERG; GEBOREN TE ROTTERDAM; UITGEVERIJ C. A. MEES - SANTPOORT - MCMXXVII [1927]

Onder degenen, tot wie ik bij het beëindigen van mijn studietijd aan de Leidse Academie een woord van hartelijke dank wil richten, neemt gij, hooggeleerde Snouck Hurgronje, de allereerste plaats in. In de acht jaren, dat ik het voorrecht had onder Uw leiding te kunnen studeren, en speciaal in de latere jaren van meer persoonlijk contact heb ik steeds meer leren waarderen Uw persoon en Uw onderwijs, welke twee, omdat het laatste zich niet tot Uw leervakken beperkt, zo innig met elkaar verbonden zijn. Op frasen bent U niet gesteld; laat mij U daarom slechts verzekeren, dat ik ook na deze dag niet zal ophouden mij als Uw leerling te beschouwen.

Ook U, hooggeleerde Hazeu, die als mijn promotor hebt willen optreden, en U, hooggeleerde Krom, die mij een tweede, zij het niet-officiële promotor geweest zijt, dank ik gaarne voor Uw voortdurende belangstelling en Uw gulle hulp bij het samenstellen van dit proefschrift. Van Uw beider onderwijs en van dat van U, hooggeleerde Van Ronkel, hooggeleerde Vogel, hooggeleerde Uhlenbeck, hooggeleerde De Josselin de Jong en zeergeleerde Poerbatjaraka, neem ik de beste herinneringen mee; U, hooggeleerde Wensinck, wil ik, vooral na wat ik in de laatste jaren buiten de collegezaal van U geleerd heb, niet vergeten. Ook U, Dr. Van Arendonk en Dr. Rouffaer, ben ik voor Uw bereidwillige hulp in mijn studiejaren zeer erkentelijk; niet minder U, hooggeachte Lekkerkerker, van wie ik in ruime mate medewerking mocht ondervinden.

Buiten de academische kring dank ik in de eerste plaats U, Vader, voor al wat U beiden zich aan opofferingen zovele jaren lang hebt willen getroosten. Ook aan de heer Offermans, de Zeereerwaarde Heren Wreesman en Ermann en aan Dr. Hengeveld blijf ik verplichtingen houden, alsmede aan het Departement van Koloniën, dat door financiële steun mijn studie aan de Leidse Universiteit heeft mogelijk gemaakt.

INLEIDING

Een enkel woord ter inleiding van deze verhandeling en ter verklaring van de door mij gevolgde werkwijze is wellicht niet geheel overbodig. Nadat Prof. Dr. G. A. J. Hazeu in zijn colleges reeds herhaaldelijk gewezen had op de wenselijkheid van een verdere ontginning van de z.g. Middeljavaanse literatuur, vestigde Dr. Th. G. Th. Pigeaud in de winter van 1924-25 mijn aandacht op één der tot deze literatuur gerekende werken, de Kidung Sunda.

Nadere kennismaking met redactie B van dit historische gedicht gaf mij reeds spoedig de overtuiging, dat systematische bestudering van deze en soortgelijke stof inderdaad wel de moeite waard was. De moeilijkheden, die zich bij het lezen van de Kidung Sunda B, waarvan het taaleigen nog slechts weinig bekend is, aan mij voordeden, lagen niet zozeer op grammaticaal; als wel op lexicografisch terrein; om deze te overwinnen, leek het mij gewenst een zo groot mogelijke hoeveelheid vergelijkingsmateriaal te verzamelen.

Het lag voor de hand daarvoor de historische Middeljavaanse gedichten te kiezen,
1) omdat deze een niet al te uitgebreide groep vormen en dus in een betrekkelijk kort tijdsbestek door te werken waren,
2) omdat de vertaling van een groot gedeelte er van vergemakkelijkt wordt door de aanwezigheid van proza-parafrasen of van parallelle redacties, en
3) omdat historische studiën op ander gebied voor het begrijpen van deze stukken goede diensten zouden kunnen bewijzen, terwijl van de anderen kant de Middeljavaanse historische gedichten een bijdrage zouden kunnen leveren ter vermeerdering van onze kennis van Java's oude geschiedenis.

Toen de keuze eenmaal gedaan was, bepaalde de aard van de stof vanzelf de werkzaamheden, die te verrichten waren, nl.:
1) de kritische uitgave en vertaling der stukken, die hiervoor in aanmerking kwamen; 2) het verzamelen en bewerken van het lexicografische materiaal;
3) het verzamelen van historische gegevens en, zo mogelijk, het vergelijken er van met ander materiaal, dat op het ogenblik al beschikbaar is. Met het uitgeven van de teksten heb ik door de welwillende medewerking van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en (p.3) Volkenkunde van Nederlands-Indië een begin kunnen maken door de publicatie van Kidung Sunda B in B.K.I., 1927, deel 83. In deze verhandeling wordt het verzamelde historische materiaal besproken, terwijl mijn lexicografische aantekeningen zullen samengevat worden in een supplement op Dr. H.H. Juynboll's Oud Javaans-Nederlandsche Woordenlijst (Leiden, 1923), dat ik spoedig in druk hoop te kunnen doen verschijnen en waaraan een lijst van eigennamen zal toegevoegd worden.

Wat de Javanen ook op literair gebied van de Hindoes mogen overgenomen hebben, toch zeker niet de geringschatting voor geschiedschrijving, die zo kenmerkend is voor de Sanskriet literatuur. Men behoeft maar even de catalogi der Javaanse handschriften in te zien om te kunnen constateren, dat in de nieuwere Javaanse letterkunde de geschiedwerken een zeer voorname plaats innemen. Feitelijk is dat niet anders in de oudere periode; in de Leidse Universiteitsbibliotheek bevindt zich een groep van geschriften, die samen de oude geschiedenis behandelen van Java vanaf de laatste jaren van Erlangga's regering tot omstreeks het midden van de veertiende eeuw van onze jaartelling en die van Bali in de daarbij aansluitende eeuwen.

Deze geschriften bevatten gedeeltelijk kronieken en gedeeltelijk historische romans; de literaire vorm, waarin deze romans gegoten zijn, is de kidung. (zie over het verschil tussen kidungs en kakawins B.K.I., deel 83, p. 2 en 3).

Nu is stellig voor de schrijvers van de kidungs het vervaardigen van een literair kunstwerk niet het minst belangrijke gedeelte van hun taak geweest. Geschiedschrijving om wille van de geschiedenis zelve, zoals de Chinezen en de Arabieren ze kenden, is onjavaansch; de enkele stukken, die geschiedwerken volgens Westerse opvatting zijn, zoals b.v. stukken van de Nagarakretagama en de beschrijving van Wijaya's vlucht in de oorkonde van 1216 Saka [AD 1294], (uitgegeven en vertaald door Brandes, Parar., 93-100) zijn met heel andere bedoelingen vervaardigd; voor de Nagarakretagama, een kakawin, geldt tevens het voorbehoud, dat voor vele kakawins gemaakt kan worden, n.l. dat ze slechts in zeer beperkten zin tot de Javaanse literatuur behoren (n).

Note: Over deze kwestie heeft onlangs nog Dr. V. van Stein Callenfels zijn mening gezegd in Verh. B. G., deel 66, 154, 155.

We moeten ons dus niet verbazen, wanneer we af en toe opmerken, dat de dichter de geschiedenis opzettelijk verandert om een groter romantisch effect te krijgen.

Een typisch voorbeeld hiervan (p.9) levert de Kidung Sunda, in het laatste gedeelte waarvan de dichter vertelt, hoe Hayam Wuruk stierf van verdriet, omdat zijn geliefde, de prinses van Sunda, hem door de dood ontvallen was; wij behoeven er geen ogenblik aan te denken, dat de dichter daarbij wellicht inderdaad de traditie van zijn dagen weergeeft, daar uit de vergelijkbare plaatsen van de Pamancangah niets van dien aard blijkt. Bij deze enkele opmerking omtrent het karakter van de oudere Javaanse geschiedwerken moge het hier blijven. De hierboven bedoelde groep van geschriften bestaat uit:

a. De Calon Arang, in verschillende redacties, waarvan er één is uitgegeven en vertaald door R. Ng. Poerbatjaraka in B.K.I., 1926, deel 82, p.110 sqq. Men zou kunnen toegeven, dat voor het doel, dat Poerbatjaraka zich blijkens zijn opmerkingen op p.113 aldaar stelde, zijn editie voldoende is; voor iemand echter, die de verhalen niet slechts in hun eenvoudigste vorm, maar ook in hun latere ontwikkelingen, uitbreidingen en omwerkingen interesseren, is zijn uitgave onbevredigend, omdat de "groote historische onzin" (aldaar, p.112 beneden), d.w.z. de latere inheemse traditie, niet tot zijn recht gekomen is. Van een nadere bespreking van het niet door Poerbatjaraka behandelde Calon Arang-materiaal heb ik mij echter menen te moeten onthouden, daar het zijn bedoeling was, zoals o.a. blijkt uit zijn opmerking op p.115, eerste alinea, later aan de Calon Arang nog een tweede studie te wijden. Ik moet dus hier volstaan met te verwijzen naar Poerbatjaraka's uitgave en naar de mededelingen in Ju., Cat., II, 299-300; naast de prozatekst bestaan er nog twee of drie Middeljavaanse tengahan-redacties (Ju., Cat., I, 248-249) en twee Balinese macapat-redacties (Ju., Cat., III, 137-138); zie verder nog K.B.W., I, 635.

b. Een kleine kroniek betreffende het geslacht, waartoe o.a. Erlangga behoorde; zij is opgenomen in cod. 3900 (I) aan het eind van een Adiparwa-kidung en in haar geheel gepubliceerd door Brandes, Beschrijving enz., I (1901), p.n Sqq.

c. De tutur Bhujangga Bali, die o.a. handelt over het geslacht, waartoe de uit de Calon Arang bekende brahmanen Kuturan en Bharada behoorden, en over Bharada's verhuizing naar Java. De Leidse collectie bezit twee exemplaren er van, nl. cod. 5090(2b) en cod. 5112(2); zie Ju., Cat., II, 239.

d. De geschiedenis van ken Angrok en van de koningen van (p.10) Tumapel, opgenomen in de door Brandes uitgegeven Pararaton en in de Pararaton-kidung. Met Pararaton wordt hier steeds bedoeld de tweede, door Dr. N. J. Krom bewerkte editie; Javaanse citaten worden echter naar de eerste editie gegeven. Het hier bedoelde stuk loopt van het begin tot aan I8,13. Van de kidung bezit de Leidse handschriftenverzameling slechts één specimen, nl. cod. 3870(1) (Ju., Cat., I, 258-259); het eindigt abrupt op een plaats, die correspondeert met 19,7 van de prozatekst.

e. De geschiedenis van Wijaya en van de stichting en opkomst van Majapahit. Behalve in de Pararaton (18,16 - 24,33) vindt men haar in het eerste deel van een kidung, die hier gewoonlijk Rangga Lawe, doch door de Balinezen Lawe en in de handschriften zelf Panji Wijayakrama genoemd wordt. Over deze dubbelnamigheid zal beneden uitvoeriger gehandeld worden; ik geef er de voorkeur aan de naam Panji Wijayakrama te gebruiken voor het eerste deel (begin-Zang VII, 155) waarin de geschiedenis van (a) panji Wijayakrama = Wijaya verteld wordt. Men vindt de naam Wijayakrama als variant van Wijaya gebruikt in Zang VII, 152 en in Pararaton 18,15 v.l. H, 18,16 invoeging H; met „huwen" of „huwelijk" heeft dit krama niets te maken (Vreede, Cat., p.398).

De naam Rangga Lawe zou ik liever speciaal gebruiken voor het tweede gedeelte van de kidung, dat de opstand van Rangga Lawe behandelt (Zang VII, 156 - slot). Gemakshalve citeer ik echter plaatsen uit het gehele werk met Rangga Lawe met doortelling van zangen en strofen, omdat de scheidslijn dwars door zang VII gaat en aparte nummering verwarring zou kunnen veroorzaken. Men vindt de Rangga Lawe -handschriften beschreven in Vreede, Cat., p.396-399, en Ju., Cat., I, 255-257, II, 501; Ju. vermeldt ten onrechte de door Vreede foutief beschreven codex 1913 op p.255 opnieuw onder de Rangga Lawe-handschriften; reeds in de voorrede van de eerste Pararaton-editie heeft Brandes deze vergissing van Vreede stilzwijgend verbeterd (Par.2 , p.8*). In de loop van dit werk citeer ik Rangga Lawe-plaatsen naar cod. 4454; in Zang VI en VII heb ik echter enkele strofen uit cod. 4455 ingevoegd, zodat mijn telling van de strofen hier enigszins van cod. 4454 afwijkt.

f. Verhalen uit de geschiedenis van Majapahit. Op het in e vermelde gedeelte van de Pararaton volgt een stuk (25,2-29,17), waarin de voornaamste gebeurtenissen van het eerste gedeelte (p.11) van de Majapahitse periode (tot ± 1360 AD) op zeer beknopte wijze medegedeeld worden. Voor enkele van deze gebeurtenissen staan ons, gedeeltelijk uitvoerigere, inlichtingen ter beschikking uit andere bronnen, en wel:

1) wordt de geschiedenis van Rangga Lawe's opstand (Par., 25,5-14) uitvoerig behandeld in het tweede gedeelte van de Rangga Lawe-handschriften, de hierboven reeds vermelde kidung Rangga Lawe (zie onder e);

2) vinden we van het verhaal van Tanca en Kala Gemet's dood (Par., 27, 1-11) een enigszins afwijkende redactie in de Pamancangah (zie beneden onder h 30), Zang I, 66-72 van de kidung, fol. 6b-7a van de prozatekst;

3) geeft ons dezelfde Pamancangah (resp. I, 72-105, fol. 7a-9b) een beschrijving van het huwelijk van de beide prinsessen van Majapahit, van de geboorte van Hayam Wuruk en zijn neef Aya Tular, en van Hayam Wuruk's troonsbestijging en machtsgebied, die in de Pararaton niet voorkomt;

4) worden ons in de Usana Jawa (het gehele eerste gedeelte; over het werk zie beneden onder h 20), de Pamancangah (resp. I, 6-14, fol. 2a-3a) en in redactie A van de Kidung Sunda (46b-49a) mededelingen gedaan over een expeditie van Gajah Mada tegen Bali, die in de Pararaton niet vermeld wordt;

5) wordt het verhaal van de tocht van de Sundanese koninklijke familie en van vele Sundanese edelen naar Majapahit en van hun ondergang in Bubat (Par., 28,29-29, 16) uitvoerig gedaan in de verschillende redacties van de Kidung Sunda; voor de redacties en handschriften van dit werk zie B.K.L, 1927, deel 83, p.3-5;

6) geven de verschillende redacties van de Kidung Sunda (A 110a-slot; B III, 62-slot, vgl. B.K.I., 1927, deel 83, p.160-161; C VI, 18-slot) en de Pamancangah (resp. I, 105-129, fol. 9b-10a) onderling afwijkende verhalen van het verdwijnen van Gajah Mada, die in het verband van de Pararaton (vgl. aldaar 29, 16-17, 28) niet passen;

7) geeft ons de Pamancangah (resp. I, 161 - III, 5; fol.12a-21b) enkele mededelingen over een soort rijksconferentie, bijeengeroepen door Hayam Wuruk te Majapahit na Gajah Mada's dood en bijgewoond door de vazalvorsten van de onderhorigheden van Majapahit. Uit de Pararaton is ons zulk een conferentie niet bekend.

We zouden hier nog aan toe kunnen voegen: (p.12)

8) een van de nieuwere Javaanse traditie afwijkend verhaal over de ondergang van Majapahit, dat voorkomt in de Pamancangah (resp. III, 15-21; fol. 21b-22a).

g. Genealogieën en een jaartallenlijst voor de geschiedenis van Majapahit na de slag bij Bubat, welke opgenomen zijn in de Pararaton (29,18-slot).

h. Verhalen over de Balische voortijd en over de vestiging van een Javaanse kolonie uit Majapahit op Bali, en de geschiedenis der Javaans-Balinese rijken, die uit die vestiging voortgekomen zijn. Men vindt mededelingen hierover in de volgende, gedeeltelijk aan elkaar parallel loopende geschriften uit de Leidse handschriftencollectie: de Usana Bali, de Usana Jawa en de Pamancangahs. De Batur Lelawasan, die R. van Eck in zijn “Schetsen van het eiland Bali" herhaaldelijk vermeldt (T. N. I., Nieuwe Serie, Jrg. 7, deel 2, p.88, 166), bevat eveneens verhalen uit de alleroudste geschiedenis van Bali, volgens v. Eck's mededelingen; ik heb dit werk niet kunnen raadplegen; het komt, als Batur Kalawasan, voor in de lijst van I Gusti Putu Jelantiks handschriften, welke men vinden kan in het Oudheidk. Verslag, 1921, 2de kw., p.69.

1) Van de Usana Bali zijn de belangrijkste gedeelten gepubliceerd en vertaald door R. Friederich in T. N. I., Jrg. 9, deel 3, p.245-373; vgl. Ju., Cat., II, 386. Van de vrij talrijke Leidse exemplaren heb ik de codd. 3978(2) en 3858(4) gebruikt. Ju., Cat., II, 385-387, geeft er een beschrijving van; de op p.387 vermelde cod. 1066(3) Batav. Gen., die thans weer te Batavia is, zal wel een Pamancangah-fragment zijn. Op p.386 verwerpt Juynboll Friederich's gissing, dat usana wellicht van Sk. „was" af te leiden zou zijn en uit zijn overtuiging, dat usana een verbastering van Sk. awasana = einde is. In Ju., Wrdl., s.v.v. uçana en usana vinden we resp. „S. awasana, einde; oud, verleden" en „oude tijd, oud".

Tegen Juynboll’s opvatting pleit, (1) dat uçana (vaak met ç gespeld) reeds in het oude Ramayana voorkomt, terwijl awasana in gaven vorm nog in veel latere tijd bestaat; (2) dat de overgang van de betekenis „einde" naar die van „oude tijd, oudtijds" nu niet direct voor de hand ligt. N.J. usana, dat een betrekkelijk zeldzame nevenvorm van wusana is, betekent „uiteindelijk, ten slotte", en is natuurlijk wèl gevormd uit Sk. awasana, dat in die vorm dan ook in het N. J. niet voorkomt; maar N. J. usana mag niet zonder meer aan O. J. uçana gelijkgesteld worden! Het lijkt mij dus (p.13) voorlopig veiliger de afleiding van usana in het midden te laten; de betekenis is intussen duidelijk: Usana Bali = oude geschiedenis van Bali. Naast de prozatekst bestaat er een kakawin Usana Bali, ook Mayantaka genaamd; de beide defectieve Leidse codd., 3646 en 4624, beschrijft Ju., Cat., I, 172-173.

2) Naast de Usana Bali staat de Usana Jawa, welke naam waarschijnlijk alleen geboren is uit de behoefte om dit werk van de Usana Bali te kunnen onderscheiden, want een “oude geschiedenis van Java" is dit geschrift zeker niet, al speelt Majapahit er een zekere rol in. Er zijn in Leiden twee handschriften van, cod. 3858(1) en cod. 3978(4); het laatste handschrift is bruikbaar, wanneer men de stukken 25,9-26,6 en 34,16-35,11 met elkaar verwisselt.

3) Als derde groep heb ik hierboven de Pamancangahs genoemd. Pamancangah is eigenlijk geen eigennaam, maar een soortnaam; men kan het woord eigenlijk nog het beste in het moderne Javaans vertalen, afgezien van de etymologie, met 'babad'. In het K.B.W. leest men s.v.: "v. bentjangah/bencangah?, soort kronyk, die tevens de afstamming v. versch. Balineezen vermeldt," enz., en s.v. bancangah: „pamantjangah/pamancangah, sas., bentjangah/bencangah, soort chroniek, waarin tevens een geslachtlijst v. dezen of genen Balineeschen stand opgesteld (soms verward met prasasti)". Daar de variant pambancangah voorkomt, is bancangah wel als grondvorm te beschouwen, en pamancangah de afleiding met voorvoeging van pa- en nasaleering, waarbij de media volgens de Balinese regel verdwijnt.

De vraag is nu, wat bancangah betekenen kan. Van der Tuuk doet in het K.B.W. geen verklaring aan de hand, en uit de gegeven voorbeelden valt niet veel af te leiden. Pigeaud wijst er in zijn dissertatie op (p.237, noot 2), dat het woord amacangah in Nagarakretagama, LXVI, 5, naast raket-raket, widu en gitada voorkomt, zodat daar reeds uit zou af te leiden zijn, dat het iets met toneelspelen te maken heeft. Poerbatjaraka vertaalt dit amacangah met „wayang mancangah" (B.K.I., 1924, deel 80, p.248).

Mij lijkt het beter widw amacangah tezamen te nemen, daar in het bij Pigeaud (p.237) vermelde citaat K. B. W., III, 571 a (s.v. wulu) eveneens amidu amancangah (lezing b) voorkomt, en te vertalen: „widu-bancangah-speler" resp. (in het citaat K. B. W.) „als widu-bancangah-speler optreden." Pam(b)ancangah is dus „bancangah-spel".

Uit Friederich's opmerking in Voorlopig Verslag, I, 22, noot 2: „Uit de Pamendanga [lees: Pamancangah] (p.14) wordt genomen een spel, dat door topeng's (maskers) daargesteld wordt door een' enkelen persoon; het houdt de oudere geschiedenis van Bali, namelijk der Deva Agoengs, in," blijkt, dat bancangah in zijn tijd een éénpersoons-topengspel van historischen inhoud was, en vermoedelijk zal een soortgelijk spel ook wel in genoemde Nagarakretagama-strofe bedoeld zijn.

De betekenisovergang van het woord pam(b)ancangah is nu duidelijk: van „historisch maskerspel" tot „tekstboek voor het historisch maskerspel" en vervolgens tot „geschiedboek" in het algemeen. Van wajang/wayang tot lajang/layang, en van lajang/layang weer tot wajang/wayang! De wisselwerking tussen toneel en literatuur, de feitelijke gelijkheid van babad en pepakem, van geschiedwerk en van handboek van de dalang, waarop Brandes in de Pararaton-uitgave (p.208 sqq.) gewezen heeft, en later ook Djajadiningrat in zijn proefschrift, ter verduidelijking van ons inzicht in de wording van de nieuwere Javaanse letterkunde, blijkt dus een parallel te hebben in de Javaans-Balinese literatuur; en stellig mag men op grond van het meergenoemde Nagarakretagama-vers de vraag stellen, of die wisselwerking niet reeds voor de Majapahitsche periode aan te nemen is.

Friederich's opmerking in noot 2 van pag. 22 van zijn Voorlopig Verslag, deel I, is daarom voor onze beoordeling van de Pamancangahs belangrijker dan zijn verdere opmerkingen op die bladzijde. Het zou zeker toe te juichen zijn, indien zich eens op Bali iemand de moeite getroostte om wat meer bijzonderheden te weten te komen van het door Friederich vermelde topeng-spel, dat nog altijd opgevoerd, of liever gezegd, gespeeld wordt. Wat Friederich verder van de „Pamendanga" zegt, is niet veel zaaks, en bewijst slechts, dat hij het geschrift niet voldoende heeft begrepen, hetzij omdat hij te weinig met het eigenaardige taaleigen vertrouwd was, hetzij omdat zijn tekst aan hetzelfde euvel leed als zoveel andere oudere Javaanse prozageschriften, een verregaande staat van corruptheid, waarvoor het enige afdoende geneesmiddel is een zeer minutieuze vergelijking van een aantal handschriften. Juynboll heeft zich, jammer genoeg, in zijn Catalogus, II, 392, en in zijn artikel „De Letterkunde van Bali" (B. K. L, 1916, deel 71, p.571) er hoofdzakelijk toe bepaald Friederich's kleinerende oordeel over te nemen; zijn eigenlijke beschrijving (Cat., II, 392, 2de alinea) is zeer oppervlakkig en geeft een geheel scheef beeld van dit geschrift.

(p.15) Het geschrift, dat „Pamancangah" zonder meer genoemd wordt, en dat men ter onderscheiding van soortgelijke geschriften „Pamancangah van Gelgel" zou kunnen noemen, bevat de geschiedenis van de vestiging van een Javaanse kolonie uit Majapahit op Bali en die van het rijk van Gelgel tot aan de ondergang van Gelgel en de opkomst van Klungkung.

Het komt voor in een prozaredactie en in een kidung, die op enkele kleinere stukken na volkomen parallel aan elkander zijn.

(A) Het beste prozahandschrift van de Leidsche collectie is cod. 5054 (Ju., Cat., II, 393; de andere codd. p.392-394); het is echter pas te gebruiken na emendatie aan de hand van de andere handschriften en onder voortdurende vergelijking met de kidung. Cod. 5054 bestaat uit een hoofddeel, dat in fol. 62a vrij abrupt eindigt, en uit drie aanhangsels, waarvan het eerste op Badung, het tweede op Ñalyan/Nyalyan/Nyalian en het derde op de ondergang van Gelgel en de stichting van de kraton van Klungkung betrekking heeft; het eerste aanhangsel gaat ook apart onder de titel van Pamancangah Badung, en ontbreekt in de kidung; het tweede en derde gaan samen onder de naam van Pamancangah Nyalyan en komen wel in de kidung voor; Juynboll vermeldt de Pam. Badung onder de Middeljavaansche geschriften (II, 394, cod. 3953(6)) en de Pam. Nyal(i)yan onder de Balineesche (III, 153), hoewel de taal van beide volmaakt dezelfde is. Cod. 4361, die Juynboll enigszins uitvoeriger beschrijft, is niet volledig en loopt slechts tot in fol. 57a van cod. 5054.

(B) Van de kidung zijn er in Leiden drie goede, volledige exemplaren, nl. de codd. 3857(1), 4366 en 3598; cod. 3129, ten aanzien waarvan Juynboll (Cat., I, 258) voorbehoud maakt, is een fragment van de prozaredactie, loopende van fol. 37b tot 57a van cod. 5054 en zich in woordkeuze enz. dicht aansluitende bij 4361.

Andere Pamancangahs uit de Leidsche handschriftencollectie zijn:
- de Pamancangah Manik Angkeran (cod. 3890(1); Ju., Cat., III, 152; P.L. van Bloemen Waanders, Beknopte en zakelijke inhoud van het kawi-handschrift Pamentjangah Ngoerah Sidemen, T. B. G., 1859, VIII, 61-71),
- de Pamancangah Maospahit (cod. 3861(2); Ju., Cat., III, 153)
- en een Pamancangah zonder titel (cod. 5126; Ju., Cat., III, 153-154); voor zover ik ze voor mijn doel nodig heb, komen ze beneden nog wel ter sprake. Er zijn echter nog wel meer Pamancangahs op Bali in omloop (n).

Note: L. van Bloemen Waanders noemt er nog enige in zijn artikel „Aanteekeningen omtrent de zeden en gebruiken der Balinezen, inzonderheid die van Boeleleng", T.B.G., 1859, deel 8, 149.

Wanneer we van de hierboven gegeven verklaring van het woord pamancangah uitgaan, kunnen we die naam moeilijk toekennen aan zuiver genealogische werken; twee van die werken moeten echter om hun inhoud in dit verband even vermeld worden. Het zijn
- cod.5058(1) (Ju., Cat., II, 393), die een genealogie van een deel van het geslacht Kapakisan bevat, maar juist niet die van de koninklijke familie van Gelgel, en
- cod. 5243 (Ju., Cat., III, 154), die niet een geslachtslijst van Balische en Lombokse vorstenfamilies bevat, zoals de catalogus opgeeft, maar een lijst van afstammelingen van de bekenden brahmaan Nirartha; dit laatste stuk is in vrij zuiver Javaans geschreven en had dus in het tweede deel van de catalogus vermeld moeten worden; het op p.162 van deel III onder cod. 5351-30 vermelde lontar-blad hoort bij cod.5243.

4°. Als laatste der onder h te vermelden geschriften valt een heel klein geschiedverhaal te noemen, waarvan mij twee exemplaren bekend zijn;
- het éne, het meest uitgebreide, bevindt zich aan het einde van cod. 3953(4) (Tattwa Sunda) en wordt daartoe ook blijkens de plaatsing van de colofon gerekend;
- het andere komt voor aan het einde van de Pamancangah-proza-codex 5054, waar het geheel misplaatst is, daar het in het kort de overgang van de macht van Majapahit naar Gelgel beschrijft.

Hiermee ben ik aan het einde gekomen van mijn beschrijving van het materiaal, dat ter bestudering van de Middeljavaanse historische traditie ter beschikking staat. Voor de volledigheid wil ik echter nog enkele stukken noemen, die buiten mijn eigenlijke onderwerp vallen, maar er in los verband mee staan en af en toe wel eens iets bevatten, dat voor de traditie van belang is. We kunnen deze stukken verdelen in:
1) jaartallenlijsten,
2) stukken, die over geheel andere onderwerpen handelen, doch waarin passages voorkomen, die van belang voor de historische traditie kunnen zijn, en
3) Nieuw-Balinese geschiedwerken.

1°. Naast geheel waardeloze stukken, zoals de Pangrincik ing babad, waarvan de Leidsche collectie twee exemplaren bezit (cod. 3931(4) en 3981(2); Ju., Cat., III, 154), staat een fragment als cod. 5109(3) (gedeelte van een Prastuti ning kakawin; Ju., Cat., II, 286), waarvan de gegevens er betrouwbaarder (p.17) uitzien. Tot deze groep zijn ook te rekenen de Prastuti ning kakawin in zijn geheel (cod. 5108(1); Ju., Cat., II, 286), de Wawatekan van cod. 4672 (Ju., Cat., II, 287), en vooral een aantal fragmenten uit de Kakawin Wawatekan (cod. 3891 (2); Ju., Cat., I, 178-180), die echter grotendeels onder 30 thuis hoort.

2°. Tot deze groep behoren b.v. een gedeelte van de Tattwa ning wyawahara (cod. 5095; Ju., Cat., II, 188) en de beide Nawanatya's (cod. 3907(2) en cod. 5091; resp. Ju., Cat., II, 291 en II, 292); de Nawanatya van cod. 5091, die ik Naw. A noem, is van staathuishoudkundigen aard en is vermoedelijk het boek, dat in de Pamancangah herhaaldelijk genoemd wordt als het geschrift, volgens hetwelk de Gelgelse kraton georganiseerd was (P.K., II, 14, VI, 14; Pam., fol. 14a, 59b; varianten: Nawasasana in fol. 18a en Natyanatha in fol. 14a v.l.); die van cod. 3907(2), die ik Naw. B noem, behoort tot de :groep van niti-geschriften. (n)

Noot: in cod. 5091 wordt herhaaldelijk de naam Awanatya gebruikt; vgl. Awaruci naast Nawaruci ( K. B. W., I, 542-543). In de Nag., XCI, 8, wordt ook een nawanatya = „(toneel)dans van negen" vermeld; vgl. Poerbatjaraka in B.K.I., 1924, deel 80, 285; het zou niet onmogelijk zijn, dat de inhoud van die dans en die van het geschrift Nawanatya met elkaar samenhingen. We kunnen de Nag.-strofe zo interpreteren, dat er drie dansen opgevoerd werden: de nawanatya, een klucht en een treurspel; makadi heeft vooral in het taaleigen der kidungs vaak de betekenis van „speciaal", zonder dat daarbij aan „de eerste plaats" behoeft gedacht te worden.

3°. Van deze groep, die men beschreven vindt bij Ju., Cat., III. Ï39-143, vallen de Ung Gyanyar/Gianyar (p.141, 142) en de Ung Mangwi (p.143) te noemen.

Het gedicht, dat Juynboll in zijn Catalogus, I, 253, vermeldt <cod. 3865(1)), is voor een studie van de Middeljavaanse historische traditie van geen belang; het quasi-historische feit is gefantaseerd om een literair gegeven te verkrijgen.

Bij de behandeling van de stof zal in het volgende van de chronologische volgorde een weinig worden afgeweken, omdat het voor de juiste beoordeling van het geheel van belang kan zijn allereerst nader te beschouwen de vraag, in welk milieu de Middeljavaanse historische traditie haar tegenwoordige gedaante kan hebben aangenomen. Gegevens daaromtrent, welke voornamelijk uit de Pamancangah te putten zijn, zal ik behandelen in het eerste hoofdstuk, om dan in de volgende hoofdstukken het materiaal te behandelen, dat hierboven onder e, f en h opgesomd is, waarna in een slothoofdstuk de verzamelde gegevens nog eens, voor zover dat mogelijk is, in een ruimer verband beschouwd kunnen worden.

HOOFDSTUK I - DE BEOEFENING VAN DE JAVAANSCHE LETTEREN OP BALI IN de BLOEITIJD VAN GELGEL

Reeds Brandes heeft bij zijn beschrijving van de handschriften van de kidung Arjuna Pralabdha (Beschrijving enz., I (1901), p.99a; vgl. Ju., Cat., I, 221) er op gewezen, dat de naam van de schrijver van dit gedicht, kyayi Dawuh Bale-Agung, uit de Pamancangah bekend is. (Er zijn echter twee redacties van deze kidung; welke daarvan bedoeld wordt, blijkt niet.)

De hier bedoelde Pamancangah-plaats (P.K., IV, 286; Pam., fol. 44b) is ook in een ander opzicht nog merkwaardig genoeg om er hier even de aandacht op te vestigen. Nadat in het voorafgaande verteld is van de ongelukkige afloop van de opstand van Dawuh Bale Agung's zoon Pande Bhasa tijdens de regering van koning Bekung van Gelgel omstreeks 1580 AD, wordt het verhaal aldus voortgezet:

„Carita kena sang bapa, kyayi Dawuh Baly Agung. Ri pati ning wijanira akarya ta sira kidung Arjuna Pralabdha; tan lupa amarek ka dalem, anunas karya anerat, apan sira maka manguri ning tattwa, kidung, kakawin".

In vertaling:

„Nu worde verhaald van zijn vader, kyayi D. Bale Agung. Naar aanleiding van de dood van zijn zoon schreef hij de kidung Arjuna Pralabdha; hij verzuimde niet zijn opwachting bij Z. M. te blijven maken en hem opdrachten te vragen tot het schrijven van werken, want hij bekleedde de functie van manguri voor prozaverhalen, kidungs en kakawin".

In de eerste plaats blijkt uit dit citaat één der functies van de manguri, of wel de functie van één der manguri's. Ook uit andere Pamancangah-plaatsen (b.v. P.K„ IV, 289; Pam., fol. 45a) blijkt, dat, wat de manguri of manghuri ook op Java geweest moge zijn, hij aan het hof van Gelgel de „clerc" was, de pujangga, om een Solonese term te gebruiken, de man (p.19) van „letteren en wijsbegeerte", tot wiens meer nederige functies zeer zeker ook „het lezen en schrijven van brieven" (K. B. W., IV, 616b; Nagarakretagama, p.200, 303) behoord kan hebben.

Zoals Krom opmerkt op p.303 van de Nagarakretagama-editie, kennen wij in de Majapahitsche periode de aard van zijn functie niet, maar is hij ongetwijfeld een dignitaris van hoge rang en heeft hij recht op het predicaat dang acarya. Het lijkt mij niet onmogelijk, dat reeds in Majapahit de mang(h)uri zo iets als een koninklijke „clerc" geweest is. Daarop wijst niet alleen het „clericale" predicaat „dang acarya" van de oorkonden (Nag., p.303), maar wellicht ook Nag., Zang XCII, strofe 2, regel 3: „manghuri... pangidungira titir inalem", door Kern vertaald met: „Het gezang van de Anghuri... werd herhaaldelijk toegejuicht".

Is het te gewaagd te veronderstellen, dat de manghuri hier niet incidenteel, maar ambtshalve een liedjeszanger was? Een liedjeszanger dan, die zijn zangen wel zelf gemaakt had of wellicht wel op het ogenblik zelf improviseerde; angidung toch is niet alleen kidungs zingen, maar ook kidungs maken.

Note: Vgl. hiermee Ju., Wrdl., s. v. kidung: mangidung, liedjeszanger, K.O. 782, Va. Ik heb in Cohen Stuart's „Kawi Oorkonden" de door Ju. bedoelde plaats niet teruggevonden, maar vermoedelijk zal daar wel niet van een ambtelijke mangidung sprake zijn. Vgl. nog de widu mangidung in de lijst van K. B. W., I, 766a, en bij Pigeaud, diss., zie Index, spec. 237, 238.

Ook het feit, dat in de Pamancangah herhaaldelijk gewezen wordt op het gelijk zijn van de Gelgelse staatsinrichting aan die van Majapahit, kan een argument zijn voor de hierboven geuite mening, dat er wellicht geen wezenlijk verschil bestaat tussen de manguri van Majapahit en die van Gelgel. Zelfs doet hier Kroms mededeling (Nag., p.303), dat „de betekenis van de verschillende ambten nogal wisselt in de loop der Oudjavaanse geschiedenis," niets aan af, omdat er tussen Majapahit en de andere kratons van Java verschillen hebben kunnen bestaan, die Gelgel juist ter wille van het bewaren van zijn Javaans karakter, waarover hierbeneden meer, vermeden zal hebben.

Het ambt van manguri was te Gelgel in de familie Dawuh erfelijk, maar hij schijnt niet de enige geweest te zijn; zo wordt een Brang Singha in P.K., IV, 289 = Pam. 45a, een „knap manguri" (m. wiweka) genoemd; op dezelfde plaats van de prozatekst wordt Brang Singha, en in Pam. 30b het geslacht, waartoe hij behoort (Kanuruhan), Pañarikan/Panyarikan genoemd. Panyarikan en Panulisan zijn synoniemen van Manguri, en alle drie de woorden worden dan ook in het algemeen gebruikt voor (p.20) Dawuh Bale-Agung en zijn zoon, maar tevens blijkt, dat ze ook gebruikt worden voor de familie Brang Singha = Kanuruhan, waarin het ambt vermoedelijk eveneens erfelijk was. Voor deze laatste veronderstelling vinden we, behalve in Pam. 30b, nog steun in de slotwoorden van de Pamancangah-proza, waar verteld wordt, dat de tot in Klungkung trouw gebleven Gelgelse vazallen beloond werden met privileges, die vastgelegd werden op een oorkonde van de hand van Brang-Singha. Meer dan dit weinige vertelt ons de Pamancangah van de manguri niet; wellicht, dat verder onderzoek van Javaanse en Balinese oorkonden meer details hierover aan het licht zal brengen.

Note: Vgl. ook C. Lekkerkerker, Balische Plaatsnamen in de Nagarakretagama, Gedenkschr. K. I., 1926, 197, noot 4.

In de tweede plaats blijkt uit het boven aangehaalde citaat P.K., IV, 286 = Pam., fol. 44b, dat de officiële dichter Dawuh Bale Agung omstreeks 1580 te Gelgel Javaanse poëzie schreef. Het is een gelukkig toeval, 'dat één van de twee jaartallen, die in de Pamancangah voorkomen, juist dit tijdstip vastlegt. Immers, wel was het algemeen bekend, dat Bali een belangrijk aandeel gehad heeft in het bewaren van de literatuurproducten van het oude Java, wel was ook reeds de mogelijkheid geopperd, dat de Middeljavaanse literatuur pas op Bali ontstaan is (Juynboll, De letterkunde van Bah, B.K.I., 1916, deel 71, p.556), doch bijzonderheden hierover ontbraken. Deze leemte nu wordt door de Pamancangah met een aantal belangrijke gegevens aangevuld, die voor een groot gedeelte vervat zijn in verhalen omtrent Nirartha, de op Bali welbekenden padanda Bahu/Wahu Rawuh, „den pas-aangekomene," „den immigrant," (n) en diens leerling Dawuh Bale Agung.

Note: vgl. hiermee wat Kern zegt bij NSg., XVI, 3, editie 55, over wahu rawuh. Met padanda wahu rawuh wordt daar niet „nieuw aangekomen geestelijken bedoeld, zoals Kern meent, maar alleen Nirartha.

Bahu Rawuh

Omtrent deze Bahu Rawuh, die thans op Bali beschouwd wordt als de stamvader van alle Balinese brahmanen (Friederich, Voorlopig Verslag, II, 16), lichten ook andere bronnen ons in met gedeeltelijk afwijkende gegevens (n); hier moge de Pamancangah-lezing volgen, die intussen niet overal duidelijk is (P.K., III, 42 IV, 54; Pam., fol. 24a-29a).

Note: Behalve de legenden, die de Pamancangah geeft, zijn er nog een groot aantal andere op Bali in omloop; vaak hebben zij ten doel namen van plaatsen te verklaren. De grote massa verdichtselen maakt het ons zeer moeilijk ons over deze persoon een oordeel te vormen; er mag echter op gewezen worden, dat de mening, dat hij de stamvader van alle Balinese brahmanen is, nog niet die van de Pamancangah is.

(p.21) De hoog heilige heer, de dichter vraagt eerst vergiffenis voor het feit, dat hij over hem durft te gaan spreken, was afkomstig uit Majapahit en had zich eerst in Daha gevestigd, waar hij een brahmaanse vrouw, de dochter van (een) dang hyang Panataran, tot echtgenoote genomen had; bij haar kreeg hij een dochter en een zoon, later bekend als de dewi van Malanting en Agra Kulwan (n), die, omdat hij Siwaïet was (?),den status van zijn schoonvader volgden (?).

Note: Agra en Wayahan duidt, vooral in Balinese eigennamen, het oudste kind aan, Made, Nyoman en Sirikan het tweede, Ketut het jongste. Hier heet de zoon, het tweede kind, Agra, omdat de dewi van Malanting na haar vergoddelijking niet meer als kind beschouwd werd.

Daarop vertrok hij uit Daha en begaf zich naar Pasuruhan, waar hij weer een brahmaanse huwde, de dochter van (een) dang hyang Panawasikan, bij wie hij eveneens twee kinderen kreeg, nu beiden zoons, de latere Agra Lor en Nyoman Lor; zo had hij nu vier brahmaanse kinderen.

Ik heb in het bovenstaande (een) tussen haakjes gezet, om de beide mogelijkheden, 1) dat met Panataran en Panawasikan eigennamen, en 2) dat er soortnamen mee bedoeld worden, open te laten. Een beslissende aanwijzing voor een keuze hebben we niet, maar wellicht verdient de opvatting onder 2) de voorkeur in verband met enkele in Pigeaud's dissertatie besproken plaatsen. We vinden nl. daar op p.299 sub (31) zowel als op p.301 sub (46)

“den mpungkw ing kaçaiwan” tegenover “den mpungku (sang tamolah) ring padewaçikan”

gesteld; „wat met de laatste term bedoeld is," zegt Pigeaud, „is niet duidelijk; daar 't woord hier steeds zo geschreven wordt, is de gelijkstelling [via panewaçikan?; zie p.299 sub (31) ] met de bhujangga panawasikan uit de Swarajambu niet zeker, tenzij daar 'n fout ingeslopen is."

Bedoelde Swarajambu-plaats, die Pigeaud uit K. B. W., III, 637-638, behandelt op p.30, behelst, dat als janggan te beschouwen is iemand, die uit het huwelijk van een bhujangga panawasikan met een ksatriya-dochter of van een bhujangga met een wesia/waisya-dochter geboren is. Het enige, wat men bij deze gegevens van Pigeaud kan opmerken, is, dat blijkens onze Pamancangah-plaats de spelling van de Swarajambu aanvaard moet worden, zodat deze vorm en die van p.299, 301 nevenvormen kunnen zijn; verder, dat uit de Swarajambu-plaats wel geconcludeerd mag worden, dat de bhujangga panawasikan lager in rang is dan de gewone bhujangga, daar het bij hun vrouwen juist (p.22) andersom is.

Wat echter de tegenstelling van padewasikan en Siwaïsme kan inhouden, kan ik, ook in verband met onze Pamancangah-plaats, waar op het Siwaïsme van Nirartha gewezen wordt, zelfs niet gissen. Mogen nu echter al Pigeaud's gegevens pleiten voor de opvatting, dat panawasikan hier een soortnaam is, - en dan zal ook wel panataran zo op te vatten zijn, - dan zijn we nog slechts één stap gevorderd op de weg, die naar verklaring van deze voor onze kennis van het Balinese brahmanendom zo belangrijke passage leidt.

Note: In de tutur Bhujangga Bali is het een soort eredienst; vgl. hoofdst. IV, §1

Er blijven nl. nog grote moeilijkheden. Immers de zin, die hierboven van twee vraagtekens is voorzien, èn omdat de tekst niet vaststaat, èn omdat ik met weet, of met gati inderdaad status bedoeld is, is nog voor een geheel andere verklaring vatbaar; we kunnen nl. lezen, het gehele slot van III, 43 op Nirartha latende slaan, en het combinerende met het begin van 44: „Omdat hij (Nirartha) een Siwaïet was en (eventueel:, die) de status van zijn schoonvader volgde, trok hij weg uit Daha en begaf zich naar Pasuruhan".

Onvoldoende bekendheid met de voorschriften van het tussenkastenstelsel enerzijds en met de praktijken van de religieuze genootschappen anderzijds maakt het moeilijk uit de beide mogelijkheden een keus te doen. Nirartha schijnt een zwervend wiku te zijn geweest, die telkens bij een anderen guru in de leer ging en dan na enige tijd diens dochter huwde.

Note: Over de andere verklaring, nl. dat de Islam hem noopte naar Bali te gaan, zie verderop in dit hoofdstuk.

Dat deze praktijken uitsluitend samenhangen met het feit, dat hij Siwaïet was, zoals P.K., III, 43, vermeldt, is wel nauwelijks aan te nemen; de omstandigheid, dat de Siwaïeten verreweg in de meerderheid waren, ook op Bali, maakt het niet waarschijnlijk, dat iets, wat hun allen eigen was, hier speciaal vermeld zou worden. Van belang is daarom de afwijkende lezing van de prozaredactie, fol. 24a:

„Matang ing çewa satabhija dateng ida ring Pasurwan";

wanneer we satabhija opvatten als sad-abhijña(-jña) (vgl. Kern bij Nag., XLIII, 1, en Poerbatjaraka in B.K.I., 1924, deel 80, p.238), en het op grond van de in K. B. W., UI, 163b, geciteerde passage (Cantakaparwa 69), waar sang hyang Sadabija = s. h. Tathagata = s. h. Taya = s. h. Jina, dus = Buddha is, vertalen met „Buddha" > „Buddhist", dan levert de combinatie çewa-satabhija ons het begrip „Siwa-Buddhist", (p.23) „aanhanger van het Siwa-Buddhisme", dat we van Java kennen als religieus-filosofisch stelsel (Kern, V. G., IV, 149 sqq., en bij Nag., I, 1, XL, 5, XLIII.5, LVI, 1, en de bijbehorende aantekeningen; Krom, Inleiding, I, 118 sqq.) en feitelijk als volksgodsdienst van het huidige Bah, maar dat hier dan een sekte zou kunnen aanduiden met mogelijkerwijze het zwervende leven als vaste praktijk.

Meer dan het ontwikkelen van een mogelijkheid wil deze uiteenzetting niet zijn; het is een voorlopige hypothese, waarvan de waarschijnlijkheid of onaannemelijkheid pas na het vinden van voldoende en zuiver vergelijkingsmateriaal „einwandfrei" zou kunnen worden vastgesteld.

Gaat Nirartha's reis van Majapahit via Daha naar Pasuruhan - ook voor hem niet de eenvoudigste route! - voor ons over een weg, die vol voetangels en klemmen ligt, ook op het volgende traject kunnen we hem door het grote aantal taalkundige hindernissen niet gemakkelijk volgen. Van Pasuruhan trok hij nl. naar Blambangan, waar hij de gast was van de landheer, de juru of de (n) sri juru.

Note: Het Javaanse woordje de, dat een titel aanduidt, wordt hier bedoeld.

„De sri juru anumata sang rsi, awija sira stri jalu, katiga sanakira, kaniten katrini wekasan çri/sri juru, tan patut ahipe sang rsi salah tarka tan pasti. (46)

Si rayinira tangguha, tan ahidep si rakangira mangkin, sang dwija pinaran wuyung, dalih apasang guna, pan gandhaniramrik sing keseden arum, tang karingeitira sumar mrik kaya er-gulo minging. (47)

Kuneng sri juru ahedan, konen kang rabi umunggwa ring gurit, ring sira matang ing kidung, duh sapa sira makosadha ning akingking jampyan ing wulangun, patni kaniten Saraswati sang Nirarthangiseni. (48)

Adawa yan kathakena, polahira sri juru i sang rsi, ahipe nora katuju, ya marmanira kesah, tan tolih nagari Brangbangan kapungkur, kaptinira dateng eng Bali pareng lan anak rabi" (P.K., III, 45-48).

De parallelle prozatekst heeft:

„Wëkas ta sira maring Barangbangan, kaniten pwa sira sadaya, de sri juru anumata, wekasan sasar pwa sira angapti ipeya, pramiçwari kaniten pwa sira tangguha, marma n ta sang hyang kapareng Balirajya, dalihira apasang gunaha, apan amrik tanpa gagandha, sing keseden amrik tanpa talehan, pan tang karingetiramrik kaya ernawa (er-mawa?), kuneng sri juru denira edan, (p.24) konen tang rabi angguritakenawaknira, ya ta matang ing gita Sapa sira sang jampyan ing ulangun, de patni kaniten byakta Saraswati, sang Nirartha sira angiseni; kesah pwa sang Nirartha saking Brangbangan" (Pam. [fol.24a-24b).

Bedoeld schijnt te worden, dat Nirartha met een zuster van de (de sri) juru trouwde, wier eigennaam wellicht (de) patni Kaniten Saraswati was; uit dit huwelijk werden geboren een dochter, Swabhawa, een zoon, Agra Wetan, de latere Ida Talaga of Ender, en nog een zoon, Nyoman Wetan = Sirikan Wetan = Buk Cabe, die in tegenstelling met de vier oudere brahmaanse kinderen kanitens waren, evenals hun afstammelingen (K. B. W., II, 33a; Friederich, Voorlopig Verslag, II, 17, 18: brahmana-geniten). Om een of andere reden schijnt de juru twist uitgelokt te hebben, waarvoor hij door de machtigen heilige gestraft werd met verstandsverbijstering; naar aanleiding van deze gebeurtenis dichtte Nirartha of misschien wel de patni Kaniten de kidung, waarvan in de aangehaalde stukken de beginwoorden schijnen gegeven te worden.

Hoe het ook zij, Nirartha verliet met zijn vrouw (de patni Kaniten?) en met 7 kinderen Blambangan en stak over naar Bali, hijzelf in een waluh kele (holle pompoen? bamboekoker?), zijn vrouw en kinderen in een lekke schuit. Met deze primitieve vervoermiddelen bereikten ze niettemin de kust van Bali bij Kapurancak (thans Prancak/Perancak geheten).

Na aan een herdersknaap de weg te hebben gevraagd, zetten ze hun tocht in Oostelijke richting voort, dwars door het woud, waar de apen hun door hun geschreeuw tot gidsen dienden. Midden in het bos vonden zij een naga met wijd opengesperde muil. Onbevreesd drong Nirartha door de muil het dier binnen; hij vond er een ontloken lotus, plukte hem en ging toen weer naar buiten. Het goud van zijn huidskleur was echter in het binnenste van de naga in zwart veranderd, en vol angst vluchtten zijn vrouw en kinderen weg, toen hun man en vader zo getransformeerd terugkwam. Het gelukte Nirartha spoedig hen allen terug te vinden, behalve zijn oudste dochter, die bij deze gelegenheid door de volmaaktheid van haar vader tot de goddelijks staat was overgegaan en „de goddelijke vrouwe van M(a)lanting" was geworden.

Op dezelfde plaats had nog een wonder plaats. Een aantal wormen ontwikkelden zich plotseling tot vrouwen, die een (p.25) sembah kwamen maken aan de voeten van Nirartha en hem verklaarden, dat zij, die het uitvaagsel van de aarde geweest waren, thans door de kennis, die de grote brahmaan van geheime zaken had, geworden waren, wat zij waren, of liever, wat zij dat korte ogenblikje waren, want meteen waren ze verlost en werden onzichtbaar. „Zij zijn het, die thans bestendig wonen in Polaki (n) en gediend worden door de lieden van Malanting." - Zo huldigden de drie categorieën van levende wezens, dieren, mensen en geesten, de grote heilige.

Note: Zie nog de interessante aantekening in K. B.W., IV, 237a, en R. van Eck, Schetsen van het eiland Bali, T. N. I., Nieuwe Serie, Jrg. 9 (1880), deel 1, 34 en 35; vgl. op 110, 124 en 125. Het pinralina van P.K., III, 59, betekent volgens K. B. W., IV, 112b „onzichtbaar gemaakt". Over pralina zie men B.K.I., deel 83, P- 157, 158. Vermoedelijk is met pralina ook hier wel de verlossing van een vloek (ruwat) bedoeld, waardoor de thans pinralina zijnden eerst gedegradeerd waren geweest. Deze passage ontbreekt in de prozaredactie.

Na deze gebeurtenissen zette Nirartha zijn tocht voort, nog altijd in Oostelijke richting; na vele dorpen gepasseerd te zijn, kwam hij in Gading Wani, waar de bevolking toen juist leed aan een epidemie, die velen ten grave deed dalen. Nirartha genas de zieken met zijn uitgekauwde sirihpruimen. De bandesa van Gading Wani kwam de weldoener van zijn ondergeschikten zijn dank betuigen, en kreeg van hem de wijding, welke feiten in de kidung Sebun Bangkung bezongen zijn. Toen de pangeran mas (n) (het districtshoofd?) van de gebeurtenissen in Gading Wani hoorde, nodigde hij Nirartha uit om bij hem zijn intrek te komen nemen.

Note: Men krijgt de indruk, dat in latere lezingen (b.v. K. B. W., IV, 573a; Friederich, V. V., II, 18 e. a.) bandesa en pangeran één persoon geworden zijn. Het kan zijn, dat hier mas de bekende Javaanse titel is, maar het is ook mogelijk, dat de naam van het plaatsje Mas bedoeld wordt. In het laatste geval kan de aardrijkskundige naam uit de titelnaam ontstaan zijn.

Nirartha stemde toe en verleende ook de pangeran mas de wijding. Geruime tijd logeerde hij daar. De pangeran mas gaf hem zijn zuster tot vrouw; uit dit huwelijk sproot Ida Mas. Bovendien verwekte Nirartha bij een slavin, die tot het uitzet behoorde, dat de pangeran mas aan zijn zuster bij haar huwelijk meegegeven had, een zoon, die later onder de naam van Ida Patapan bekend was.

Tijdens Nirartha's verblijf bij de pangeran mas geschiedde nog het volgende wonder: Nirartha liep eens te wandelen over de bladeren van de lotusplanten in een vijver van de pangeran mas; eensklaps zag hij de god van de To(h)-Langkir (Gunung Agung) en zakte op hetzelfde ogenblik tot aan de enkels in het water weg, hetgeen (p.26) hem de opmerking ontlokte:

„Enti cingingira bhattareng Balirajya, wyakti Madewangutpëtti, nora kawenang, pinadan engsun eki

(P.K., IV, 7; Pam. 25b: antyanta cinginge pada bhattara ring Bali, wyakti yan Mahadewa, tan kena pinadan. „Wat is die god (zijn die goden) van Bali toch kleinzerig; ik ben immers de incarnatie van Mahadewa, de onvergelijkelijke!") (n).

Note: De strekking van deze opmerking is mij geheel duister. Mahadewa is de god van de Tohlangkir (Gunung Agung), de beschermheer van het Gelgelse rijk.

Toen Nirartha reeds enige tijd bij de pangeran mas doorgebracht had, bereikte de toenmalige koning van Gelgel, Baturenggong, het bericht, dat er op Bali een zeer tovermachtig brahmaan was aangekomen, juist iemand als Lo Gawe (n).

Note: De brahmaan, die als eerste beoosten de Kawi op Java was gekomen om Angrok te zoeken (Parar., 8 sqq.). De vergelijking is hier heel juist, daar Nirartha verschalende trekken met hem gemeen heeft, o.a. de wonderbare overtocht over zee naar het land van bestemming.

Onmiddellijk stuurde de koning zijn panulisan (manguri) uit, Dawuh Bale Agung, om hem uit te nodigen naar Gelgel te komen. Dawuh ging op weg, rijdend op een wit paard, in het wit gekleed, met een witten payung; slechts zijn tanden waren zwart, zegt het verhaal.

Toen Dawuh aangekomen was in het huis, waar Nirartha logeerde, werd hem een plaats aangeboden op de babaturan, en weldra was hij met Nirartha in een druk gesprek gewikkeld; op alle vragen, die Dawuh stelde, wist Nirartha steeds een bevredigend antwoord te geven, zowel naar de leer (sastra) als naar de diepere zin (ças/sas). Ten slotte zweeg Dawuh; hij ging van de babaturan af en nam een lagere plaats in om daarmee zijn minderwaardigheid ten opzichte van de brahmaan te kennen te geven; het enige, wat Dawuh nog te zeggen had, was, dat de koning gevraagd had, of Nirartha zo snel mogelijk naar Gelgel wilde komen.

Dawuh had echter, doordat het gesprek met Nirartha hem boeide, uit het oog verloren, dat het 's konings uitdrukkelijke wens geweest was, dat hij dadelijk naar Gelgel zou terugkeren. Toen hij nu later dan afgesproken was in Gelgel aankwam, vond hij daar de koning niet meer; deze was nl. intussen vertrokken naar Padang, met zijn rijksgroten. Dus zetten Dawuh en Nirartha hun tocht voort naar Padang. Daar werd Dawuh allesbehalve vriendelijk ontvangen, maar Nirartha werd met eerbewijzen overladen; hij werd gehuisvest in de oude kluis van Mpu Kuturan. Spoedig vond hij gelegenheid de koning zijn grote tovermacht te tonen. Toen hij nl. hoorde, dat de jacht tot nu toe niet veel (p.27) opgeleverd had, bracht hij daarin verandering door de jagers een wonderbare vis- en wildvangst te bezorgen.

Op de thuisreis van Padang naar Gelgel kon men de Unda, die juist sterk gewassen was, niet overtrekken; Nirartha paste de aji açwaçiksa (paardendressuur-toverspreuk) toe en de paarden konden over het water lopen, waarbij ze slechts tot de enkels er in wegzakten. Daarop konden ze de reis naar Gelgel voortzetten.

Te Gelgel vestigde zich Nirartha in een kluizenarij. Van de koning ontving hij een voortreffelijke verzorging, terwijl hij van zijn kant telkens met nieuwe maan en met volle maan de koning zijn hulde ging bewijzen. Reeds door de reinheid van de rsi alleen werd Baturenggong gelouterd en nam zijn macht en glorie toe; de rituele reiniging liet hij echter nog niet aan zich voltrekken. Wel vond Nirartha een ijverig discipel in Dawuh Bale Agung.

Deze had zich reeds zevenmaal laten wijden door Balinese bhujangga's, zonder er echter baat bij te vinden; van zijn literaire prestaties in deze periode worden genoemd de gedichten „Wukir Padelegan," „Tan dirgha rinasan" (proza: „Ih aywa dirgha rinasan"), „Sang Siwa manggalangi" (mangga langi?) en „Pupuh sumaguna" (proza: apupuh sum.) (n).

Note: Het is niet geheel zeker, of dit allemaal titels van geschriften zijn; wat het laatstgenoemde betreft, vgl. K.B.W., III, 372b: apupuh sumaguna, v.e. kidung, Was. 25. Er kan dus ook een kwalificatie van een gedicht mee bedoeld zijn.

Nadat hij echter Nirartha tot guru gekozen en van hem de wijding gekregen had, kwamen zijn grote gaven tot volle ontplooiing; hijzelf bezong dat in een lied (sangsipta) „Kadi (w)uta abuburw ing tahen rawwa, lorogro tan pagati" (P.K., IV, 48; proza, fol. 28b: „Kadi utabuburw aning lorogro ikang tahen rawu"). Van de gedichten, die hij vervaardigde na Nirartha's komst in Gelgel, worden genoemd: „Rareng Canggu sawilet," „Wilet mañura/manyura," „Anting-anting timah," „Karas nagara," „Sagara gunung" en „Jagul tuha."

Ook Nirartha legde een levendige literaire werkzaamheid aan de dag; van zijn hand verschenen de gedichten: „Gugutuk menur," „Çara kusuma," „Ampik," „Ewer," „Legarang," „Mahisa langit," „Dharmatattwa" (proza: „Dharma-pitutur"), „Wasisthaçraya," „Añang/Anyang Nirartha," „Mahisa megat kung," „Kawidharma putus" (eventueel: de kakawin „Dharma putus"; proza: kakawya(n) „Dharma putus") en „Usana Bali." (n)

Note: Als auteur van de Anyang Nirartha is hij ook in de latere legende bekend gebleven; hij zou dit gedicht, naar R. van Eck, op.cit., p.124 (Hanjang Lijarta!), vertelt, op zijn ouden dag op Nusa Penida geschreven hebben, toen hij zich daarheen na zijn taak voleindigd te hebben teruggetrokken had. Deze legende dankt vermoedelijk haar ontstaan aan de volksetymologie Penida = Pandita = Nirartha of Bahu Rawuh (cf. Lekkerkerker, Plaatsnamen enz., p.195, noot 1).

(p.28) Van enkele van Nirartha's gedichten wordt verteld, naar aanleiding waarvan ze geschreven zijn. Zo verluidt van het gedicht Çara kusuma, dat Nirartha het schreef als antwoord op het gedicht Smararcana (P.K., IV, 102; Pam., fol. 31a v.l. Smarancana), dat zijn oudere broer, de eerwaarde Asoka (proza: Angsoka), die we nog in hoofdstuk IV zullen ontmoeten, geschreven en hem toegestuurd had. Ook de geschiedenis van de Ampik wordt in enkele woorden medegedeeld (P.K., IV, 155; Pam., fol. 35b-36a): Nirartha maakte dit gedicht na zijn glorieperiode, tijdens de regering van Bekung, die zich niet zoveel aan hem gelegen het liggen als zijn vader Baturenggong; aanleiding was het feit, dat eens een dief bij hem zijn toevlucht gezocht had, voorgevende, dat een stier hem op de horens genomen had.

Dawuh's dank en bewondering jegens zijn leraar uitte zich ook daarin, dat hij hem zijn dochter of één van zijn dochters ten huwelijk aanbood. Nirartha aanvaardde het aanbod, doch behield het meisje niet voor zichzelf, doch gaf ze zijn zoon Wayahan-Ler tot vrouw; uit dit huwelijk werden later geboren Wayahan-Peling en de beroemde Manuhaba (P.K., IV, 51-53; Pam., fol.28b-29a).

Nirartha stierf tijdens de regering van Bekung. Zijn oudste zoon, Agra Kulwan, wiens positie die van primus inter pares schijnt geweest te zijn, volgde hem op als adi (guru, hoofdleraar); hij was het, die aan zijn jongere broeders de wijding gaf, en van wie zijn vader gezegd had, dat hij als het ware niet zijn zoon was, maar zijn guru wesi. Wat met deze laatste term, die alleen in de prozatekst voorkomt (fol. 36b), bedoeld kan zijn, blijkt in het geheel niet uit het verband; misschien is het guru wesi van K. B. W., III, 541b, r. 9, hetzelfde als het guruwasi van dezelfde pagina a r. 12, maar dan zijn we nog niet veel verder; over wasi licht ons genoemde plaats in het K. B. W. en speciaal Pigeaud, diss., p.248, 249 (en zie verder Index s.v. wasi) in. de jongsten van Nirartha's zonen, Ida Patapan, het kind van een door Nirartha verleide of verkrachte (? jinasmara, P.K., IV, 160; Pam., fol. 36a) slavin van zijn Balinese echtgenote, moest op uitdrukkelijk bevel van zijn vader de smet van zijn geboorte blijven aankleven: het was de ouderen verboden (p.29) hem hulde te bewijzen; overigens schijnt hij echter geen uitzonderingspositie ingenomen te hebben (vgl. Friederich, Voorlopig Verslag, II, 17, sub 1.).

Talaga, Wayahan Wetan

Dit was wel het geval met Ida Talaga = Wayahan Wetan, die zijn oudsten broer niet als adi erkennen wilde; terwijl van de overige zoons van Nirartha niets bijzonders te vertellen is, moeten we bij hem even stilstaan. Hij wordt ons in de Pamancangah getekend als een geniale dwaas, een machtig heilige, die zijn sakti gebruikte, zo men wil misbruikte, voor het uithalen van kwajongensstreken.

Koning Bekung gebruikte van hem, toen hij hem eens een gedicht geleverd had, dat bijzonder in de smaak viel, de volgende typerende woorden: „Heer Talaga is een knappe kop; jammer, dat er een streep door hem loopt" (Pam., fol. 45b: prajñan pangeran Tlaga, anging emane buduh-buduhen; vgl. P.K., IV, 292: ingalem dene sri aji, kawijñanira, eman dene tan eling).

Om zijn buitengewone gaven en zijn grote sakti had zijn vader hem als gunst toegestaan, dat hij zou zijn „wiku mapinda walaka" („wiku als leek"; waarschijnlijk is de bedoeling: zonder dat hij de wijding van Agra Kulwan nodig had), en had van hem getuigd, dat zijn verstand dat van al zijn andere kinderen overtrof en dat hij spelenderwijze de sastra's had geleerd. Later kwamen hij en zijn jongere broer Buk Cabe aan het hof, waar de functies van kapper (juru gelung) en spuwdokter (juru sembar, iemand, die zieken geneest door bespuwing) door hen bekleed werden; uit de tekst zou men lezen (Pam., fol. 36b), dat Talaga kapper en Buk Cabe esculaap was, maar vermoedelijk is wel het omgekeerde bedoeld. Hoe lang Talaga het aan het hof uitgehouden heeft, wordt niet verteld.

Wel weten we uit de Pamancangah (fol. 38a, b), hoe aan Buk Cabe's carrière een einde kwam. Hij zat eens op de sitinggil, toen daar een hofdame voorbijkwam met een maal rijst, een geschenk van de koning aan lurah Agung. Buk Cabe kreeg trek, toen hij dat maal in letterlijke zin zijn neus voorbij zag gaan, hield de hofdame aan, en nam een handje rijst en een visje van de schotel af voor zich. Toen lurah Agung dat vernam, rekende hij het zich tot een geluk, dat de brahmaan van zijn maal had willen snoepen; maar de koning verstond geen grappen van dit soort, en was toch in het algemeen niet zozeer van eerbied voor de brahmanen vervuld. Toen Buk Cabe dan ook bemerkte, dat het voorval de koning gerapporteerd was, wachtte hij niet af, tot hij weggejaagd zou worden, maar ging uit eigen beweging heen.

(p.30) Naar aanleiding van deze gebeurtenissen schreef Buk Cabe het gedicht (pralapita = klaaglied) „Mantri kele." Toen Ida Talaga van zijn jongeren broer vernam, waarom hij de dienst verlaten had, stemde hij volmondig er mee in, dat het niet meeviel aan het hof te leven; ook hij was dus blijkbaar voor een hoger doel dan medicinaal spuwen of 's konings haar opmaken in de slendang gedragen.

Talaga's kwajongensstreken worden in de kidung met slechts enkele woorden aangeduid (P.K., IV, 162-164), maar zo, dat men zien kan, dat de dichter op bekende verhalen zinspeelt. Die verhalen geeft de prozaredactie uitvoeriger (fol. 36b-37b); ze worden in een sappig Balinees verteld, en daar de taal van het gehele werk vrijwel overal zichzelf gelijk blijft, slechts in enkele details door het Balinees beïnvloed Middeljavaans is, behalve juist deze verhalen en soortgelijke vertellingen met Manuhaba of Mambal als hoofdpersoon (fol. 50b-54b; vgl. P.K., V, 45-66), zullen we niet ver van de waarheid verwijderd zijn, wanneer we aannemen, dat deze verhalen later ingevoegd of uitgewerkt zijn.

Zo wordt dan b.v. van Talaga verteld, dat hij de aardigheid had om aandeel te nemen in gemeenschappelijke slachtpartijen en dan te doen, alsof hij zijn gedeelte niet betaalde, terwijl hij in werkelijkheid van te voren reeds zijn geld gestort had. Totdat op een goede keer datgene gebeurde, waarom het Talaga eigenlijk te doen was: lurah Pring verzette zich tegen Talaga's manier van doen, die in zijn ogen en in de ogen van anderen een te gemakkelijke methode was om zich een goede portie te verzekeren. Zijn straf bleef natuurlijk niet uit; Talaga's sakti bezorgde hem een opgezette buik, de gewone straf voor een vloekwaardige handeling (K. B. W., I, 423b).

Ook uit de volgende anekdote blijkt een zeer laag-bij-de-gronds vertoon van sakti. Wanneer hij zich baadde, ving hij de straal van de pancuran in zijn mond op en het water uit de aars weer wegvloeien; pas wanneer het verbruikte water geheel rein bleef, hield hij er mee op, want dan was hij gereinigd. Zijn oudere zuster Swabhawa maakte hem er eens een standje over, dat hij de wijding nog niet aangenomen had, hoewel hij er nu de leeftijd wel voor had. Talaga gaf te kennen, dat hij het onderscheid tussen hem en zijn oudere zuster (mbok), die volgens hem maar een „vuile, stinkende wiku" (wiku bangeran cyuta) was, anders aanvoelde. Om haar te bewijzen, dat ook een leek sakti kon hebben, het hij een sirihplant voor de (p.31) ogen van zijn zuster verdord ter aarde vallen, om ze vervolgens op haar verzoek in de vroegere bloeiende staat te herstellen.

Dezelfde minachting, die Talaga jegens zijn eerwaarde broers aan de dag legde, had hij ook voor zijn eigen lichaam; na zijn dood mocht er, zo had hij bepaald, geen uitvaart (pakiriman) voor hem gehouden worden. Swabhawa handelde later volgens dit verzoek; Talaga werd verbrand in Buwitan, en de Unda, die bij die gelegenheid bandjirde, voerde zijn as mee.

Note: De pakiriman bestaat nl. uit het werpen van de as in zee (vgl. B.K.I., deel 83, p.158); hij vond het echter al voldoende, wanneer ze in de Unda, waaraan Buwitan blijkbaar lag of ligt, geworpen werd.

Deze laatste wilsbeschikking nam Talaga als aanleiding om een kidung te dichten, de „Teteken waramarga" (P.K., IV, 164: Teken w.), waarop Swabhawa repliceerde met haar „Duk (r)ing wiku bangeran," hierbij Talaga's eigen woorden gebruikende. Op Talaga's naam staan nog een aantal andere kidungs en lulun-gids, waarvan de Pamancangah ons de volgende bij name noemt (IV, 164-166; fol. 37b): „Ender," „Rangga Uni,'* „Amrtamasa," „Amurwa tembang" (?), „Patol" (proza: „Tol"), „Wilet sih tan pegat," „Saha wiji," „Rareng taman," „Kakangsen," „Rara Kadura," „Kebo Dungkul," „Tepas" en „Caruk (a)mrtamasa," wellicht ook een gedicht „Ana ta sisya."

Note: Met lulun-gids worden kleinere erotische en lyrische gedichten bedoeld, gewoonlijk in tengahan-versmaten.

Blijkbaar was onafhankelijkheid een kenmerk van zijn kunst, onafhankelijkheid, die zich ook zal geuit hebben in het gemakkelijk overschrijden van de grenzen der welvoeglijkheid; de prozatekst vertelt ten minste, dat „hij zich niet geneerde, wanneer men hem een berisping toediende, en goedgehumeurd bleef, zelfs wanneer hij uitgelachen werd."

Dat hij zich soms door zijn sans-gène vijanden maakte, blijkt eveneens uit de tekst, die vertelt, dat Pande eens heel boos was geworden op Talaga, toen deze een niet bij name genoemd liedje gemaakt had, waarin hij zich platte aardigheden veroorloofd had jegens Pande's zwangere vrouw; in een gedicht „Kaya jejenggot ida teka iccha" gaf Pande uiting aan zijn verontwaardiging. Slechts van één gedicht, afgezien van de bovengenoemde Te(te)ken waramarga, vernemen we, naar aanleiding waarvan het geschreven werd; in P.K., IV, 291-292 = Pam., fol. 45a,b, lezen we, dat koning Bekung zó verliefd was op zijn vrouw, Samantiga, dat hij aan Talaga opdroeg aan haar schoonheid een lied te wijden; zo (p.32) ontstond de Caruk amrtamasa, met de beginwoorden „Duh tan sipi ngong tibra sukskan uyung."

Manuhaba

Minder als dichter dan als wijsgeer en rechter verwierf zich Nirartha's kleinzoon Manuhaba een grote naam. Hij wordt weer aangeduid met de titel van Nirartha “sang apalinggih," de hoogeerwaarde of iets dergelijks, een titel, die aan geen van Nirartha's zoons gegeven wordt; ook aan Ida Talaga niet, die zich trouwens ook geenszins als een apalinggih (n) gedroeg.

Note: letterlijk iemand van stand, waardigheid, autoriteit. Ook in Parar. 7,17 zal met sang apalinggih ring Kabalon wel de geestelijke van Kabalon bedoeld zijn, niet de bewoners, zoals Brandes vertaalt.

Maar niet alleen in dit opzicht was Manuhaba Nirartha's opvolger; hij was het ook, die de buitengewone gaven van Nirartha geërfd had, want ook hem worden toegeschreven: kennis van de tarka en van de tarkawyakarana (n) (Pam., fol. 52b), de macht om op magische wijze iets in zijn tegenwoordigheid te brengen of iemand op te roepen (pangawe, N. J. panjipta; van Nirartha vgl. boven), het vermogen om op het water te kunnen lopen (panjalantara; van Nirartha vgl. boven), het vermogen om de zon en een bandjir in hun loop te stuiten (pangret laku ning wwe of rawi resp. lwah of guntur agung; vgl. P.K., IV, 125, Pam., fol. 33a, waar het behoort tot de dingen, die Baturenggong van Nirartha geleerd had), de magische paardendressuur (açwaçiksa; van Nirartha vgl. boven), helderziendheid (butul panon) en kennis van de dharmopapati (lett. dharma-rechter, goed rechter, vandaar goede en wijze rechtspraak; de bedoeling is: hij had een Salomons oordeel).

Note: Het is geenszins onmogelijk, dat met tarka en tarkawyakarana hier hetzelfde bedoeld is. Voor beide termen zij men verwezen naar J. Kats, Sang hyang Kamahayanikan, de Haag, 1910, p.99, en naar Winternitz, Geschichte der indischen Litteratur, III, 474- Hier wordt intussen met de woorden waarschijnlijk geen vak van wetenschap of punt van meditatie meer bedoeld, maar een mantra (toverspreuk). De Javaanse tekst van de merkwaardige passage over Manuhaba vindt men in K. B. W., II, 595.

Verder oefende hij kalmerende en bedwingende invloed uit op krankzinnigen, op amokmakers en ook op de dieren. In de prozaredactie vindt men een aantal anekdoten om de uitwerking van een aantal van deze eigenschappen te illustreren; zoals boven reeds is opgemerkt, treedt het Balinees in de taal van deze stukken sterk op de voorgrond, en hier vooral krijgt men de indruk, dat de anekdoten latere invoegsels zijn om de strekking van de woorden, die Manuhaba's eigenschappen aanduiden, nader te verklaren.

Zo wordt dan verteld, dat hij en zijn boezemvriend Ida Talaga eens stieten op (p.33) een bijenzwerm, die de weg versperde; Ida Talaga wilde liever een omweg maken, maar Manuhaba liep door en de bijen deerden hen niet. Evenmin het hij zich op een anderen keer afschrikken door de waarschuwing van de mensen, dat een amokmaker de weg, die hij gaan wilde, onveilig maakte; in plaats van hem kwaad te doen, kwam de man zich rustig voor hem neerbuigen. Als rechter legde hij beklaagden niet de zuiveringseed op, maar dwong hen, indien zij schuldig waren, door hen op magische wijze te pijnigen tot een bekentenis. De ingewikkeldste rechtsgevallen wist hij op te lossen, en hij sprak recht zonder aanzien des persoons.

Zijn helderziendheid bleek eens, toen iemand een schat opgegraven had en daarvan mededeling deed aan hem; hij prevelde een mantra en dadelijk vertoonde zich de eigenaar. Deze gave van helderziendheid was herhaaldelijk van praktisch nut voor Manuhaba zelf en voor zijn vrienden. Voor hemzelf, omdat zijn vrouw b.v. nooit stilletjes geld kon achterhouden en wegstoppen, zonder dat hij er van afwist, en ook, omdat hij tijdens de grote opstand van Pande Bhasa, die het gehele land in rep en roer bracht, rustig aan het ploegen kon blijven, omdat hij toch wist, hoe het af zou lopen.

Voor zijn vrienden in gevallen als het volgende: de eerwaarde heer van benoorden de bergen (Ler ing gunung = Buleleng) werd eens nagezet en in het nauw gebracht door zijn vijanden; Manuhaba, die, hoewel hij op dat ogenblik juist in Gelgel was, zag, wat er ginds gebeurde, het toen de vervolgers plotseling stijf staan („in de houding van iemand, die juist een ladder gaat bestijgen"), zodat de vervolgde vriend gered was.

Ook in andere opzichten hielp hij zijn vrienden vooruit; toen eens een vriend van hem gepakt en gezakt naar Manuhaba toog om de heilige een bezoek te brengen, bewerkte deze, natuurlijk van het begin af aan op de hoogte van de plannen van de ander, dat de wandelaar, die pas na de middag op weg gegaan was, nog vóór zonsondergang zijn doel bereikte en aldus in zes uur een weg aflegde, waarvoor hij in normale omstandigheden twee etmalen zou nodig gehad hebben.

Een klein kunstje was het voor Manuhaba een nooit overwonnen vechthaan de strijd met zijn eigen, nog ongetrainde haan te laten verliezen, of om zijn zoon, die met het plan rondliep zijn overspelige moeder te krissen, de volvoering van zijn plan te beletten. Zo groot was Manuhaba's macht.

Hij presteerde echter meer op het gebied der magie, dan op dat der dichtkunst, want als werken van zijn hand worden (p.34) slechts genoemd de Parwasari, de Tabanansari en de Balisanghara. De beide eerste gedichten waren susumbungs, snoefliederen, gloriezangen, en hadden betrekking op een expeditie tegen Parwa op Lombok, waaraan Manuhaba deel had genomen, en waarbij Munang, een broer van Tegeh Kori en zelf heer van Tabanan, gesneuveld was.

Aan het laatstgenoemde gedicht is het volgende verhaal verbonden. Toen Manuhaba het vervaardigd had, vertelden hofdames de koning, dat Manuhaba een gedicht gemaakt had op de ondergang van zijn rijk. Begrijpelijkerwijze was de koning boos, en één van de dames kreeg opdracht Manuhaba uit zijn naam een standje te gaan geven. Deze legde de dame echter uit, dat zijn lied aan een „keur (sanghara) van helden (bali)" gewijd was, volmaakt onschuldig dus; de dames hadden ten onrechte de titel opgevat als „ondergang (de gewone betekenis van sanghara) van Bali." Bevreesd voor de priestervloek, het de koning toen dadelijk zijn excuses aan de heilige aanbieden en hem een som van 20.000 (duiten) brengen „om sirih te kopen," welk geld Manuhaba volgens zijn gewoonte dadelijk weer uitgaf voor een feestmaaltijd.

Minder dan in de familie van Nirartha bleef in de familie Dawuh de dichtkunst in ere. De belangstelling van Pande Bhasa concentreerde zich meer op de politiek dan op de studie der letteren; het enige gedicht, dat van hem genoemd wordt behalve het hierboven reeds genoemde gedicht tegen Ida Talaga, bestrijkt dan ook het veld der politiek, de Nathamartha, die hij schreef, toen hij voor de noodzaak geplaatst was om zijns ondanks tot opstand tegen de koning over te gaan, met de wissen dood in het vooruitzicht. Zijn zoon Wayahan Byasama antwoordde er op met een bij de Nathamartha aansluitend gedicht, waarin hij zinspeelde op de verkieselijkheid van het sneuvelen op het slagveld (P.K., IV, 208-209; Pam., fol. 41a).

Nog slechts één gedicht wordt behalve de tot dusverre opgesomde in de Pamancangah (fol. 66b) vermeld, buiten alle verband met het voorafgaande: de Dalang Samirana, die (door wie?) gedicht werd naar aanleiding van het feit, dat de zoon van de adoptiefzoon van ki Suladri tot pungakan van de Bancingah verheven werd door koning Di Made van Gelgel, zijn schoonvader (zie hierover beneden, hoofdst. IV).

Men kan zich nu afvragen: wat heeft men aan bovenstaande bijzonderheden? Voorop wil ik stellen, dat ik de literaire (p.35) gegevens, die de Pamancangah bevat en die ik in het bovenstaande heb medegedeeld, hier heb laten staan in hun entourage van anekdoten en wonderverhalen om de beoordeling er van zuiverder te doen zijn. Het maakt natuurlijk een groot verschil uit, of men zegt: „De Añang/Anyang Nirartha, de Ender, de Balisanghara enz. enz. zijn geschreven in de loop van de zestiende eeuw door Nirartha, Dawuh Bale Agung, Ida Talaga, Ida Manuhaba enz.," of dat men zegt: „In een cyclus van verhalen en anekdoten omtrent wonderdoeners uit de ouden tijd komt een opsomming voor van gedichten, die aan hen worden toegeschreven." Zonder vooroordeel en met een nuchtere beschouwing van de beschikbare gegevens moet het hierboven verstrekte materiaal gewaardeerd worden. Men heeft zich daarbij te hoeden voor het gevaar van ongemotiveerde minachting van de historische tradities van volken, van wie bronnenkritiek een onbekende werkzaamheid is, in casu van Javaanse en Balinese tradities.

Ook wanneer we bij sommige verhalen de ervaring hebben opgedaan, dat ze hopeloos bezijden de waarheid zijn, zoals b.v. in het geval van de babad-traditie omtrent Java's oudste geschiedenis, dan mogen we toch niet generaliseren en soortgelijke werken van soortgelijke waardestempels voorzien. Elk nieuw gegeven moet op zichzelf beoordeeld worden, waarbij niet de traditie moet bewijzen, dat ze juist is, maar wij casu quo, dat ze onjuist kan zijn of is. Wel moeten we natuurlijk algemene omstandigheden bij onze beoordeling mee laten spreken, maar we mogen niet, zoals we bij Westerse bronnen zouden doen, de betrouwbaarheid van een fragment a priori verwerpen, omdat dezelfde schrijver in een ander fragment onjuiste of soms zelfs opzettelijk vervalste mededelingen doet (ten behoeve van een literair effect b.v.). Deze beschouwing is hier wellicht niet overbodig, omdat er onder de lezers van bovenstaande verhalen zouden kunnen zijn, wier beoordeling er van bepaald werd door het totaal in plaats van door de details.

Bij het zich vormen van een oordeel over de waarde der hierboven medegedeelde literaire gegevens uit de Pamancangah heeft men aan drie zaken zijn aandacht te wijden: 1) aan de tijd van vervaardiging, 2) aan de stof en 3) aan de auteurs.

1). Volgens de Pamancangah bestond er reeds een zekere literaire activiteit in Gelgel voor Nirartha's komst (Wukir Padelegan o.a.; zie hierboven), die zeer belangrijk toenam (p.36) door Nirartha's invloed en in elk geval bestaan bleef onder de twee generaties, die op die van Nirartha en Dawuh Bale Agung volgden. Om het tijdstip van Nirartha's komst op Bali bij benadering vast te stellen, beschikken we over twee gegevens:

a. het jaartal van Pande Bhasa's dood in Pam., fol. 44a, en b. de mededeling in cod. 5243 (zie hierboven, onder h 3, slot), die vermoedelijk jonger is dan de Pamancangah, dat Nirartha naar Bali kwam, omdat hij niets wilde weten van de op Java veld winnende Islam.

Voor Pande Bhasa's dood is hierboven naar aanleiding van de vermelding van de vervaardiging van de Arjuna Pralabdha reeds opgegeven: omstreeks 1580 A. D.; de Pamancangah geeft de sengkala „sawang çunya/sunya manca dewa" = 'rijksgroten en koning zagen er triest uit' (nl. wegens de grote verliezen, waarop Pande's opstand hun was komen te staan); hierin is dewa = 1, manca = 5 (wegens panca, dat in v.l. 4361 gelezen wordt), çunya = o en sawang m.i. = 3, als synoniem van Javaans kaya = evenals, gelijk, dat de getalwaarde 3 heeft (Ju., Wrdl., s.v.) [wegens Sk. kaya, dat men in de samenstelling trikaya (Ju., Wrdl., s.v.; K. B. W., H, 313b) kent]; de sengkala levert dan op 1503 Saka = AD 1581.

Van der Tuuk leest de sengkala in margine cod. 4361, p.31, als 1057; vermoedelijk wordt 1507 bedoeld, maar het is mij niet duidelijk, waarom v. d. Tuuk sawang = 7 neemt; in het K. B. W. wordt geen getalwaarde van sawang opgegeven. Eerder zou sawang nog = 2 kunnen zijn, wegens anawang, N. J. njawang = zien, aanschouwen = anon (Parar., p.341a), of = 1, wegens sawang uiterlijk, gedaante = rupa; de resultaten zijn dan 1502 en 1501 C. = 1580 en 1579 A. D.; de afwijkingen zijn, daar het om het cijfer van de eenheid gaat, gelukkig niet belangrijk.

In dat jaar nu was Byasama, Pande's oudste zoon, die met hem sneuvelde, reeds getrouwd met een dochter van hyang Taluh, heer van Sidemen, en had bij haar een zoontje. Dawuh Bale Agung was toen dus overgrootvader en zal eer ouder dan jonger dan 60 jaar geweest zijn; laat ons zeggen, dat hij van ± 1520 tot kort na 1581 geleefd heeft. Hoe oud Dawuh was, toen hij met Nirartha kennis maakte, blijkt niet duidelijk; hij had toen echter een dochter, die met Nirartha had kunnen trouwen, als deze gewild had. Nirartha schonk ze, zoals we boven reeds gezien hebben, tot vrouw aan zijn zoon Wayahan Ler, en de tweede zoon (Ketut) van dit echtpaar, Manuhaba, was ten tijde van Pande's (p.37) opstand volwassen (vgl. beneden, hoofdstuk IV). Vermoedelijk zal dus Nirartha omstreeks AD 1550 op Bali gekomen zijn, en kunnen we de boven bedoelde periode van literaire activiteit stellen op van ± 1550 tot ± 1600, terwijl ze eventueel in haar geheel iets vroeger gesteld kan worden.

De conclusie, dat Nirartha omstreeks 1550 naar Bali gekomen kan zijn, is heel goed in overeenstemming te brengen met ons tweede gegeven. In cod. 5243, fol. 2a, lezen we:

„Wekasan alah wwang ing Yawa mwang ing Majapahit, agama selam. Ana sira mpu Smaranatha, apuspata Nirartha waneh, sira angabali, awedi nggama selam"

In vertaling: „Ten slotte gingen de lieden van Java en van Majapahit onder en (kwam) de Islam (op). Nu was er een zekere mpu Smaranatha, ook Nirartha geheten (n); deze kwam naar Bali, omdat hij bang was voor de Islam."

Note: De heer Lekkerkerker liet mij een boekje zien, waarin een verhaal voorkwam, volgens hetwelk Smaranatha Nirartha's vader was.

Dit motief voor Nirartha's emigratie wordt niet in de Pamancangah opgegeven; blijkbaar hebben we hier te doen met een jongere overlevering, waarop ook de gelijkstelling van Smaranatha, de uit de Kidung Sunda en de Pamancangah bekenden huispriester van Hayam Wuruk, met Nirartha wijst.

Toch is het niet onmogelijk, dat cod. 5243 inderdaad de juiste reden van Nirartha's komst naar Bali opgeeft, of laat ons liever zeggen, toch een oude traditie weergeeft. Aanleiding om Pasuruhan te verlaten kunnen heel goed de aanvallen geweest zijn, waaraan dit rijkje omstreeks het midden van de 16de eeuw blootstond van de zijde van het Mohammedaanse Demak; zo wordt voor 1546 een beleg van Pasuruhan vermeld, dat echter geen succes had (Krom, Gesch., p.463).

Dat Nirartha ook Blambangan zou verlaten hebben uit vrees voor de Islam, is niet waarschijnlijk, daar „wij bij de val van het Siwaïtische Balambangan reeds ver in de geschiedenis van de Compagnietijd zijn" (Krom, Gesch., p.464), maar voor deze hernieuwde emigratie geeft nu de Pamancangah dan ook als reden op een twist met de vorst van dat land. Het is niet ondenkbaar, dat de schrijver van de Pamancangah opzettelijk de oorzaken van de eerste verhuizingen van Nirartha verzwijgt. Het is een mogelijkheid naast de hierboven besprokene.

2) Een aantal van de gedichten, die de Pamancangah bij name noemt en waarvoor we uit dit geschrift als tijd van vervaardiging de periode van ± 1550 tot ± 1600 of iets vroeger (p.38) meenden te mogen vaststellen, vindt men terug in de handschriftenverzameling van de Leidse Universiteitsbibliotheek; van bijzonder belang voor ons doel is cod. 5025 (Ju., Cat., I, 230-231), die ruim 40 verschillende liederen bevat, waaronder wij een aantal van de hierboven reeds genoemde gedichten terugvinden en die in de meest verschillende, zeldzame tengahan-maten gedicht zijn, ook daarom zeer interessant.

Zo worden we aan het allereerst genoemde gedicht, de Wukir Padelegan van Dawuh Bale Agung, herinnerd door No. 7 van de collectie, waarvan Juynboll zegt: lulungid, in het metrum wukir padlegan. In een geval als dit bestaan er twee mogelijkheden: of we hebben hier inderdaad te doen met het gedicht, dat in P.K., IV, 46 (Pam., fol. 28a, b) genoemd wordt, en dan wordt daar bedoeld de lulungid (lyrisch gedicht) zonder bepaalden naam, maar in de versmaat Wukir Padelegan, of de lulungid van cod. 5025(7) is een ander werk, en in dat geval moeten we ons waarschijnlijk voorstellen, dat de aanduiding „metrum: wukir padelegan" wil zeggen: „gedicht in dezelfde versmaat als waarin (Dawuh Bale Agung's) Wukir Padelegan geschreven is."

Hoewel we voor dit geval er geen bepaalde aanwijzing voor hebben, aan welk van de beide mogelijkheden de voorkeur te geven is, zou ik geneigd zijn de laatste aannemelijker te achten, omdat ons uit P.K., IV, 165 (Pam., fol. 37b) een kidung Rangga Uni bekend is, welke naam we tweemaal terugvinden in cod. 5025 als naam van een versmaat, nl. in No. 15 en No. 20, en uit P.K., IV, 49 (Pam., fol.28b) een kidung Rareng Canggu sawilet (saha wilet), waarnaast we in cod. 5025(3) een versmaat Rareng Canggu wilet hebben (niet door Juynboll opgegeven); in al deze gevallen heeft het gedicht zelf een anderen naam. De namen der metra van No. 6, Kebo Dungkul, en No. 9, Lagarang, vinden we terug als die van kidungs in P.K., IV, 166 resp. 50 (Legarang) (Pam., fol. 37b resp. 28b); in No. 27 vinden we een versmaat Wargasari, in Ju., Cat., I, 250 een kidung Wargasari. Van de naam van de versmaat van No. 25, Caruk Wukir Kawi, vinden we de stukken elders terug, Caruk in Caruk (A)mrtamasa (P.K., IV, 166, 292; Pam., fol. 37b, 45b) en Wukir Kawi als naam van een kidung (K. B. W., II, 208b: (w)ukir kawi, nm. van een lied door de sangjang's gezongen). Ook de kidung Wukir Polaman, die volgens Pararaton 24,33 en Rangga Lawe, VII, 142 door Jaya Katwang gemaakt zou zijn tijdens diens gevangenschap, heeft naast zich een versmaat van die naam (volgens de opgave van J. Kunst, (p.39) C. J. A. Kunst-v. Wely, De Toonkunst van Bali (Weltevreden, 1925), Tab. IV, 15, 41.

Vermoedelijk zijn dus de namen van een aantal tengahan-maten ontleend aan de titels der gedichten, waarin ze het eerst gebruikt zijn; verder onderzoek in deze materie zou wel van enig belang zijn, omdat het licht kan doen vallen op de tot nog toe zo duistere geschiedenis der Javaanse versmaten en hun namen. Uit het voorgaande mogen we wel reeds concluderen, dat er nog in vrij recente tijd tengahan-maten bijgemaakt werden, al waren het slechts variaties op een oud gegeven.

Keren we nu terug tot de gedichten, waarvan ons de namen in de Pamancangah genoemd worden. Van de werken van Dawuh Bale Agung zijn ons behalve de hierboven reeds vermelde Wukir Padelegan en Rareng Canggu sawilet nog de Wilet mañura/manyura bewaard gebleven (cod. 5025(28)) en de Arjuna Pralabdha, niet te vergeten (zie hierboven, begin hoofdst. I). Naast het gedicht Jagul tuha komt Jagul anom als naam van een versmaat voor (K. B. W., IV, 428b); in de Nieuw-Javaanse literatuur komt een gedicht Djoegoel Moeda voor (Vreede, Cat., p.343; vgl. 339, 372), waarvan de titel doet denken aan dit Jagul anom. Of het pupuh sumaguna van P.K., IV, 46 (Pam., fol. 28b: apupuh sum.) werkelijk als eigennaam opgevat kan worden, is niet zeker; in Waseng 25 komt het, volgens K. B. W., III, 372b, voor als kwalificatie van een kidung (= goed metrisch).

Ook van Nirartha's werken is ons het een en ander bewaard gebleven. Naast de Gugutuk menur vinden we weer gutuk menur als naam van een versmaat (K. B. W., IV, 724b). De Cara kusuma en de Ampik zijn opgenomen in cod. 5025 resp. als No. 10, 32; over de Legarang zie boven. Mahisa langit is weer zowel de naam van een gedicht (Ju., Cat., I, 278) als van een versmaat (K. B. W., IV, 490a, waar verschillende schemata er van gegeven worden); opmerkenswaardig is hier zeker bij, dat èn gedicht èn versmaat tot de macapat-groep behoren, in overeenstemming dus met het boven geuite vermoeden. Tot Nirartha's geschriften behoren verder de bekende werken Añang Nirartha en Usana Bali, twee kakawins, waarover men bijzonderheden vindt bij Ju., Cat., I, 173-176 en 172- 173; voor de Usana Bali zie ook hierboven onder h 1 (Inleiding). Van de overige werken van Nirartha, die de Pamancangah opnoemt, heb ik niets teruggevonden; daarentegen mogen we in cod. 5025(37), de Smararancana, wel de aan Nirartha's (p.40) broer Asoka toegeschreven Smararcana of Smarancana herkennen. Niet in de opsomming van de Pamancangah komt voor de kidung Manuk-abha (Ju., Cat., I, 235, II, 500; vgl. I, 167 voor de kakawin), die blijkens de colofon van cod. 5350 (Ju., Cat., II, 500) door Nirartha vervaardigd is of althans in AD 1776 aan hem toegeschreven werd. Verder zou men op de naam af kunnen gissen, dat hij de auteur is van de Nirarthaprakrta.

Ida Talaga's gedichten Rangga Uni, Kebo Dungkul en Caruk (a)mrtamasa zijn hierboven reeds ter sprake gekomen. Zijn Teteken waramarga, Amrtamasa, Wilet sih tan pegat en Rara Kadura vinden we terug in cod. 5025, nl. de Nos. 19, 20 (indien ten minste niet de kakawin Mrtamasa bedoeld wordt, die K.B.W., IV, 536b vermeldt), 41 en 8. Heel bekend is ook zijn Ender, een Middeljavaanse (Ju., Cat., III, 79, sub cod. 5345) Uilenspiegelvertelling (Ju., l.c, p.78-79).

Talaga's overige werken heb ik nergens teruggevonden, evenmin als Swabhawa's Duk ing wiku bangeran of een van Manuhaba's werken. Wel is nog bekend Pande Bhasa's Nathamartha, indien we dit werk althans gelijk mogen stellen aan de Nathamahartha van cod. 5025 (12), waartegen wel geen bezwaar zal bestaan. Het op zichzelf staande gedicht Dalang Samirana was blijkbaar nog bekend in de tijd van v. d. Tuuk; hij noemt ten minste in K. B. W., III, 328a een gedicht D. Samarana.

Nu is de taal van deze stukken zuiver Javaans; die van de lyrische stukken van cod. 5025 is een niet gemakkelijk verstaanbare kunsttaal, die slechts door wat nieuwere vormen afwijkt van de taal der Oudjavaanse kakawins. We kunnen ons nu ten aanzien van de eerste twee van de drie hierboven gestelde punten van onderzoek afvragen: „Is hetgeen de Pamancangah mededeelt over het vervaardigen van Javaanse poëzie op Bali in de periode van ± 1550 tot ± 1600 in het algemeen betrouwbaar?" Het antwoord op deze vraag mag m.i. stellig „ja" luiden. De argumenten, die voor deze mening kunnen worden aangevoerd, zijn nog niet talrijk, kunnen dat ook niet zijn, zolang het grootste gedeelte van de oudere Javaanse literatuur nog slechts in handschrift toegankelijk is, en men voor de literatuurgeschiedenis belangrijke details slechts incidenteel ontmoeten, niet systematisch opzoeken kan; de catalogi geven uit de aard van de zaak slechts oppervlakkige inlichtingen. Maar die weinige argumenten, die aan te voeren zijn, zijn dwingend: kakawins als de Usana Bali (Mayantaka), (p.41) die over Balinese lokale geschiedenis handelt, en de Wawatekan van cod. 3891(2) (Ju., Cat., I, 178-180), die dezelfde stof in anderen vorm bevat, kunnen niet op Java geschreven zijn. En een stuk als deze Wawatekan kan ook niet vóór 1550 A. D. geschreven zijn om zijn inhoud, die voor een groot gedeelte betrekking heeft op gebeurtenissen na de val van Gelgel, na 1650 dus. Ook onze Pamancangah, waarvan de kidung-redactie slechts hier en daar Balinismen vertoont, dateert om dezelfde reden van na 1650. Wanneer nu op Bali na 1650 nog Javaanse werken geschreven zijn, dan is dat a fortiori mogelijk voor de periode van 1550 tot 1600.

3°. Omtrent het derde der hierboven genoemde punten kan ik kort zijn. In het algemeen is de Javaanse literatuur, met uitzondering der oudste kakawins, nogal onpersoonlijk, als literatuur van een tijd, waarin de persoon van minder belang was dan de gemeenschap, als Middeleeuwse literatuur. Wanneer daarom een groep gedichten zeer positief op naam van enkele personen gesteld wordt, verdient die mededeling op zichzelf reeds geloof, omdat men dan blijkbaar een bijzonderheid mee wil delen. Het in de Pamancangah aan Nirartha toegekende auteurschap van de Añang/Anyang Nirartha en van de Usana Bali wordt uitdrukkelijk bevestigd door deze geschriften zelf; in de Usana Bali noemt de schrijver zich Nirarthaka, in de Añang Nirartha Nilarta (K. B. W., I, 521; Ju., Cat., I, 173, waar men i.p.v. p.21 leze: p.521).

Van de anderen kant is het natuurlijk wel mogelijk, dat later een aantal gedichten gesteld zijn op naam van iemand, die zich reeds beroemdheid als dichter verworven had. We kunnen, geloof ik, de juistheid van de mededelingen van de Pamancangah betreffende het auteurschap van bovengenoemde gedichten wel aanvaarden, zolang niets op het tegendeel wijst. Deze kwestie is trouwens veel meer van ondergeschikt belang dan het onder 1) en 2) behandelde.

Gelgel zal in deze periode van 1550 tot 1600 waarschijnlijk wel het centrum der literaire werkzaamheden geweest zijn; maar daarover ontbreken gegevens.

Met het afbakenen van deze periode van 1550 tot 1600 wil geenszins bedoeld worden, dat de jaren 1550 en 1600 grensjaren zijn, doch slechts, dat we op grond van de gegevens in de Pamancangah die tijd een bloeiperiode kunnen noemen. Dat we ook na 1600 beoefening der Javaanse letteren op Bali (p.42) hebben, blijkt uit het bestaan van de kakawin Wawatekan en de Pamancangah, en in ruimere zin uit vele colofons, die jaren in de 17de en 18de eeuw vermelden in datums van afschrijving van talrijke werken.

Of we ook vóór 1550 literaire activiteit aan kunnen nemen, en hoe lang vóór 1550, is een vraag, die niet zo gemakkelijk te beantwoorden is en die nauw samenhangt met de vraag, van wanneer de Javaanse kolonisatie op Bali dateert. De beantwoording van deze vraag hoort niet in dit hoofdstuk thuis; zie hierover hoofdstuk IV.

Maar wel kan hier reeds aangestipt worden, dat we voornamelijk met twee opvattingen rekening hebben te houden:
1) de Europese opvatting, zoals deze laatstelijk nog tot uiting is gekomen in Dr. N. J. Kroms Hindoe-Javaansche Geschiedenis ('s-Gravenhage, 1926), dat de toenemende macht van de Islam in het kerngebied van het Majapahitsche rijk de aanhangers van het in het nauw gebrachte Hindu-Javanisme, speciaal „de traditioneele dragers der Javaansche beschaving", genoodzaakt heeft tot uitwijking Oostwaarts met Bali als definitief toevluchtsoord, waar echter „een sterke instrooming… reeds in het begin van de zestiende eeuw (moet) gekomen zijn" (Krom, Gesch., p.463, 464, en p.201-210 van het op p.464, noot I, vermelde Het oude Java en zijn kunst, Haarlem, 1923);
2) de Balinese opvatting, zoals deze tot uiting komt in hun historische tradities, dat de Javaanse kolonisatie reeds plaats gevonden heeft in het bloeitijdperk van Majapahit tijdens de regering van Hayam Wuruk. Op het belang van deze kwestie voor de Javaanse literatuurgeschiedenis moge hier nog even de aandacht gevestigd worden.

Ad 1) De laatste berichten omtrent de beoefening der letterkunde op Java hebben we uit de bloeitijd van Majapahit; uit 1365 hebben we de Nagarakretagama, waarin nog verschillende andere werken van Prapanca en van enigen van zijn tijdgenoten vermeld worden, en uit ongeveer dezelfde tijd de beide werken van Tantular, Arjunawijaya en Purusadasanta (vgl. Krom, Gesch., p.420). Prapanca vermeldt voor zijn tijd het vervaardigen van sloka’s, wacawacans (Kern: leesstukken; Krom: proza), prasasti's (lofdichten, ook stotra's genoemd) en gita's (liederen) in Nag., XCIII, 2, en van kakawins en kidungs in Nag., XCIV, 4. Voor de volgende periode hebben we alleen de mededeling in het Chronologisch Overzicht in de Pararaton-editie, p.246, 247: 1419 en 1435 A. D., handschriften van de (p.43) Sanghyang hayu (n), en dan weten we verder van de literatuurgeschiedenis van Java niets, totdat de eerste geschriften van het Mohammedaanse tijdvak verschijnen, het boek van Bonang, uitgegeven door B.J.O. Schrieke (Leidsche diss.; Utrecht, 1916), en de tekst van Gunning-Kraemer, uitgegeven door J. G. H. Gunning (Leidsche diss.; Leiden, 1881), vertaald en besproken door H. Kraemer (Leidsche diss.; Leiden, 1921).

Note: Handschriften van het Bataviaasch Genootschap; in de eerste Pararaton-editie wordt vermeld, dat ze uit de Priangan zijn. We leren hieruit natuurlijk eer iets van de verspreiding der Oudjavaanse literatuurproducten dan van het jaar van vervaardiging van dit werk. Ook de Leidse collectie bezit een exemplaar, vermoedelijk een kopie van één der beide Bataviasche exemplaren (cod. 4463; Ju., Cat., II, 281).

Verder het origineel van de Niti Sroeti, dat op naam van Pangeran Karang Gayam staat en uit Jav. jaar 1513 (= eind 16de eeuw A. D.) dateert (zie Vreede, Cat., p.271). Misschien behoren hiertoe ook de z.g. Soeloeks, die de Javaanse traditie op naam van de Walï's stelt.

Florissant zal het letterkundige leven op Java in de vijftiende eeuw, de periode van het onverwachte, snelle verval van Majapahit, niet geweest zijn; daarvoor zal de politieke beroering te groot geweest zijn. Volgens de eerste van de beide bovengenoemde opvattingen nemen dan de uitwijkende of vluchtende Hindu-Javanen tussen 1500 en 1525 hun geestelijk bezit mee naar de Oosthoek en naar Bali; op Bali ontwaakt kort daarop de belangstelling voor de pas ingevoerde letterkundige schatten en omstreeks 1550, wellicht iets vroeger, vinden we er, naar boven vastgesteld is, een intensieve werkzaamheid op literair gebied. Dat kan.

Men kan zich verbazen over het feit, dat dan in zo korte tijd Javaans verval tot Balinese bloei geworden is, men kan zich afvragen, hoe ter wereld het toch mogelijk is, dat in de korte periode van 1525 tot 1600 die geweldige kloof tussen Oudjavaanse en Nieuwjavaanse letterkunde en historische traditie ontstaan kan zijn, hoewel we toch weten, dat de zestiende eeuw voor de geschiedenis van Java niet veel rumoeriger geweest is dan de vijftiende, over het geheel genomen, en dat het de Moslims niet aan adaptatievermogen ontbroken heeft (Krom, Gesch., p.451, 452), men kan het ten slotte vreemd vinden, dat van de Damar Woelan-historie, die volgens Brandes' opvatting (Parar., p.181 sqq.) op de Paregreg, de grote oorlog tussen Majapahit en het rijk van Wirabhumi (1403-1406), teruggaat, en in elk geval zuiver-laat-Majapahitsche tradities bevat, geen spoor in de oudere Balinese geschiedverhalen (p.44) gevonden wordt (naar v. d. Tuuk in K. B. W., II, 517b, meedeelt, is deze roman pas in zeer recente tijd van Java naar Bali gekomen), maar men kan niettemin de mogelijkheid van de sub i° genoemde opvatting aanvaarden. Maar laat ons nu eens uitgaan van de tweede opvatting, die van de Balinese traditie.

Ad 2°. In de bloeitijd van het Majapahitsche rijk vestigt zich een kolonie van Majapahitsche Javanen onder leiding van een aantal rijksgroten op Bali, dat wel reeds eeuwenlang de invloed van de Hindu-cultuur ondergaan had en voortdurend met Java in contact geweest was, herhaaldelijk zelfs deel uitgemaakt had van een Javaans rijk, maar niettemin een eigen bestaan gevoerd had. De leider van de kolonie, de heer van Kapakisan, uit Kediri afkomstig, sticht een kraton in Samprangan, welke later door die van Gelgel in belangrijkheid overtroffen wordt. Zowel de heer van Samprangan als die van Gelgel blijft de koning van Majapahit als opperheer huldigen. De kraton van Gelgel is ingericht naar Majapahits model; de rijksgroten zijn trots op hun Javaanse afkomst. Gelgel wordt een centrum van javaniserende invloed op Bali.

Wat spreekt meer vanzelf, dan dat hier ook de literaire tradities hoog gehouden worden? Moge de kolonie al zelf de invloed van de Balinese omgeving gaan gevoelen, in de gedichten handhaaft men zoveel men kan de taal van het moederland.

Als we deze voorstelling van het verloop der dingen aanvaarden, wordt ons veel duidelijker. Op Bali kon zich de Javaanse letterkunde reeds in de vijftiende eeuw rustiger dan op Java zelf ontwikkelen onder het veilige bestuur van de vorsten van Gelgel; naarmate Java aan betekenis verloor, won Bali automatisch aan belang voor de beoefening der Javaanse letteren, en vermoedelijk zal na 1450 het zwaartepunt wel in Bali gelegen hebben. Nieuws bracht de Balinese afdeling niet; naar wij uit de Nagarakretagama vernamen, bestonden alle bekende genres van Oudjavaanse literatuur reeds in Majapahit in de dagen van Prapanca. Maar vermoedelijk zal op Bali veel meer belangstelling geschonken zijn aan de kidungs dan in Majapahit het geval was. In Majapahit werden deze literatuurproducten op de achtergrond gedrongen door de kakawins (vgl. Pigeaud, diss., p.238); de Mpu's, die ambtshalve reeds het Hindu-element in de Hindu-Javaanse samenleving protegeerden en dus de Hindu-kakawins de voorkeur (p.45) gaven boven de Javaanse kidungs - alle bekende kakawin-auteurs zijn mpu's -, bekleedden in Majapahit een aanzienlijke positie.

Men krijgt echter de indruk, dat in Gelgel meer de ridderstand op de voorgrond trad. Bracht dat een verhoogde belangstelling voor de ridderromans, de Panji-verhalen, met zich mee? Was de manguri, die, zoals we hierboven reeds zagen, ook in de Nagarakretagama (XCI, 2) met kidungs in verband gebracht wordt, speciaal kidung-dichter, in tegenstelling met de mpu's? Vragen, die voorlopig wel vragen zullen blijven.

Terwijl zich op Bali dus de Javaanse letteren rustig ontwikkelden, speciaal beoefend door de manguri, tot in het midden van de zestiende eeuw ongeveer Nirartha ze nog tot hoger vlucht bracht, kwijnden ze op Java. Wat op Bali gedijde, verwerd op Java. Het proces van omvorming, waarvan de Nieuwjavaanse letterkunde en historische traditie het resultaat geworden zijn, begon dadelijk nadat het Majapahitsche rijk zijn hoogtepunt overschreden had; de kloof gaapt niet tussen 1525 en 1600, maar tussen 1389 en 1600; het Nieuwjavaanse element wortelt niet in de Demakse en Pajangse overgangstijd, maar in de vervalperiode van Majapahit. Toen de duisternis, die over deze periode (van 1389 tot 1600 nl.) van de Javaanse afdeling der Javaanse literatuurgeschiedenis hangt, opklaarde, bezat deze de Damar Woelan-roman, geboren en gegroeid na het zelfstandig worden der Balinese afdeling en dus op Bali niet bekend, maar was er daarentegen een grote hoeveelheid van het oude literatuur bezit verdwenen.

Aanvaarden we de tweede der beide hierboven als mogelijkheden gegeven opvattingen, dan lokaliseren we daarmee de z.g. Middeljavaanse literatuur, voor zover ze niet reeds behoort tot het eerste gedeelte van de Majapahitsche tijd (uiterlijk tot 1389), op Bali. En mijns inziens verdient de tweede opvatting, waartegen eigenlijk niets pleit, stellig de voorkeur boven de eerste.

Dat de Middeljavaanse historische geschriften op Bali vervaardigd zijn, is wel niet twijfelachtig. De Rangga Lawe, die vermoedelijk één der oudste is, omdat er heel weinig Balinismen in voorkomen, dateert van Saka 1465 = AD 1543, dus ongeveer uit de Gelgelse bloeiperiode; als Balinisme geeft het K.B.W., III, 710b, het gebruik van mramaga in plaats van ambaramarga (dat als am-baramarga opgevat was; het wegvallen (p.46) der media is een eigenaardigheid van de Balineesche genasaleerde werkwoordsvormen).

Voor Balinismen in Kidung Sunda B zie men K. B. W., III, 252b, IV, 1022b, en hier en daar in mijn tekstuitgave, speciaal in Zang III; Kidung Sunda A is vrij van Balinismen en wellicht ouder dan de Rangga Lawe. Over de Pamancangah is hierboven reeds gesproken. De beide proza-Usana's vertonen reeds veel sterkeren Balinese invloed. Het is duidelijk, dat er, omdat deze stukken op Bali pas ontstaan zijn, geen direct verband met de latere Javaanse historische traditie bestaat. Daar ook indirect verband slechts in details aan te wijzen is, ligt het vermoeden voor de hand, dat de stof, die in deze stukken verwerkt is en die natuurlijk niet uit de lucht is komen vallen, geput is uit de Balineesche historische traditie, die door de Javaanse kolonisten in de bloeitijd van Majapahit op Bali gebracht is. Dit nader aan te tonen is het doel der volgende hoofdstukken (n).

Note: Het in dit hoofdstuk benutte materiaal van de Leidsche Universiteitsbibliotheek is geenszins volledig, maar voor het doel hier wel voldoende. Te oordelen naar de waardevolle lijst i: Tabel IV van het op p.38-39 genoemde „De Toonkunst van Bali" is de collectie van het Bataviaasch Genootschap op dit gebied belangrijker; we vinden in deze lijst nog verschillende van de in de Pamancangah genoemde werken terug.

HOOFDSTUK II - PANJI WIJAYAKRAMA

(p.47) De in de Inleiding onder d genoemde Pararaton-kidung (p.10) behoeft hier niet apart besproken te worden; zoals Juynboll (Cat., I, 259) reeds opmerkte, wijkt het gedicht niet noemenswaardig van de door Brandes gepubliceerde prozatekst af. Anders is het gesteld met de onder e en f 1) genoemde dubbel-kidung; hoewel de inhoud er van ons in hoofdzaak uit de Pararaton bekend is, verdient het gedicht juist om datgene, waarin het afwijkt van de Pararaton, onze aandacht. Daar de inhoud van dit laatste werk, na al wat er in de laatste jaren over geschreven is, genoegzaam bekend is, en de historische gegevens er uit nog onlangs het voorwerp zijn geweest van een uitgebreid kritisch onderzoek van Dr. N. J. Krom in zijn Hindoe-Javaansche geschiedenis, zal in dit hoofdstuk uitsluitend over deze afwijkingen gehandeld worden; zij zijn van tweeërlei aard: detailverschillen en romantische uitweidingen. Die stukken uit de kidung, die van de prozatekst alleen door hun grotere uitvoerigheid verschillen, zullen hier slechts ter sprake komen, voor zover het ter illustratie van de afwijkingen dienstig is. Ten slotte zal op grond van de geconstateerde eigenaardigheden van de kidung de kwestie van de verhouding van Pararaton en Panji-Wijayakrama aan de orde zijn en zullen wij ons moeten afvragen, of de oordeelvellingen over dit werk van Kern (V.G., IX, 198) en van Brandes (Parar., p.8* en de noten aldaar, 137 en noot 2-4 aldaar) en de mededelingen van van der Tuuk (KBW., I, 101a, III, 710) al dan niet gecorrigeerd moeten worden. Voor de geschiedenis vergelijke men Krom, Gesch., p.324-360.

Nadat de dichter het traditionele begin gemaakt en zijn werk gedateerd heeft, 13 panglong van de 5de maand, Saka 1465, begint hij dadelijk in strofe 2 met hetzelfde verhaal, dat we lezen in hoofdstuk V van de Pararaton; in Tumapel regeerde een jong, dapper vorst, die als prins Krtanagara geheten had en nu als vorst Siwa-Buddha heette. Hij had twee jongere (p.48) zusters (n), die tot echtgenoten bestemd waren van zijn jongeren neef (ari mindon), raden Wijaya.

Note: De Pararaton (19,27) spreekt van twee dochters; voor de juiste verhoudingen zie Nag., Zang XLVI. Daar Pararaton en Rangga Lawe wat het aantal prinsessen betreft één lezing vormen tegenover die van de Nag., is de afwijkende mededeling in de Rangga Lawe betreffende de familieverhouding des te opvallender. Het is echter mogelijk Parar. en Rangga Lawe tot overeenstemming te brengen; naast de lezing ari van Rangga Lawe, I, 3 staat de variant mari, dat uit Sk. kumari = (konings)dochter, prinses, verkort zou kunnen zijn. Men vindt dit mari niet in het K.B.W., maar deze manier van afkorten is heel gewoon.

's Konings wijze patih, Mpu Raganatha had, omdat zijn raadgevingen steeds in de wind werden geslagen, zijn ambt neergelegd, waarop de koning hem vervangen had door Kebo Anengah en Panji Angragani (n).

Note: Parar. 18,22 spreekt van ginanten denira Kebo Tengah sang apañjy Aragani: uit de vertaling blijkt, dat Brandes hier aan één persoon dacht (vgl. Krom, Gesch., p.326). Verderop (18,25,27) wordt verteld, dat apañjy Aragani de troepen, die naar Sumatra trokken, tot Tuban begeleidde, en te Majapahit de koning lekker liet eten, en (19,19) dat Kebo Tengah op de manguntur sneuvelde. De conclusie, die men zou kunnen trekken uit het gebruik van sang in 18,22 en uit de verschillende aanduiding met Kebo Tengah en apañjy Aragani, nl. dat we hier met twee personen te doen hebben, wordt bevestigd door Rangga Lawe, I, 9, waar karwa = en, tezamen met, de beide namen scheidt. In de Rangga Lawe luiden de namen Kebo Anengah (ook Par. 19„19 v.j. D) en apañjy Angragani, waarvoor metri causa ook Raga (I, 39).

Van Siwa-Buddha wordt verteld, dat hij de kalana Bhayangkara (Parar. Bhaya) overwon, en met Jaya Katong in vijandschap leefde (n).

Note: Uit de lezing van I, 12 valt op te maken, dat v.d. Tuuk's vertaling (Parar., p.79, noot 4) de voorkeur verdient boven Brandes' „briefwisseling". In dezelfde Pararaton-zin wordt hij dan ook vijand genoemd! Daaraan verandert ook Krtanagara's opmerking in 19,7,8 niets. Zie nog hierbeneden.

Van de laatste duchtte hij echter geen gevaar. Voor dat gevaar zorgde echter tegen alle verwachting in Wiraraja, de adhipati van Sumenep (sic!), op Oost-Madura, die Jaya Katong tegen Krtanagara opstookte. Jaya Katong stuurde de slechte troepen over de Noordelijke weg op de vijandelijke hoofdstad af; zij stonden onder bevel van Jaran Guyang, wiens mantri's waren: Bango Dolog, Kebo Prutung, Pencok Sahang, Liking Kangkung, Kampinis (Ampinis, Pinis), Kandaga en Durga.

De Zuidertroepen, die onder bevel van patih Mundarang stonden, vormden het eigenlijke leger; hiertoe behoorden de mantri's Bungalan, Wilalungan, Siluman, Jereng (ook Jring?), Kanigara, Caluk, Teki, Taluktak, Sapati (= Mahisantaka?), Bowong, Mudot, Parung Sari, Drawalika, Gebog Basah, Lobar, Kala Limpung, Bhuta Wilis, Gubar (Bubar) Baleman, Jalak Kateng(g)eng of Jalak A(n)dingding, Mayang, Semi, Palana, Lengsong, Pasung, Wira Janur of Janur Wira, Sunti, Wirada, Bete, Sumbi, Bangbung, Wawalang en Kala Muñeng/Munyeng. In plaats van deze lijst geeft de Pararaton (19,17) slechts de namen (p.49) Kebo Mundarang, Bowong en Pudot (Rangga Lawe: Mudot). (n)

Note: Men vindt dit lijstje, zij het onvolledig en niet zonder fouten, terug in Friederich's Voorlopig Verslag, II, 22; de beschouwingen, die er daar aan vastgeknoopt worden, steunen niet op de Rangga Lawe.

Toen Krtanagara er eindelijk van overtuigd was, dat hij werkelijk aangevallen werd en dat er langs de Noordelijke route een leger in aantocht was, dat thans in Memeling zich bevond, stuurde hij een leger tegen die vijand uit onder bevel van Wijaya, aan wie toegevoegd werden de mantri’s Bañak/Banyak Kapuk, Sora, Gajah Pagon, Medang, Dangdi, Mahisa Wagal, Nambi, Kapetengan, Wirota, Wiragati en Pamandana. Deze lijst wijkt enigszins af van die, welke Parar., 19,10 sqq. geeft.

Laten we het Aryadhikara, dat Jonker, naar mij voorkomt terecht, niet als eigennaam beschouwt, terzijde, dan verschil¬len Rangga Lawe en Pararaton nog in de volgende bijzonderheden: Pedang heet hier Medang, Peteng hier Kapetengan, Wirot hier Wirota; Mahisa-Wagal, Wiragati en Pamandana worden in de Pararaton niet genoemd in dit verband; in de Rangga Lawe ontbreekt de naam van Rangga Lawe en ook de mededeling, dat Nambi Wiraraja's zoon was. Vooral deze laatste verschillen zijn van belang: Lawe treedt in de Rangga Lawe pas veel later op (VI, 7), en hij, niet Nambi, is er Wiraraja’s zoon (vgl. Parar., p.83, noot 3).

Het verloop der gebeurtenissen wordt in de Rangga Lawe in het algemeen juist zo beschreven als in de Pararaton, doch de samenhang is beter; of liever gezegd, door de grotere uitvoerigheid van de kidung is het gemakkelijker de samenhang der in de Pararaton te beknopt beschreven gebeurtenissen te verstaan. Het Pararaton-verhaal wint daardoor wel niet aan historische waarde, maar verliest in elk geval grotendeels zijn karakter van ongerijmdheid, waarop Krom, Gesch., p.348, nog onlangs gewezen heeft.

Volgens de Rangga Lawe had Wijaya's aanval op de troepen, die zich te Memeling bevonden, volledig succes; de toch reeds niet talrijke troepen van het Dahase Noorderleger werden deels gedood, deels definitief op de vlucht geslagen. De pangalasan, die Wijaya het bericht kwam brengen van de overwinning van het vijandelijke Zuiderleger en van de gevolgen daarvan, vond hem dan ook met zijn troepen rustig onder het lommer van de bomen zitten om verkoeling te vinden na de verhitte strijd.

Toen Wijaya na kort beraad besloot een poging te wagen om de vijand uit het Zuiden uit de veroverden kraton te verjagen, had hij geen vijand meer in de rug te vrezen, want zij (p.50) waren „verjaagd, uit elkaar geslagen, en die niet gesneuveld waren, hadden geen lust (geen fut) meer om stand te houden en nog eens een aanval te wagen" (I, 27). Deze aanval van Wijaya werd echter, zoals ook de Pararaton vertelt, afgeslagen en Kebo Mundarang achtervolgde Wijaya, maar gaf, als keurig Javaan uit de hoogste standen, de voorkeur er aan de achtervolging op te geven, toen hij vol modder was geraakt in de strijd op de sawah.

Dadelijk na het gevecht op de sawah beraadslaagden Wijaya en zijn gezellen, wat hun thans te doen stond. (n)

Note: Men moet de Pararaton-mededeling over Wijaya's verdeling van kledingstukken niet au sérieux nemen. Het is een vaste trek in de kidungs, dat een koning of prins voor de strijd aan zijn gezellen kledingstukken uitdeelt. Wellicht mogen we er een oude ceremonie in zien, waarmee bedoeld werd een sympathische handeling te verrichten: met de door de koning gedragen kleren een deel van zijn magische kracht op zijn magisch-zwakkere gezellen over te brengen; in de kidungs is het echter eenvoudig een geschenk in (nieuwe?) kledingstukken geworden ter beloning van gebleken trouwen toegezegde hulp. Wijaya deelt hier dus ook kledingstukken uit, omdat dat er nu eenmaal bij hoort volgens de schrijver, die het zonderlinge van de mededeling voor Wijaya's omstandigheden niet eens frappeert. Uit de mededeling, dat hij aan elk van zijn 5 gezellen een lancingan giringsing gaf, volgt, dat het in de vertaling tussen haakjes geplaatste (zijn) (p.85 boven) er niet hoort te staan. In de kidung (I, 56-58) is het aantal der bedeelden groter, daar Wijaya hier meer gezellen heeft; ieder krijgt hier een cawet giringsing. In I, 56 wordt het werkwoord adadar-dadar gebruikt, dat. speciaal voor dit soort uitdeling gebruikt wordt.

Sora stelde voor nu van de gunstige gelegenheid gebruik te maken en nog eens tot de aanval op de kraton over te gaan, daar de Dahanezen stellig niet zouden verwachten, dat Wijaya in zijn vrij benarde omstandigheden toch het offensief zou nemen; mocht ook deze aanval geen succes opleveren, dan zou het 's nachts nog eens gedaan kunnen worden.

Sora had juist gezien; de Dahase troepen amuseerden zich op het kratonterrein en hadden in de roes van hun overwinning zelfs, niet de minste maatregel getroffen te hunner beveiliging. Wijaya's aanval had eerst succes; Gebog Basah, Lobar, Bungalan, Lengsong, Jring, Siluman, Taluktak en Pasung sneuvelden. Andere Dahase mantri's, die zich op de manguntur bevonden, snelden te hulp onder Mundarang; ook zij kregen het zwaar te verduren. Mundarang streed met de moed van de wanhoop, want, zo zegt Rangga Lawe, I, 72, het was moeilijk voor hem zich (uit de kraton) terug te trekken, omdat hij daar nog zoeken moest naar de sieraden van de beide Tumapelse prinsessen, die zij gevangen genomen hadden. De invallende nacht was Mundarang's bondgenoot, en Wijaya moest zich onverrichter zake (p.51) terugtrekken. Begrijpelijkerwijze waren thans de Dahanezen beter op hun qui-vive; de troepen werden gestationeerd buiten de kraton, doch niet ver weg, op de jaba larangan (I, 73) en Janur, die de wachtdienst organiseerde, verdeelde ze over een aantal wachtposten van elk duizend man. Allen kregen bevel scherp op de vijand te letten.

Toen Wijaya in het holle van de nacht opnieuw wilde aanvallen, maakte Kapetengan daarom eerst de waakzame vijand onschadelijk door een slaap-mantra (I, 75, sisirep aji). Èn door de kracht van de mantra èn door hun grote vermoeidheid (sic! I, 76) vielen daarop de Dahase troepen in een diepe slaap. Wijaya overviel hen en doodde er velen; zij, die door het rumoer wakker geworden waren, konden zich ten gevolge van de betovering niet bewegen.

Ten slotte begreep één van hen, Sunti, wat er aan de hand was, waarop hij door aarde met de hand op te scheppen en ze over de Dahase troepen uit te strooien de ban brak. In het donker werd toen een felle strijd gestreden, waarbij aan Wijaya's kant Wiragati viel.

Nu had de oudste van de beide prinsessen, die gevankelijk weggeleid zouden worden, zich weten te verstoppen (tijdens de verwarring van de eerste aanval? (n) en was achtergebleven (I, 83: asenetan akari).

Note: Dit is ook Jonker's opvatting; zie ed. p.85, noot 4.

Toen Wijaya zijn nachtelijke aanval ondernam, bevond zij zich achter de Dahase wachtpostenlinie niet ver van een vuur, waaraan zich de afgeloste soldaten warmden. Wijaya was na de gelukte overval door de vijandelijke linie heen gedrongen, en kwam met zijn troep toevalligerwijze bij datzelfde vuur terecht, maar daar de mannen bij het vuur blijkbaar niet wisten, wat er gebeurd was - Rangga Lawe, I, 84: sengguhu satru kari = men dacht, dat hij een achtergebleven vijand was -, kwam het niet tot vechten.

Bij het schijnsel van het toen juist oplaaiende vuur zag Wijaya onverwachts de prinses, die zich daar schuilhield, en nam haar natuurlijk dadelijk mee. Uitermate verheugd over dit toevallige buitenkansje stelde Wijaya aan Sora voor nog een aanval te ondernemen in de hoop, dat ook de jongste prinses op die manier gevonden zou worden, maar Sora raadde hem aan liever ongemerkt zich terug te trekken en zichzelf en de prinses in veiligheid te brengen. Wijaya volgde deze raad op en de hele nacht liepen ze door in Noordelijke richting.

Men ziet, dat dit verhaal, hoe romantisch ook door de talloze (p.52) toevalligheden en hoe ver verwijderd ook van de werkelijkheid, die we uit de oorkonde van Saka 1216 kennen, toch op zichzelf niet zo dwaas is.

Leggen we nu hiernaast het Pararaton-verhaal, dan zien we, dat daar eigenlijk precies hetzelfde verteld wordt, maar onhandig, verward en onvolledig; hier wordt in enkele woorden de inhoud van een uitgebreider verhaal weergegeven. Voor de details van de Pararaton-tekst en zijn vertaling door Brandes naar de noot verwijzend, kunnen we hier in het algemeen dit opmerken: Na de strijd op de sawah trokken, ook volgens de Pararaton, Kebo Mundarang en de zijnen naar de veroverde kraton terug. Daar werden ze door Wijaya op Sora's raad aangevallen, maar deze aanval had door het invallen van de duisternis geen volledig succes. De Dahanezen legerden zich in kuwu's (vlak bij de kraton); in hun slaap werden zij door Wijaya opnieuw aangevallen. Op zijn aanvalstocht vond Wijaya toevallig de oudste prinses en nam haar mee (niet: bevrijdde haar). Daarop trok hij zich op Sora's advies terug en ging heen in Noordelijke richting.

Door kleine verschillen in de vertaling kan zo'n beknopt verhaal geheel anders gekleurd worden. Dat deze passage van veel belang is voor het vaststellen van de verhouding van Pararaton en kidung, zal ieder duidelijk zijn.

Wijaya's zwerftocht, zijn reis naar Madura, zijn aankomst en verblijf bij Wiraraja, die hem na enige tijd een voorspraak was bij Jaya Katong, waardoor hij in diens gunst werd aangenomen en vergunning kreeg aan het hof te Daha te komen, dat alles wordt in de kidung op ongeveer dezelfde wijze verteld als in de Pararaton. Bij de beschrijving van Wijaya's lotgevallen aan het hof te Daha wijkt de kidung eerst, vóór IV, 12, slechts in details van de Pararaton af. We lezen er, dat Wijaya en zijn gezellen, na in Terung afscheid genomen te hebben van Wiraraja, verder trokken naar Jong Biru.

Toen aan Jaya Katong bericht werd, dat Wijaya daar aangekomen was, zond hij zijn mantri’s Sagara Winotan en Jangkung Angilo uit om hem tegemoet te gaan, en wel met een wagen, omdat hij meende, dat ook de prinses van Tumapel mee zou komen. De afgezanten troffen Wijaya onder een andul-boom aan en brachten hem de uitnodiging van de koning over. Daarop trokken zij naar Daha. Sagara Winotan, die de wagen mende, hield stil op de jaba larangan; nadat Jangkung Angilo de aankomst van Wijaya gemeld had, leidde (p.53) Pangelet hem binnen.

De koning verwelkomde hem hartelijk, aanvaardde Wijaya's huldiging en het geschenk van Wiraraja, dat hij meebracht, zoete nyuman-spijs uit China, en liet Wijaya vlak bij zich plaats nemen op de palimanan, aan de Oostkant. Toen de audiëntie afgelopen was, gaf Jaya Katong aan Winotan bevel Wijaya huisvesting te geven “in het Noorden, in Jong Biru, waar zich een ruime, aan het water gelegen kampeerplaats bevond". Patih Mundarang, demang Drawalika en tumenggung Parung Sari kregen opdracht de gasten een onthaal te bereiden; daar Wijaya's aankomst juist samenviel met het galangan-feest, was dit zeer overvloedig. De gasten deden zich dan ook er aan te goed en nodigden Winotan uit mee te eten. Wijaya hield zich echter afzijdig, want hij had de gelofte gedaan geen lekkernijen of sterken drank te gebruiken, vóór hij ook zijn andere verloofde teruggewonnen had.

De volgende dag hadden er feestelijkheden plaats. Eerst verleende de koning audiëntie, omstuwd door de bini aji, waartoe ook behoorde ratna Sutawan, een bekoorlijk jong meisje, dat Jaya Katong gekocht en later geadopteerd had (akon-akon (s)ira sang prabhu pantuk ing anuku; Rangga Lawe, III, 3). Ook nu weer mocht Wijaya 's konings gunstbewijzen ontvangen en zich dicht bij hem nederzetten.

Na een poosje gaf Jaya Katong bevel aan Cengkrong Bang, Towok Pangkuh en Kebo Rubuh om wapenspelen en wapendansen te organiseren en stelde Wijaya voor zijn mannen eens uit te laten komen tegen die van Daha. Zo werden de wedstrijden gehouden, waarvan ook de Pararaton spreekt; de namen der deelnemers worden in de kidung enigszins anders gegeven, nl. Sora, Dangdi, Medang, Pawagal en Nambi van Tumapel tegen Kebo Rubuh, Pangelet, Mundarang, Pasung Sari en Drawalika van Daha. Dezen hielden wedlopen tegen elkaar, waarbij de mannen van Wijaya het wonnen.

Na een pauze werd er vervolgens een steekspel gehouden, waarbij Wijaya, rijdend op het paard Dalang Guse, zijn eigen mantri's en Sagara Winotan, die Babalang Sela bereed, die van Daha aanvoerde. Toen Jaya Katong zag, dat zijn mantri's niet tegen die van Wijaya opgewassen waren, liet hij Wijaya uit de strijd terugroepen onder voorwendsel, dat de mantri's van Daha niet zo goed zouden durven, wanneer zij een vorstelijk persoon moesten bestrijden. Wijaya gehoorzaamde, maar niettemin kon Sora Mundarang, Nambi Pangelet, Pawagal Rubuh, Medang Parung Sari en Dangdi Drawalika overwinnen.

(p.54) Wordt het bovenstaande verhaal ons ook, zij het met afwijkingen, in de Pararaton gedaan, in het volgende gedeelte van de kidung wordt een roman uitgesponnen, die men in de Pararaton niet terugvindt.

Tijdens de feestelijkheden had nl. eerst Pamandana en later ook Wijaya zelf in ratna Sutawan de jongste der beide prinsessen van Tumapel herkend, terwijl Sora haar beide dienaressen Madraka en Sodrakara gezien had. Wijaya meende, dat hij zijn verloofde nu wel voor goed verloren had, want dat zij Jaya Katong's eigendom wel zou zijn geworden, maar Pamandana dacht, dat de wenk, die de prinses hem gegeven had, anders verstaan moest worden. Later bleek dan ook, dat Jaya Katong wel verliefd was geworden op ratna Sutawan - uit het verhaal kan men niet met zekerheid opmaken, of hij wist, dat zij een prinses van Tumapel was -, maar dat zij niets van hem had willen weten, en dat zij gedreigd had liever zichzelf te zullen doorsteken dan zich aan hem over te geven. Zij had gegeten noch geslapen, totdat ten slotte 's konings gemalin, Sri Kirana (?), zich haar lot aangetrokken en haar tot dochter aangenomen had om Jaya Katong de uitvoering van zijn plannen onmogelijk te maken.

Toch was deze innerlijk verliefd gebleven, terwijl Sutawan van haar kant vastbesloten gebleven was zich in geval van nood het leven te benemen. In een verhaal vol romantiek en sentimentaliteit vertelt de dichter, die hier vooral op zijn eigen gebied is, van de smart der gescheidenen, van de verbinding, die Sodrakara door haar slimheid en met behulp van de gezellen tussen hen tot stand wist te brengen, hoe Wijaya voor Sutawan een portret schilderde van haar prototype Sita. en zij hem een prachtig geborduurde dodot schonk, en hoe groot het verdriet der vrouwen was, toen ze al spoedig hoorden, dat Wijaya Daha weer wilde verlaten.

Want deze had intussen niet stil gezeten, maar had eerst, in overleg met Wiraraja, de koning gevraagd om de bosgronden van Trik. De koning had ze hem geschonken; Madurezen hadden er het dorp Majapahit gebouwd, en toen dit nieuwe gebied zich snel ontwikkelde, had Wijaya verlof gevraagd om er te mogen gaan jagen en atatanen („boeren", van het landelijke leven genieten). Dat had Jaya Katong wel goed gevonden, mits Wijaya beloofde niet te lang weg te zullen blijven, want het zou stil in Daha zijn, als hij er niet meer was.

Zo trok Wijaya, vergezeld van zijn makkers, van Daha weg; 't was een luisterrijke uittocht en hij werd door het volk bewonderd, zoals zelfs Jaya Katong niet door hen (p.55) bewonderd werd. Het vertrek viel op een mrtamasa-dag (n); geen mens in Daha had enig vermoeden van Wijaya's plannen, doch kwade voortekenen voorspelden, dat voor Daha uit deze reis niets goeds zou voortkomen.

Note: Vgl. B.K.I., 1927, deel 83, p.159-160.

Zeven dagen later bereikten Wijaya en de zijnen Majapahit. Terwijl de Pararaton hier heel kort is, geeft de kidung tal van bijzonderheden over de ligging van de stad, over de indeling, over de drukke scheepvaart en over de welkome stroom van vreemdelingen, die de eerste bevolking kwamen vormen van de latere hoofdstad van de Archipel. Voor vergelijking met de bekende stadsbeschrijving in de Nagarakretagama biedt de kidung geen gegevens; terwijl Prapanca een stad beschreef, die hij kende, en in verzen weergaf, wat hij voor zich zag, schenkt ons de dichter van 1543 A.D. in de Panji Wijayakrama het beeld van de grote stad der traditie, dat zijn fantasie hem voor ogen plaatste.

Niettemin is dit stuk één van de meest interessante stukken uit de gehele kidung en verdient alle belangstelling. In plaats van te jagen en te „atatanen" installeerde zich Wijaya voorlopig in een pasanggrahan, verleende audiëntie en nam alle allures aan van een zelfstandig vorst.

Op één van de eerste audiëntiedagen liet hij degenen, die zich pas in Majapahit gevestigd hadden, voor zich verschijnen; de besten van hen werden in rang verhoogd (kinula-wisuddha) en kregen nieuwe namen, Suprajata, Jagawastra, Kapal Asoka, Januwak, Sura Sampana, Tunjung Tutur, Jajaka Pidikan, de tweelingbroers Singhanuwuk en Singhandaka, Caritangsa, Rara Sindura en nog een aantal anderen.

Toen Wijaya zag, dat de zaken in Majapahit er goed voorstonden, stuurde hij Mahisa Wagal naar Madura om Wiraraja van de stand van zaken op de hoogte te brengen. Toen de gezant op Madura aankwam, had Wiraraja juist een schip gereed liggen, dat de bij hem achtergebleven prinses van Tumapel naar Majapahit zou brengen. Hij deelde de gezant (n) [pangalasan, pengalasan] van Wijaya mede, dat hij zelf nog niet naar Majapahit zou komen, maar dat hij in zijn plaats zijn zoon, die in Tunjung op West-Madura woonde, naar Majapahit mee zou sturen, en dat zijn echtgenote, de ni pinatih, de prinses zou vergezellen. Het gezelschap begaf zich toen op weg naar Majapahit en kwam in Wirasabha aan, (p.56) de Noordelijke wijk van Majapahit.

Note: De gezant heet hier pangalasan, waaruit men zien kan, dat dit, in de kidungs althans, geen vaste, maar een toevallige titel of betiteling was (= woudloper, koerier?).

Terwijl Wiraraja’s zoon in gezelschap van Banyak Kapuk in Wirasabha achtergelaten werd, ging Mahisa Wagal alvast met de vrouwen door naar Majapahit, waar hij Wijaya verslag van zijn zending uitbracht. Wirasanta en Kapal Asoka kregen last Wiraraja’s zoon af te gaan halen en voor Wijaya te leiden. Zo kwam deze spoedig daarop zijn opwachting maken om, na het aanbieden van huldigingsgeschenken, als boodschap van zijn vader mede te delen, dat deze juist bezig was een gezantschap naar China voor te bereiden; hij wilde nl. de keizer voorstellen hulp te verlenen bij het bestrijden van Daha en hem Javaansche prinsessen beloven als beloning.

Daar Wiraraja’s schip met andere schepen mee zou gaan naar China en hij alleen nog maar te wachten had op de terugkeer van zijn zoon uit Majapahit, moest deze, zo deelde hij Wijaya mede, spoedig weer naar Madura teruggaan. Wiraraja liet Wijaya echter bij monde van zijn zoon er voor waarschuwen, dat hij zich niet moest overhaasten en niet voor de komst der Chinese troepen Daha moest aanvallen. Nog verzekerde Wiraraja’s zoon, dat Wijaya, zelfs indien hij geen succes tegen Daha mocht hebben, toch in geen geval naar Madura zou behoeven terug te keren, want dat Wiraraja hem dan met zijn Madurezen zou helpen om hem in zijn nieuwverworven positie te handhaven.

Wijaya beloofde zich naar Wïraraja's raadgevingen te zullen gedragen, daar hij hem vroeger ook met zijn raad zo goed voortgeholpen had. Daarop vroeg hij Wiraraja's zoon, hoe hij eigenlijk heette. De Madurees wist het eigenlijk niet goed, en kreeg daarom van Wijaya, omdat hij zo flink en krachtig (wenang) was, de naam van Wenang; tevens kreeg hij de rang van rangga en zou dus voortaan officieel Rangga Lawe (n) heten. Daarop was de audiëntie afgelopen en gingen allen heen. Rangga Lawe logeerde bij Sora.

Note: De gelijkstelling van wenang en lawe gaat via benang = garen, terwijl lawe = streng is.

De volgende ochtend beraadslaagde Wijaya wederom met Sora, Lawe en enkele andere voorname mantri's over de wijze, waarop men de oorlog tegen Daha zou voeren, over het uitzenden van spionnen en over de moeilijkheden, die de troepen nog te overwinnen zouden hebben. Lawe stelde voor, dat hij uit Madura, waarheen hij nu terugkeerde, de Bimanese paarden uit Kore, die zijn vader vroeger eens verkregen had, mee terug zou brengen naar Majapahit. Wijaya keurde dat goed, en zei er voor te zullen (p.57) zorgen, dat de Madurezen intussen een verblijfplaats voor Wiraraja te Majapahit gereed zouden maken tegenover de puri.

In de maand Waisakha arriveerde Sagara Winotan te Majapahit als afgezant van Jaya Katong om Wijaya te herinneren aan zijn belofte, vroeger, bij zijn vertrek uit Daha, gedaan, dat hij na te Majapahit gejaagd te hebben ook samen met de koning op jacht zou gaan. Wijaya beloofde Sagara Winotan, die hij in Wïrasabha ontmoette, daar hij hem wilde beletten een kijkje in de kuta te nemen, dat hij met a.s. nieuwe maan op weg zou gaan en met volle maan in Daha zou zijn. Juist toen Sagara Winotan in Wïrasabha was, kwam Lawe daar aan met de Bimanese paarden. Winotan dacht, dat Wijaya zich die voor de komende jachtpartijen had aangeschaft, en Wijaya beijverde zich hem in die mening te versterken door hem te vertellen, dat hij nu alleen nog maar wachtte op de jachthonden (?) en de jachtnetten, die hem met nieuwe maan geleverd zouden worden; wanneer die er waren, zou hij dadelijk naar Daha vertrekken!

Winotan geloofde alles, en uitte zijn vreugde over het feit, dat hij nu spoedig die Madurezen eens aan de slag zou zien. In zijn toon klonk zeker iets neerbuigends, want Lawe vatte zijn woorden op als een belediging aan het adres der Madurezen, en vroeg Winotan, wat dan wel het verschil was tussen de „tani" en de stad Daha; zinspelend op Wijaya's plannen, zei hij Winotan op dreigende toon, dat hij wel eens zien zou, wat die Madurezen konden.

Winotan was niet weinig verbaasd over die uitval van Lawe en vroeg, wie die nieuwbakken mantri was, die zo'n praats had en die zo kwetsend sprak. Maar Wijaya, die begreep, welk gevaar er school in een ruzie tussen de beide mannen, gaf Sora een wenk, waarop Sora Lawe handig wegloodste door hem opdracht te geven toezicht te gaan houden op de ontscheping der paarden.

Lawe stond op, en ging heel luidruchtig en met opgeschorte dodot weg, juist alsof er in het geheel geen audiëntie was. Na zijn vertrek werd aan Sagara Winotan verteld, dat dàt Lawe geweest was, een neef van Sora, een plattelander van Tunjung in West-Madura, wiens gebrek aan beschaving hem maar niet te zwaar toegerekend moest worden. Winotan liet zich daarmee tevreden stellen, nam spoedig afscheid en keerde naar Daha terug. De paarden van Wiraraja, 27 in getal, bracht Lawe naar Majapahit, waar ze onder de' mantri's verdeeld werden.

Toen Wïraraja met zijn voorbereidende maatregelen klaar (p.58) was gekomen, kwam hij met zijn troepen en met al zijn voorraden naar Majapahit; Wijaya haalde hem zelf in Wïrasabha af. Op de eerstvolgende audiëntie deelde Wïraraja het resultaat mee van zijn bemoeiingen bij de keizer van China. Hij was maar zo brutaal geweest hem de beide prinsessen van Tumapel, die om haar schoonheid vermaard waren, aan te bieden, waarop de Chinees beloofd had in Waisakha naar Java te zullen komen, hetgeen dus mooi uitkwam met Wijaya's plannen.

Lawe stelde voor het leger in twee groepen te verdelen; de ene groep zou dan langs de Noordelijke route optrekken, over de grote weg, via Linggasana, de andere langs de Zuidelijke route, via Singhasari, Siddhabhawana en Lawor, over dezelfde weg dus, die Kebo Mundarang indertijd gevolgd had. De beide groepen zouden elkaar dan in Barebeg weertreffen (?).

Wïraraja kon zich met dit plan verenigen. Wijaya belastte Wïraraja met het commando over het Noorderleger en vroeg hem tevens onderweg boodschappers te zenden naar de kust om de Chinezen bij hun aankomst in te lichten omtrent de situatie; aan Wiraraja voegde hij toe de Majapahitsche mantri's Jagawastra, Wirasanta, Sura Sampana en Rara Sindura. Daarentegen zouden de tweelingen (Singhanuwuk en Singhandaka), Kapal Asoka, Caritangsa, Jajaka Pidikan, Wiro en Parijata onder opperbevel van Wijaya het Zuiderleger commanderen. Zo werd afgesproken en zo geschiedde ook.

Toen aan Jaya Katong bericht werd, dat hij door Wijaya en Wïraraja aangevallen werd, riep hij dadelijk zijn mantri's bijeen om met hen te beraadslagen over wat hun te doen stond. De koning was erg met het geval verlegen en onder zijn mantri's dreigde het tot een twist te komen, toen Kebo Rubuh de schuld van alles aan Sagara Winotan gaf, die verkeerde inlichtingen over Majapahit had verstrekt en daardoor verraad gepleegd had jegens de koning. Winotan liet zich deze belediging niet welgevallen en trok zijn zwaard, maar de koning wist hen te sussen. (n)

Note: In de tekst (VII, 25) wordt hier herinnerd aan het verhaal van Tohjaya, waarin gesproken wordt over een steenpuist op de navel; vgl. daarmee Parar. 16,24.

Plotseling kwam de akuwu van Tuban zijn opwachting maken; hij bracht het bericht, dat de Chinese keizer, Taru Laksana, aangekomen was met een geweldig leger, waarvan een gedeelte reeds geland was in Dataran, en dat het gerucht ging, dat hij gekomen was op aanstoken van Wijaya en Wïraraja. De gelande troepen waren langs de kust opgerukt en hadden Tuban (p.59) verwoest, waarvan de inwoners vol angst gevlucht waren.

Jaya Katong begreep, dat er niet gedraald mocht worden. Hij verdeelde het Dahase leger in drie afdelingen: een Noorderfront onder Mahisantaka met Bowong tot senapati; bij dit leger bevond zich Jaya Katong zelf; een Oosterfront onder Sagara Winotan met rangga Janur tot senapati, en een Zuiderfront onder Kebo Mundarang met Pangelet tot senapati; ze moesten vechten resp. tegen de Chinezen, Wïraraja en Wijaya. Weldra rukten de troepen uit; ongunstige voortekenen voorspelden Jaya Katong een zekere nederlaag.

Een zeer uitvoerig verslag van een strijd te geven is een gewoonte van de kidung-dichter, die wij hier althans niet na zullen volgen. Een massa gevechten van held tegen held worden beschreven, waarvan er slechts enkele onze bijzondere aandacht trekken. Zo wordt verteld, dat Gajah Pagon, die Wijaya indertijd op zijn vlucht uit Tumapel gewond in Pandakan had achtergelaten, thans weer op het strijdtoneel verscheen, met het dorpshoofd Macan Kuping en diens zoon Kancil Bang.

't Was verloren moeite geweest van moeder Natuur om Gajah Pagon in het hartje van de wildernis weer op te knappen, want al spoedig na zijn joyeuse rentree werd hij in een heroïsch gevecht met talrijke tegenstanders afgemaakt. Pangelet werd gedood door Nambi (Parar.: door Sora), Mahisa Rubuh door Mahisa Wagal (Parar.: door Nambi). Sora had een heel kwaad ogenblik in een strijd tegen Mundarang en Drawalika samen, maar ten slotte werd Mundarang toch op de vlucht gedreven. Dit alles geschiedde op het Zuiderfront, waar het Dahase leger na Mundarang's vlucht volkomen verslagen werd.

Ook op het Oostelijk front behaalden de geallieerden de overwinning na een spannende strijd tussen Lawe en Sagara Winotan, waarbij Lawe van zijn paard Anda Wesi op Winotan's wagen gesprongen was en ten slotte Winotan op de bank van zijn eigen wagen gedood had, hem zo tonend, wat die Madurezen wel konden. Terwijl dus ook hier het Dahase leger verslagen werd en de troepen van Wijaya en van Wiraraja zich konden verenigen, bracht Kebo Mundarang, die intussen weer mantri's en troepen om zich heen verzameld had en naar het Noorderfront getrokken was, de daar staande Javanen en Chinezen geduchte verliezen toe. Toen de Javaanse mantri's hier verslagen waren, bleef alleen het waardeloze Chineesje voetvolk over, en dit begon spoedig terug te trekken. De Chineesje aanvoerders (p.6o) waren de patihs Janapati en Taru Janaka; zij hielden, met enkele Javanen, de aanval der Dahase troepen, waaraan Jaya Katong zelf zeer actief deelnam, tegen.

In de daarop volgende gevechten sneuvelden de Chineesje patihs en de Javaanse mantri's, zodat ten slotte de koning van Daha tegenover de keizer van China kwam te staan. De afloop van deze strijd is uit de Pararaton bekend: Jaya Katong werd gegrepen en de keizer gaf bevel hem voorlopig gevangen te zetten; hij wilde hem aan Wiraraja uitleveren en dan tegelijk om zijn beloning, de beide Tumapelse prinsessen, vragen. Ook patih Mundarang moest ten slotte de strijd opgeven; hij vluchtte, werd achtervolgd door Sora en in het ravijn (op de vlakte) Trinipanti ingehaald. Mundarang vroeg om lijfsbehoud en beloofde Sora zijn dochter, maar Sora liet zich niet verbidden en doodde hem. Daarmee was de strijd geëindigd in Wijaya's voordeel.

Het verhaal, hoe Wijaya de jongste prinses dadelijk na de overwinning uit de kraton van Daha ging bevrijden en haar met Sodrakara en Madraka naar Majapahit liet vervoeren, is in hoofdzaak ook uit de Pararaton bekend. Te Majapahit hielden Wijaya en de zijnen krijgsraad om vast te stellen, welke houding zij nu tegenover de Chinezen zouden aannemen; bij de beschrijving hiervan frappeert ons, in verband met wat de Pararaton later (vgl. p.123 en aldaar noot 6) naar aanleiding van Lawe's opstand vertelt, de volgende uiting van Lawe:

„Wees niet bezorgd, dewa (d.w.z. Wijaya)! Werkelijk, het is maar een kleinigheid. Maar mocht ons tegenstand geboden worden, dan zullen we als helden weten te sterven. Te erg toch zou het immers zijn om daarvoor terug te schrikken (lett. daarvan af te dwalen). Mocht de vorst (? lees prabhw atanding? Maar Wijaya was nog geen prabhu!) bevreesd zijn om te vechten, dan hoort hij in het Parthayajña thuis" (Rangga Lawe, VII, 119-120; de plaats Parar., 25, 11,12, kan men vertalen: „Maak er niet zoveel woorden voor vuil! Lafhartigen horen in het Parthayajña thuis").

De Chinezen stuurden inderdaad spoedig gezanten om de Javanen aan hun belofte te herinneren, en wel twee mantri's anom, Sudarsana, de zoon van patih Janapati, en Suryanasa, de zoon van Taru Janaka, vergezeld van 200 man. Sora doet hun dan echter het verhaal, dat in de Pararaton Wiraraja hun vertelt, de gezanten brengen het over aan de keizer, en deze willigt het verzoek der Javanen in.

Het slot van het verhaal is (p.61) in de kidung een weinig anders dan in de Pararaton. Hier keert nl. de keizer zelf alvast naar China terug om daar de bruidsgeschenken voor de prinsessen klaar te gaan maken. Toen de stoet, die de prinsessen kwam afhalen, te Majapahit aangekomen was, werden allen naar de bale panjang geleid, waar ze gastvrij onthaald werden. De mannen moesten daar achterblijven, terwijl Wiraraja de vrouwen meenam verder de kraton in.

Sora en Lawe bleven bij de mannen, en toen zij rustig zaten te eten, overvielen ze hen onverwachts, doodden velen en namen de overige gevangen. Ook de Chinese schepen, die aan het strand lagen, werden met al wat ze bevatten buitgemaakt en naar Majapahit gebracht (n).

Note: Deze schepen zijn het, die de Javanen nagemaakt hebben volgens Kidung Sunda b, I, 43a.

Ook uit Daha werd een geweldige buit en een groot aantal gevangenen te Majapahit aangevoerd, waar alles gelijkelijk onder de mantri's verdeeld werd; vooral Wïraraja kreeg een ruim aandeel. Jaya Katong werd in Junggaluh geïnterneerd en schreef in zijn gevangenschap de Wukir Polaman.

In dezelfde tijd ongeveer viel de terugkeer van de troepen, die vroeger naar de nusantara gestuurd waren; ze hadden succes gehad, en brachten grote schatten, huldeblijken der overwonnen vorsten, mee naar huis terug. Hun aanvoerder kreeg de titelnaam Mahisa Anabrang en ook de andere mantri's, die zich onderscheiden hadden, werden in rang verhoogd en anderszins beloond.

Van de twee prinsessen, die mee naar Majapahit kwamen, huwde de oudste, Jingga Dara, met een dewa, terwijl de jongste, Dara Petak, de derde gemalin van Wijaya werd. Wiraraja keerde niet naar Madura terug; hij vestigde zich in Tuban en kreeg de naam Aryadhikara. Panji Wijayakrama werd als vorst gehuldigd en door de priesters ingezegend; hij werd een wereldheersend vorst, ontzien op de nusantara.

Over Kerns oordeel over deze kidung kan ik kort zijn. In 1877 vond hij de roman „literarisch onbeduidend" (V.G., IX, 198- 199), maar uit het gehele verband blijkt, dat hij toen het „slechte Leidsche HS." nog niet zo heel goed bestudeerd had. In 1887 (V.G., IX, 286) sprak hij alleen van enige belangrijke gegevens voor de geschiedenis van Java, die hij er in aangetroffen had. Deze beide uitspraken zijn dus van weinig waarde.

(p.62) Belangrijker is, wat Brandes, die de kidung eerst met belangstelling gelezen had, er van zegt in zijn Pararaton-uitgave. De literaire waarde er van achtte hij zeer groot (p.137), maar hij vond, dat er aan het geschrift geen waarde mocht gehecht worden als geschiedboek, daar „de inhoud van de Rangga lawe berust op hetgeen men in de Pararaton aantreft in Hoofdstuk V, VI, VII en het begin van VIII," en daar „de maker er van de Pararaton veelvuldig niet begrepen (heeft)" (p.137), „wat zelfs zo ver gaat dat hij woordvormen afgeleid van plaatsnamen als de namen van personen bezigt" (p.8*).

Ook de Balinezen beschouwen de kidung als een dichterlijke omwerking van de Arok (KBW., III, 710a).

Terwijl ik mij dadelijk verenigen kan met Brandes' waardering voor de literaire waarde, meen ik tegen zijn andere opvattingen bezwaar te moeten maken. Hoewel er nauwe samenhang tussen de Panji Wijayakrama en de Pararaton valt te constateren, ziet men toch dadelijk bij vergelijking van de hierboven gegeven inhoudsopgave met de Pararaton, dat enkele verschillen te groot zijn om aan vergissing te kunnen denken.

Het meest frappante verschil is wel de opvatting omtrent de persoon van Rangga Lawe; in het gehele eerste deel wordt hij als zoon van Wïraraja beschouwd, en in het 2de deel is "Wïraraja dan ook, evenals Lawe, heer van Tuban.

Een tweede verschil betreft het verhaal van de dood van Kebo Mundarang; in de Pararaton doodt Lawe hem, terwijl Mundarang aan Sora zijn dochter aanbiedt (vgl. Krom, Gesch., p.352); in de kidung is het terecht Sora, die hem ook achterhaalt en verslaat. Dan zijn er nog een aantal kleinere afwijkingen, b.v. in de vormen der eigennamen, Pedang naast Medang enz.

De beknoptheid van de Pararaton wijst op het bestaan van een uitvoeriger verhaal, waarvan dan de Pararaton-lezing een excerpt is. Wellicht is dat uitvoerigere verhaal een andere redactie van de Panji Wijayakrama; onze kidung is het in elk geval niet.

Voorbeelden, dat in de kidung plaatsnamen tot persoonsnamen geworden zijn, doordat de dichter de tekst van de Pararaton niet goed verstond, heb ik nergens kunnen vinden, en ik weet ook niet, wat Brandes hiermee zou kunnen bedoelen. A priori is het natuurlijk zeer onwaarschijnlijk, daar Pararaton en Panji Wijayakrama ongeveer uit dezelfde tijd stammen en de taal van beide geschriften sterk op elkaar lijkt.

De Panji Wijayakrama is dus een historische roman in kidung-vorm, waarvan het historische verhaal, ontdaan van de (p.63) romantische bijvoegselen, een andere redactie vormt van het betreffende gedeelte van de Pararaton.

Het feit, dat juist in de v.l.l. van Zang VII zoveel merkwaardige feiten genoemd worden, verdient nader onderzoek, om vast te stellen, of die verzen inderdaad echt zijn (n).

Note: Het is af en toe mogelijk de Pararaton-vertaling van Brandes te corrigeren naar een duidelijker lezing in de Rangga Lawe. Ik maakte bij het vergelijkend lezen de volgende aantekeningen:

Parar.18,19. Nduk mahu anjeneng prabhu = in de eerste tijd van zijn regering. Mahu is in Brandes' vertaling niet tot zijn recht gekomen. In plaats van het volgende puspapata leze men puspata naar de v.l. D.E.

18,20. Angaturi rahayuaning tuhan = hij adviseerde zijn heer, wat goed voor hem zou (blijken te) zijn.

18,24? Sapanjeneng. Brandes vertaalt: „Nadat… koning was geworden». Nu valt inderdaad de opstand van Bhaya, Bhayangkara of Cayaraja (127o) kort nadat Krtanagara volledig koning was geworden (1268; zie Krom, Gesch., resp. p.328 en 324). Toch is het de vraag, of Brandes' vertaling aanvaard kan worden. In de eerste plaats kent de Pararaton aan Krtanagara een veel korter regeringsduur toe dan waar gebleken is terwijl de jaartallen onjuist zijn; dat de opstand dus inderdaad kort na 1268 viel - maar hij regeerde praktisch al sinds 1254! -, heeft in het verband van de Pararaton niet zoveel waarde. In de tweede plaats past volgens de nieuwere grammatica bij Brandes' vertaling wet de vorm sapanjeneng, maar sajeneng (nya, -e, -ipun) (N.J. sasampunipun jumeneng); doch deze betekenis van sa + verbaalstam, die zo gewoon is in het moderne Javaansch, komt voor zover ik weet niet zoveel in het oudere Javaans voor, en stellig niet in het Middeljavaans. En in de derde plaats wordt de wel bij sapanjeneng passende vertaling ‘gedurende de gehele regering van’ bevestigd door Rangga Lawe I, 10: ‘pan tan mary agagaman dandopakara, nitya amati-mati, kalana ingaran Bh’. Deze vertaling is natuurlijk nog minder dan die van Brandes in overeenstemming met de juiste toedracht der zaak, maar kan niettemin wel de bedoeling van de Pararaton-schrijver geweest zijn.

18,27. Akasukan siraji Kertanagara = zo leidde K. een vrolijk leventje (Brandes: ten genoegen van K.).

18,28-30. In de vertaling van deze zin is Brandes niet erg gelukkig geweest. In de tekst voege men een komma in na pinakamusuhira en schrappe die na Kertanagara; het wonten van v.l. D en van v.d. Tuuk kan in de tekst na yan niet gemist worden. Over pasawalan is hierboven reeds gesproken; de gehele zin zou ik willen vertalen, gedeeltelijk in aansluiting bij Jonker's vertaling (p.79, noot 5): „Nu bestond er een vete tussen hem en aji Jaya Katong, de ratu van Daha, die zijn vijand was (zich als zijn vijand beschouwde). Aji Krt. twijfelde eraan, of (= geloofde niet, dat) de vijand van de gunstige gelegenheid gebruik zou maken, en gaf er zich geen rekenschap van (of: verloor uit het oog), dat er (daardoor) een verzuim van zijn kant bestond."

De hier gebruikte vorm pinaka-musuh-ira zou er, mèt het kemper pangaladeça ning satru van de volgende zin en mèt Krtanagara’s uitlating in 19,7,8, op kunnen wijzen, dat de vijandschap niet van Krt.’s kant kwam; anders zou allicht een wederkerige vorm (amumusuhan b.v.) gebruikt zijn.

Kemper is in Brandes' vertaling geheel verwaarloosd; Jonker vertaalt: hij dacht niet aan". De vertaling van v.d. Tuuk (‘twijfelen aan’) lijkt mij, ook in verband met de lezing van Rangga Lawe, I, 13, 40, verreweg de beste (K.B.W., II, 347a, sub 2). We lezen daar sub 1: ‘Kemper, v. imper? (saru), verlegen (bij het lezen van slecht schrift)’. Er bestaat, dunkt mij, geen reden om 1 en 2 van elkaar te onderscheiden: imper = zweem, gelijkenis, en kemper = getroffen, in de war geraakt door een gelijkenis > gaan twijfelen, met dezelfde betekenisovergang dus als in Arabisch shubha = similitudo dubium, incertitudo (Freytag). Juynboll vertaalt (Wrdl. s.v. imper), vermoedelijk via (p.64) soortgelijke redenering, „het trof, dat". Bij de vertaling van pangaladesa zagen Brandes en Jonker over het hoofd, dat dit geen substantief, maar een actief nomen verbale is (met pa + nasalering = N.J. olehé of nggoné + genasaleerd ww.) = het gebruik maken van de kaladesa (zó te verbeteren bij Ju., Wrdl., 119b). Met Krtanagara's dosa = verzuim, schuld, wordt wel de onvoorzichtigheid bedoeld, waarmee hij zijn rijk van troepen ontbloot had voor de Sumatraanse expeditie.

18,34. Anenggeh is in dit taaleigen bijna altijd „men zegt", „ze zeggen". Met mangke begint dus een nieuwe zin.

18,35. Tegal lama mangke ta. V.l. B heeft sangketa. Merkwaardig is, dat Rangga Lawe, I, 17 ook alas masangketa heeft (het afgesproken woud)!

18,36. Baya is niet kaaiman, maar (bhaya) gevaar. Indien kaaiman bedoeld geweest was, zou er hebben moeten staan bayanipun, zoals ook achter de volgende woorden -(n)ipun staat, omdat die dieren daar thuishoren. Bhaya ontbreekt in Rangga Lawe, 1,17-19.

19,10. Arya dikara. Dat hij niet op de corresponderende plaats in de Rangga Lawe genoemd wordt, bevestigt Jonkers mening (p.80, noot 1). Aryadhikara is in de Rangga Lawe de latere titelnaam van Wïraraja als heer van Tuban.

19,19-20. Apulih, door Brandes vertaald met “trachtte zich te verdedigen". De bedoeling zal wel zijn: trachtte de situatie te redden, trachtte weer aan de winnende hand te komen. Vgl. amapulihaken in 19,14, waarvoor de corresponderende Rangga Lawe, I, 52 ook apulih heeft.

Omtrent het pinggir raksa van 19,15 (tekst pinggir Aksa) nog een opmerking, die wellicht overbodig is. Brandes' vertaling “bewaakte grens" is natuurlijk vrij; in de toelichting in noot 3 van pag. 80 („pinggir raksa, de verdedigde, in staat van tegenweer gebrachte grens") wordt die vrijheid nog wat groter genomen, Raksa kan natuurlijk niet als passief adjectief opgevat worden; de letterlijke vertaling is „wachtpostenlinie", „beschermende" of „beschermingsgrens", wat praktisch natuurlijk op hetzelfde neerkomt.

19,20. Tinuturaken. Men zou ook kunnen denken aan een vorm van tutur = volgen, achtervolgen; dus: ter achtervolging uitgezonden.

19,25 sqq. vanaf sumengka is door Brandes niet begrepen. Zie voor emendaties p.84, noot 6, van de editie, waaraan men toevoege die van Hazeu (stelling diss.): hij schopte met zijn voet tegen een door het ploegen ontstane vore. De emendaties zijn echter nog niet voldoende; aan de hand van Rangga Lawe, I, 53-56, is het mogelijk een betere verklaring te geven. Men vertale de Pararaton-plaats aldus:

„Raden Wijaya vluchtte een sawah op, die aan de kant van de weg lag (of: een hellende, oplopende sawah), om er een toevlucht te zoeken (om zijn leven te redden). Kebo Mundarang wilde hem treffen (v.l. E anuduka!) met zijn lans (buntal, dat dus geen eigennaam is); raden Wijaya zette (duwde) zich (bij het pareren nl.) af op aarde, die door de singkal (strijkbord van een ploeg, dat de aarde aan weerszijden van de voor wegdrukt) bij het ploegen losgewerkt was. De borst en zelfs het gezicht van Kebo Mundarang geraakten daardoor vol slijk; hij week terug en zei: „Wel, 't is werkelijk waar, dat heer raden een dewa is"."

Het anekdotische Pararaton-verhaal wordt pas duidelijk, wanneer men de Rangga Lawe-tekst ernaast legt: „Kebo Mundarang zat Raden Wijaya op de hielen en toen hij hem ingehaald had, slingerde hij met geweld zijn lans (ambuntal). De raden wist ze netjes te pareren, waarbij bij met een vaart opsprong en zich met de voet afzette (afduwde) tegen de grond. Het water van de door de ploegers gemaakte voor (of:, dat in de losgesingkalden [?] grond stond,) spatte telkens tegen Kebo Mundarangs borst en ook zijn gehele gezicht kwam vol slijk te zitten. Hij trok zich terug, terwijl hij zei: “Wel, hij is toch werkelijk een dewa! Ik heb de Aarde van de Voetzolen van de Heer in handen trachten te krijgen, maar ik heb de verkeerde gekregen"," waarbij de aardigheid is, dat de mantri Kebo Mundarang met „Aarde van de Voetzolen van de Heer" raden Wijaya aanduidt (lemah talampakanira > N.J. pakanira; Maleis duli paduka, lett. het stof der sandalen = Zijne Majesteit), en vervolgens de uitdrukking in letterlijke zin gebruikt en met de „verkeerde aarde van 's Heeren voetzolen" de kluiten aarde (p.65) bedoelt, die Wijaya bij zijn pareersprong wegtrapte en die hij daardoor op minder prettige wijze in zijn bezit kreeg.

19,31-33. Uit de Rangga Lawe blijkt, dat we hier niet met een beurtelingse aanval van Sora en Wijaya, maar met een gemeenschappelijken aanval op Sora's initiatief te doen hebben. Men vertale: Sora had nl. gezegd: „Nu moest gij, heer, een aanval doen, want nu is het een gunstige gelegenheid daartoe." Wijaya had een aanval gedaan en groot waren toen de verliezen der Dahase troepen. De nadruk valt dus op mangke, niet op pakanira; zie voor de beide betekenissen van mangkin Ju., Wrdl.

19,34. Sedeng sirep ing wong zou men ook kunnen vertalen: tegen grote-mensen-bedtijd. Vermoedelijk zal dit sirep aan het sisirep aji van de kidung niet vreemd zijn.

20,2. De lezing v.d. Tuuk-Jonker dahat aridu lijkt mij verkieselijker, doch het dan niet genoemde onderwerp van de zin is toch wong Daha. Daardoor is meteen de schijnbare tegenspraak tussen Jonker's tekstlezing (p.26, laatste regel) en zijn vertaling (p.85, noot 4) verklaard. Ook het volgende kala ning wengi mag wel zo opgevat worden, dat er uit blijkt, dat de gebeurtenis, die in de vorige zin medegedeeld wordt, vóór de nacht valt. Brandes vertaalt wonten ta baleman ing wong Daha met „zij maakten een vuur aan", en wekt daardoor de voorstelling, dat met „zij" de in de vorige zin vermelde verwarde Daha'ers bedoeld zijn. Dat is echter niet de bedoeling; men vertale: 's Nachts nu was er (nl. achter de linie) een vuur (ter verwarming) van de Dahanezen.

20,4. Denira sambut vertale men niet met “hij bevrijdde haar weer", maar “hij nam haar mee", daar zij zich blijkens de kidung niet als gevangene daar bevond. Tevens ziet men hier een voorbeeld van het andere mangkin.

2o,7-8. “Sora", drong hij aan, “kom, laat ons nog eens aanvallen, in de hoop, dat (ook) de jongste gevonden moge worden." Angamuk is in elk geval geen bevel.

HOOFDSTUK III - VERHALEN UIT DE GESCHIEDENIS VAN MAJAPAHIT

§I. De opstand van Rangga Lawe

(p.66) Pinteng ing warsa kadurmanggalan ing rat.

Note: Na verloop van een aantal jaren kwam er een door slechte voortekenen beheerste periode.

Met deze woorden wordt het tweede gedeelte van de dubbel-kidung scherp van het eerste gescheiden en wordt de lezer in een geheel ander milieu verplaatst. De Wijaya van de slagvelden is de Krtarajasa van de audiëntiezaal geworden, en de strijdlustige gezellen zijn verworden tot deftige rijksgroten. Nambi was patih geworden, Wïraraja Aryadhikara en Lawe amanca-nagara van Tuban en adhipati van Dataran (n).

Note: Men lokaliseert hier Dataran (Parar. 21,4 Datar) blijkbaar in de buurt van Tuban; dit blijkt het beste uit Rangga Lawe, VII, 28, waar verteld wordt, dat de Chinezen bij Dataran landden en vandaar langs de kust trokken en Tuban verwoestten. De schrijver van de kidung heeft geen juiste voorstelling van de aardrijkskunde van het Majapahitsche gebied meer; dat blijkt in het vervolg ook nog herhaaldelijk.

Van de overige rijksgroten wordt de volgende opsomming gegeven (Rangga Lawe, VII, 165-169): Jaran Wahan, Pamandana, Kebo Pawagal, tumenggung Jiwaraga, Singhasardula, demang Dadaha, apanji Wirabhumi, Medang, Dangdi, Kebo Anabrang, Wiro, Nambi, Sora, Siddhi, Sondong Sanjata, Bañak/Banyak Wide, Hangsa Terik, Bañak/Banyak Modang, Braja Çela, Andamohi, Padelegan, Kanuruhan, rangga Jalak, rangga Tan Gingsir, rangga Prawangsa, rangga Atat Kembang, Gagak Kara (= Gagak Sarkara), Sawung Galing, Mayang Mekar, Tosan, Kidang Galatik, Bhuta Ngasag, Kala Njerit (Kala Ngerak), Setan Kobar, Gagarang, Tambak Wisti, Jagawastra, Ula Dumung, Ula Bandotan, Cek Muring (naast Muring, Muringang, Cak Muringang), Kalabang Curing (of twee personen?), Juru Prakosa, Brahma Cikur, de pancatanda (n) van (p.67) Terung, Sapi Gumarang, Kebo Lalateng, Kebo Ampal, Pangrupak, Sado Bhaya, Tanjek Areneng en een ngabehi. Van hen golden Nambi, Lawe, Sora en Kebo Anabrang als de voornaamste.

Note: Pa(n)catanda, pe(n)catanda is een bepaalde ambtelijke rang. Ook in de Serat Kanda komt de pancatanda van Terung voor, wellicht uit de Rangga Lawe-stof overgenomen. Brandes meent (p.229 v. d. Parar.-editie), dat Pancatanda een eigennaam is, wel ten onrechte. Vgl. Kid. Sunda A 33, waar een pa(n)catanda van Jipang voorkomt. Vermoedelijk is het dus een ambtenaar van de bestuurs- of administratieve dienst.

Uit de plaatsen in K.B.W..IV, 48a blijkt, dat men later de aard van de functie niet precies meer kende. Als betekenis van het woord geeft Ju. s. v. tanda „de vijf marktmeesters" en s. v. pancatanda „de vijf ouderlingen". Uit R. L., VII, 169, K. S. red. A 33 en de Serat-Kanda-plaats blijkt echter genoegzaam, dat er maar één persoon mee bedoeld wordt; vermoedelijk is pacatanda de eigenlijke vorm en pancatanda de genasaleerde, wellicht juist onder invloed van de volksetymologie. De vertaling „de vijf ouderlingen" is van Kern (Nag., p.194), die tanda uit het Tagalog wil verklaren. De gissing is echter meer lumineus, dan waarschijnlijk. Is het in het algemeen gevaarlijk de verklaring van een zo geprononceerd sociale term zo ver van huis te zoeken, hier pleit bovendien nog tegen, dat het grondwoord van Tag. ma-tanda = oud zeer sterk oxytonon is, terwijl de meeste woorden, die het Tagalog met het Javaans gemeen heeft, hetzij vanouds, hetzij door lening, paroxytonon zijn. Over deze kwestie is wel het laatste woord nog niet gesproken! Opgemerkt moge worden, dat op p.194 van de Nag.-editie ook de Padelegan genoemd wordt, die hierin de lijst voorkomt (VII, 167).

Nu was het rangga Lawe tegengevallen, dat niet hij of Sora, maar Nambi amangkuhumi was geworden; hij meende, dat zij, die zich in de oorlog het meest verdienstelijk hadden gemaakt, ook het eerst voor het bekleden van hoge posities in aanmerking moesten komen. Ervan overtuigd, dat de vorst hem hierin onrecht deed, hoezeer hij hem ook in andere dingen zijn gunst had betoond, trok hij eens van Tuban naar Majapahit ter audiëntie, en had daar spoedig gelegenheid om zijn ontevredenheid te laten blijken. Eerst brak hij Nambi af, die nu in vredestijd de grote heer speelde, maar in de oorlog Lawe de zaakjes liet opknappen. Vervolgens probeerde hij ook voor Sora eisen te stellen, waartegen deze echter protesteerde.

Ten slotte spuwde hij over allen zijn gal uit en daagde Nambi uit tot een krachtmeting, hoe, waar en wanneer Nambi maar wilde. Nambi was hevig vertoornd en slechts de tegenwoordigheid van de vorst belette hem Lawe te antwoorden, zoals hij wel wilde. Ook Kebo Anabrang kon slechts met moeite zijn toorn bedwingen. De koning zat danig met het geval in de war. De hofkapelaan (brahmaraja) trachtte Lawe tot rede te brengen en vond daarbij instemming bij de meeste mantri's.

Maar Lawe bleef boos, bleef snoeven op eigen dapperheid en afgeven op Nambi; als hij en Sora er niet waren, hoe spoedig zou het dan met Majapahit gedaan zijn! Toen kon Kebo Anabrang zich niet meer inhouden, liep dreigend op Lawe af, en tartte hem dan maar eens zijn mannen op te roepen en te tonen wat hij kon. Lawe stond op, en verwijderde zich zonder pamit, terwijl hij (p.68) op zijn dijen sloeg. Hij ging naar de bale bang (n), vlak bij de pasir-pasiran 1), hing zijn kleren aan een boomtak en bleef Nambi opwachten (Rangga Lawe, VII, 160-VIII, 41).

Note: Zie de enkele opmerkingen hierover in B.K.I., 1927, deel 83, p.140.

Na Lawe's vertrek raadpleegde de koning Sora omtrent de jegens Lawe te volgen gedragslijn. Maar Sora ried het sterk af hem zijn zin te geven, want in de eerste plaats zou het een precedent scheppen, en in de tweede plaats zou het een erkenning zijn, dat de andere mantri's, Nambi, Kebo Anabrang en hijzelf, die toch wel in staat waren Lawe onder de duim te houden, bang voor hem waren.

Toen aan de overige mantri's gevraagd werd, wat hun houding in deze zaak was, bogen de meesten het hoofd en zwegen. Want Lawe had veel vrienden onder hen, doch allen gaven toe, dat hij verkeerd en brutaal had gehandeld. Nambi raadde de koning aan in elk geval niet overhaast te handelen, en Kebo Anabrang en de anderen waren het daarmee eens (Rangga Lawe, VIII, 41-49).

Na afloop van de audiëntie bleven de mantri's tezamen in de carangcang kawat (Vgl. aldaar p.138). Daar ontstond na enige tijd een zenuwachtige stemming) daar het gerucht liep, dat Lawe, die zich nog op de bale bang bevond, amok wilde maken op de puri. Sora was van oordeel, dat Nambi, om wie dit conflict ontstaan was, zich ook met de regeling er van belasten moest. Nambi verklaarde zich bereid zijn leven op spel te zetten voor de vorst en ook Kebo Anabrang wilde er nu maar op los trekken.

Pamandana hield hen terug, en wees er op, dat het niet gewenst was zo vlak bij de kraton een gevecht uit te lokken. Singhasardula gaf ten slotte de beste raad, dat Sora, Lawe's beste vriend, naar hem toe moest gaan om te trachten hem te overreden goedschiks weg te gaan. Sora ging, en Pangrupak, Sado Bhaya en Tanjek Areneng werden hem als geleide toegevoegd (Rangga Lawe, IX, 1-11).

Lawe schrok, toen hij Sora aan zag komen; hij hield op met alles kort en klein te slaan, wat onder zijn bereik kwam, en vroeg Sora hem te willen doden, nu het zo ver met hem gekomen was. Sora wilde dat echter niet, vermaande Lawe te denken aan vroeger, aan de talrijke gunsten, die hij van de vorst ontvangen had, en zei hem rustig naar Tuban terug te keren én het geval aan zijn vader voor te leggen. Ten slotte gelukte het hem Lawe daartoe te bewegen.

Een grappig intermezzo, (p.69) een scène, die een bañolan/banyolan zou zijn in een lakon. Pangrupak, die eerst geweldig gesnoefd had op zijn heldenmoed, dorst bij het gesprek tussen Sora en Lawe net even om een hoekje te kijken; toen Lawe hem sarcastisch vroeg, of hij soms uitgestuurd was om hem te doden, en hem uitnodigde dan maar eens wat dichter bij te komen, zonk het hart hem in de schoenen en dorst hij niet eens antwoord te geven, zodat Tanjek Areneng nog het woord voor hem moest doen.

Lawe verliet toen de kraton, zo geweldig dreigend, dat velen de schrik om het hart sloeg en velen meenden, dat men Lawe liever ongemoeid moest laten, omdat de kwade gevolgen niet zouden uitblijven. In de kuta echter werd alarm geslagen en troepen werden opgeroepen om Tuban te gaan belegeren. Tosan, Kidang Galatik, Siddhi, Cek Muringang en Kalabang Curing sloten zich bij Lawe aan, benevens de gehele Noordhoek (mbang lor) (IX, II-36).

Toen zich te Tuban het gerucht verspreidde, dat Lawe naar Tuban kwam, ging Adhikara (Wïraraja) hem tegemoet. Al gauw zag hij, dat er met zijn zoon iets niet in orde was, en informeerde naar de reden er van. Toen Lawe hem alles verteld had, zweeg hij. Zijn zoon lag hem nader aan het hart dan de koning, maar hij had een open oog voor de moeilijkheden, die Lawe nu te wachten stonden, en raadde hem aan liever niet onbedachtzaam te handelen en zich te houden aan zijn verplichtingen als onderdaan, daar op verraad zware straf stond in het hiernamaals en in de wedergeboorten.

Lawe voelde, dat zijn vader gelijk had, maar zijn trots belette hem nu nog terug te krabbelen en zich ten overstaan van zijn eigen onderhorigen zo te vernederen. Dus antwoordde hij zijn vader, dat het onbetamelijk voor helden was te wijken, wanneer gevaar opdoemde, 't Ging er voor hem om zijn reputatie, dat hij mèt Sora de dapperste held van Majapahit geweest was, hoog te houden. Zijn doel was niet om thans nog heldendaden te verrichten of zich rechten van de vorst aan te matigen; slechts wilde hij zijn leven offeren om in volgende existenties de positie te behouden, die hij nu had. Zijn vader, die het nutteloze van verder betogen inzag, liet Lawe nu verder zijn gang maar gaan, hoewel het hem speet, dat zijn zoon zijn raadgevingen in de wind sloeg (IX, 36-54).

Lawe riep nu zijn mantri's bij elkaar: behalve zijn mantri's pura, Gagarang en Tambak Wisti (Tambak Bhaya) kwamen er van de akuwu's en van de mantri's van Tuban op: demang Wira Pramoda, tumenggung Wyaghra Nggarit, Gelap Angampar, (p.70), Prabhongsara, de ngabehi, Jaga Rudi(t), Tameng Gita, Wira9astra, Anapak Bhaya, Sawung Indra, Salam, demang Wira Prahara, rangga Suranggana, Jaran Pikatan, rangga Dadali, de kanuruhan, tumenggung Barat Katiga, Gereh Kasapta, rangga Sapu Jagat, tumenggung Puspalaya, demang Wulung Rat en Langlang Bhuwana. Allen beloofden ze hem trouw tot in de dood te zullen zijn, en de algemene wens was, dat Nambi de Majapahitsche troepen mocht aanvoeren, want dan zou hij ervan lusten. Nadat Lawe nog de gebruikelijke uitdelingen (van kleren) had gehouden (zie ook de opmerkingen op p.50, noot I), keerde hij naar huis terug om voorbereidende maatregelen te gaan treffen voor de te verwachten vijandelijkheden (IX, 54-70).

In Tambak Beras, aan de Oostelijke oever van de rivier, kwam het tot een treffen tussen de troepen van Nambi en de Majapahitse aanhangers van Lawe. Dezen moesten nl. om Tuban te bereiken de rivier oversteken, maar konden dat niet, omdat het juist hoog water was. Zo kwam het, dat Nambi, die ze met een grote overmacht achternazat, ze daar inhaalde en aanviel. In de strijd, die nu volgde en waarvan de afloop niet anders kon zijn dan een vernietiging van de aanhangers van Lawe, viel aan de Majapahitse kant Medang, terwijl van de andere groep Siddhi en Tosan sneuvelden, Kalabang en Muringang zwaar gewond vluchtten en dus alleen Kidang Galatik overbleef.

Toen hij, van alle kanten in het nauw gebracht en met gebroken wapenen, door Jaran Wahan zou aangevallen worden, hield Nambi dezen terug en vroeg Galatik, of hij het leven of de dood verkoos. Galatik vroeg toen om lijfsbehoud en bood zijn onderwerping aan. Jaran Wahan stelde voor, dat men Galatik de gelegenheid zou geven om te tonen, dat hij het oprecht meende, door hem op te dragen zijn twee gewonde wapenmakkers Kalabang en Muringang te gaan doden. Inderdaad gaf Nambi Galatik die opdracht en Galatik aanvaardde ze. Hij ging naar zijn beide makkers toe, die uitgeput en bloedend op stenen zaten, geleund tegen een pandan-boom, omringd door hun manschappen, waarvan er velen gewond waren. Bij hen gekomen kondigde Galatik hun aan, dat hij uit begeerte naar lijfsbehoud op zich genomen had hen te doden. Kalabang en Muringang vonden het goed, gaven hun zwaarden over en lieten zich met volkomen indolentie doden. Hun manschappen vluchtten naar Tuban en bij het overzwemmen (p.71) van de rivier verdronken er velen. De troepen van Majapahit konden, toen tegen zonsondergang de eb intrad, zonder enige moeite de rivier oversteken (IX, 70-101).

De volgende ochtend werd te Tuban bekend, dat Lawe's Majapahitse vrienden bij Tambak Beras (hier Tambak Wosi) achterhaald en gedood waren, en dat de vijand de rivier overgestoken was. Gagarangan en Tambak Bhaya gingen het bericht mededelen aan Lawe, die daarop bevel gaf alles gereed te maken om uit te trekken.

Lawe zelf ging afscheid nemen van zijn beide vrouwen, Mrtaraga (Amrtaraga, Amrtawati) en Tirthawati, en wel voor goed. In sinom-strofen wordt nu verteld van de wanhoop en de jammerklachten der vrouwen en van Lawe's pogingen om ze te sussen en te sterken. Mrtaraga smeekte hem toch niet te vertrekken, want ze had die nacht een ongunstige droom gehad. Zij beiden waren in haar droom met Lawe naar de tuin gegaan om bloemen te plukken en hadden de geplukte bloemen in een korfje gedaan. Plotseling was er een kraai op neergestreken; het korfje was omgevallen, de bloemen waren er uit gestort en tot as verteerd.

Lawe wist nu, dat zijn dood onvermijdelijk was. Niettemin liet hij zich niet door die droom beïnvloeden, noch door haar verdere jammerklachten. Ten slotte lieten de vrouwen zich door Lawe kalmeren; ze verzoenden zich met haar lot en besloten Lawe, mocht hij sterven, in de dood te zullen volgen. Vervolgens ging Lawe toilet maken, en toen hij daarmee klaar was, nam hij afscheid van zijn vrouwen en beval zijn zoontje Kuda Añjampyani, de arme, die nu door zijn vader voorgoed zou verlaten worden, in haar liefde aan.

De jongen begon te huilen, toen hij zijn moeders zo verdrietig zag, waarop Tirthawati aan een iña/inya bevel gaf hem naar het paleis van zijn grootvader te brengen. Vader, zo suste zij de knaap, ging zijn opwachting maken bij de koning in Majapahit; wanneer hij terugkwam, zou hij voor hem een klein gouden wagentje meebrengen, bespannen met de kuda Sambrani, het vliegende paard. Zo liet het kind zich paaien, en de iña/inya nam hem mee. Voor de laatste maal wisselden Lawe en zijn vrouwen nu van sirihpruim. Herhaaldelijk kuste hij beiden. Toen ging hij weg, langzaam lopend en telkens omkijkend, van medelijden vervuld bij het zien van zijn vrouwen en door liefde bezwaard (IX, 101-X, 31).

De troepen begroetten hun veldheer met geestdrift en met allerlei uitingen van strijdlust. Lawe stelde ze op in de slagorde (p.72) “krokodil met gapende muil". Op het ogenblik van vertrek kwam één van Lawe's schoonvaders, kyayi Geng ing Palandongan, nog een poging doen om hem te bewegen van zijn voornemen af te zien, maar Lawe bleef bij zijn besluit. Al spoedig na het vertrek ontmoetten zij de Majapahitsche troepen; een wilde strijd ontbrandde, waarin vele doden vielen. Het hoogtepunt van de strijd was het gevecht tussen Lawe, gezeten op zijn strijdros Megha Lamat, en Nambi, waarin Nambi overwonnen en op de vlucht gejaagd werd.

Toen werden de Majapahitters verslagen en teruggejaagd over de rivier, waarbij er velen verdronken. Lawe wilde ze ook voorbij Tambak Beras achtervolgen, maar zijn makkers ontrieden het hem, daar hij dan op vijandig gebied zou komen, en bovendien nog niet alle Majapahitse troepen uitgekomen waren. Lawe stemde toe. Toen viel de nacht en moest de strijd voorlopig gestaakt worden (XI, 1-67).

Verteld wordt dan, dat er de volgende ochtend in Majapahit audiëntie was. Juist had Sora gerapporteerd, dat de troepen een overwinning behaald hadden bij Tambak Osi (Tambak Wosi, Tambak-Beras), de rivier overgetrokken waren en op dat ogenblik wellicht Tuban reeds bereikt hadden, toen Hangsa Terik binnengedragen werd en de ongunstige stand van zaken meldde. De koning werd boos en wilde onmiddellijk zelf optrekken om Tuban te verwoesten, maar Sora en Kebo Anabrang raadden het af, omdat de troepen nog te vermoeid zouden zijn. De koning zwoer, dat, wanneer Lawe niet gedood werd, hijzelf van Majapahit een wildernis (n) zou maken.

Note: Rangga Lawe, XI, 88: sagarejo (= sagara ijo) = een groene zee, een zee van groen, als beeld van de wildernis, waarin een verwoeste stad verkeert. P.K., III, 20 heeft sagara wilis, ook van Majapahit, en ook tasik wilis komt voor.

Daarop zond hij Kala Ngerak, Setan Kobar, Bhuta Ngasag en Juru Prakosa uit om de vluchtende troepen weer te verzamelen, om de toestand op te nemen en om informaties in te winnen naar de vijand. Met 800 man gingen ze op weg.

Intussen werden te Majapahit maatregelen getroffen voor een tweede veldtocht. Met 10.000 man rukte de koning zelf op. Toen ze op de vlakte Wirakrama aangekomen waren, ontmoetten ze de vier, die ter verkenning uitgestuurd waren. Zij rapporteerden, dat een groot deel der Majapahitse troepen van de eerste expeditie nog aangetroffen was, verspreid over allerlei dorpen, waarheen ze gevlucht waren, (p.73) en dat de Tubanse troepen klaar stonden om de strijd te hervatten (XI, 67-121).

De talrijke tweegevechten, die de tekst uitvoerig vermeldt, kunnen we hier overslaan. Lawe reed vechtend over het slagveld rond op zijn paard Nilambara. Toen de koning hem daar zag, week zijn toorn en werd hij neerslachtig, daar hij bedacht, welk zwaar verlies Majapahit zou lijden door Lawe's dood; dan zou ook hem zijn leven niets meer waard zijn. Niettemin gaf hij Sora verlof, op diens verzoek, om Lawe te bestrijden.

Sora organiseerde de strijd aldus: Kebo Anabrang in het Oosten, Gagak Sarkara in het Westen en Mayang Mekar in het Noorden. De beslissende strijd werd gestreden tussen Lawe en Kebo Anabrang. Lang streden ze met elkaar. Een ogenblik was het, alsof Kebo Anabrang het verliezen zou; zijn paard werd onder hem gedood en hij viel op de grond. Tevergeefs probeerde hij Lawe's paard te krissen en Lawe zelf te treffen met zijn lans.

Intussen maakte Lawe van zijn voordeel geen goed gebruik, want ze raakten toen weer een poosje van elkaar gescheiden. Voor de tweede keer ontmoetten ze elkaar aan de oever van de rivier. Kebo Anabrang stond nl. in het water en verfriste zich wat na de hitte van de strijd. Zonder zich te bedenken sprong Lawe ook in het water om zijn tegenstander daar te bestrijden. Eerst wist Lawe Kebo Anabrang onder water te duwen, maar deze kon ten slotte weer overeind komen en doodde Lawe's paard. Lawe sprong op een rots en vocht in het water staande verder. Maar in deze waterstrijd was Kebo Anabrang de meerdere en na veel moeite wist hij Lawe te doden. Op dat ogenblik kwam Sora aanrijden, en toen hij zag, wat er gebeurd was, doodde hij op zijn beurt Kebo Anabrang, meegesleept door zijn toorn (XI, 170-234).

De strijd was afgelopen. Aan de koning werd medegedeeld, dat Lawe en Kebo Anabrang beiden in hun tweekamp gevallen waren. Maar de koning was niet verheugd op het hooien van het nieuws, daar de overwinning hemzelf op grote verliezen was komen te staan. Vervolgens gaf hij bevel de lijken te verzamelen en speciaal dat van de adhipati van Tuban te reinigen en te verzorgen.

Ook in Tuban had intussen een pangalasan het bericht van Lawe's dood gebracht en er grote verslagenheid verwekt. Vooral de droefheid van Lawe's gemalinnen was groot. Weldra gingen ze zich echter gereed maken om haar heer in de dood te volgen; ze kleedden zich fraai aan en (p.74) parfumeerden zich. Spoedig voegden zich kyayi (A)geng ing Palandongan en Adhikara bij haar. De laatste ried haar aan aan het lot van Lawe's zoon Kuda Añjampyani/Anjampyani te denken en te trachten 's konings gunst te herwinnen; wellicht gelukte dat, wanneer hij de koning zou kunnen herinneren aan de grote verplichtingen, die hij jegens hem had uit de dagen van Jaya Katong's verovering van Tumapel. Zij besloten de volgende dag gemeenschappelijk hun opwachting bij de koning te gaan maken (XI, 235-XII, 16).

Zo geschiedde. De koning ontving hen allen als vrienden. Niet alleen nam hij hun bede om vergiffenis aan, maar zelfs verklaarde hij zich ook schuldig, omdat hij Lawe te kort gedaan had. Daarop gaf hij Sora een wenk, dat hij de vrouwen bij de lijken zou brengen (XII, 17-26).

De bela's namen afscheid en vroegen verlof aan de koning om heen te mogen gaan. Bij Lawe's lijk aangekomen, namen ze het kleed, dat het bedekte, weg, riepen Lawe aan, herinnerden hem aan haar gelofte van trouw en doorstaken zichzelf als trouwe gaden (Zang XIII).

Van de opstand van rangga Lawe, die de Pararaton in Saka 1217 = 1295 A.D. plaatst, doch die, zoals door Poerbatjaraka aangetoond is, in werkelijkheid pas in 1309 plaats had (Parar., p.125, noot 8; Krom, Gesch., p.369-370), vernemen we behalve uit de kidung alleen iets uit de Pararaton (25, 5-15). De lezing van de Pararaton is zeer beknopt en geeft alleen enkele hoofdzaken aan. Maar ook de hoofdzaken er van kloppen maar voor een zeer klein gedeelte met wat we in de kidung lezen.

Als namen van de volgelingen van Lawe geeft de Pararaton: Panji Marajaya, Jaran Waha, Arya Siddhi, Lintang, Tosan, Galatik en Tati, waarbij de vv.II. D E G I nog voegen Banyak Madang en D en I Dangdi. Van deze vinden we in de kidung alleen Siddhi, Tosan en Galatik terug. Jaran Waha(n) komt wel in de kidung voor, maar als tegenstander van Lawe; dat is ook het geval met de Dangdi van de vv.II. Banyak Madang, die verder in de gehele Pararaton niet meer voorkomt, vinden wij in de kidung terug als Bañak/Banyak Modang. De andere namen, Panji Marajaya, Lintang en Tati kent de kidung niet. Van de geheimzinnige Mahapati, die volgens de Pararaton Lawe in verdenking bracht, in de kidung geen spoor, wat zeer opmerkenswaardig is. De afval van Galatik, (p.75) die de Pararaton op rekening van Mahapati stelt, wordt in de kidung bewerkt door Nambi.

En van het overbrengen door Mahapati van een verdachte uitdrukking van Lawe is in de kidung geen sprake; wel komt daar, zoals we in hoofdstuk II reeds zagen, de verdachte uitdrukking zelf voor (VII, 119-120), en inderdaad zou men de al te vrijmoedige uiting als een belediging kunnen opvatten. Daarom kunnen we, deze talrijke en grote afwijkingen constaterende, hier nog minder dan in het geval van de Panji Wijayakrama met Brandes' opinie meegaan, dat de Rangga Lawe-stof aan de Pararaton ontleend zou zijn.

Dat we hier met een geheel aparte traditie te doen hebben, die slechts in meer verwijderd verband staat tot de Pararaton-stof, zal ieder duidelijk zijn, die het hierboven gegeven inhoudsoverzicht van de Rangga Lawe naast de Pararaton-lezing legt. Wanneer dan ook de Rangga Lawe de opstand van Lawe nog onder de regering van Wijaya plaatst (XI, 104; vgl. XII, 11, 12), is daarbij geen sprake van misverstaan van de Pararaton, die niet duidelijker zou kunnen zijn bij het vermelden van het feit, dat Kala Gemet regeerde, toen Lawe opstond.

Een andere vraag is: heeft de Rangga Lawe opvatting, dat de opstand onder Wijaya plaats had, waarde? Kala Gemet aanvaardde de regering in 1309; Lawe's opstand had plaats drie jaar voor de geschiedenis met Sora, die in 1311 plaats vond. Voor Lawe's opstand komen we dan op 1308 of begin 1309. Onmogelijk is de R. L. lezing dus zeker niet. Details van de kidung behoeven we natuurlijk niet als historisch op te vatten; het boek is in de eerste plaats een roman; het is b.v. niet onmogelijk, dat in de beschrijving van de geweldigen strijd tussen Lawe en Kebo Anabrang de slotscène, de onverwachte dood van Kebo Anabrang door toedoen van zijn eigen strijdmakker, alleen er bij gefantaseerd is ter verhoging van het romantische effect (vgl. hierboven, p.8, 9); de Pararaton (25, 22) meldt ten minste, dat hij drie jaar later nog levend genoeg was om zijn moordenaar Sora uit de weg te ruimen (n).

Note: Vgl. Krom, Gesch., p.370, waar ook het niet in Leiden aanwezige geschrift Sorantaka vermeld wordt, dat, naar de titel te oordelen, wellicht bijzonderheden over deze moord bevat. In de lijst, waarnaar Krom, p.370, noot 1, verwijst, staat Sorandaka; dit kan een variant van Sorantaka zijn, omdat op dezelfde pagina (1e kolom) ook Kresnandaka in plaats van Kresnantaka voorkomt, maar het is ook niet onmogelijk, dat werkelijk de vorm met d bedoeld wordt, daar in Rangga Lawe, VIII, 43 en IX, 11, 16 Sorandaka voorkomt in plaats van Lembu Sora = Sora (K.B.W., I, 43b: andaka, verb. van nandaka; in eigennamen naast lembu). Dit werk zou dan in de traditie-bronnen tussen de Rangga Lawe en de Pamancangah in komen.

§ 2. De dood van Kala Gemet, Hayam Wuruk

(p.76) Koning Wijaya werd opgevolgd door Kala Gemet. Behalve de Pararaton vertelt ook de Pamancangah (P.K., I, 6), dat hij de zoon was van Harsa Wijaya (n), die Kediri ten val had gebracht en Jaya Natha (= Jaya Katong) gevangen had gezet, en van Dara Petak, een prinses uit Malayu, die als krijgsgevangene was meegenomen naar Majapahit (door Kebo Anabrang nl.; vgl. boven, hoofdstuk II).

Note: De vorm Harsa (arsa) Wijaya komt ook voor in Parar.22,20,33, maar Brandes geeft in de vertaling Arya Wijaya (p.88, en aldaar noot 7, p.89). Dat werkelijk Harsa bedoeld wordt, blijkt hier en ook in R. L., III, 21, IV, 93. Daarnaast komt ook Wijayamottama voor (Rangga Lawe, VII, 153, en vgl. P.K., I, 2).

Het verhaal, hoe hij aan zijn eind kwam, vindt men in Parar., 27, 1-11, en besproken bij Krom, Gesch., p.377. In 1924 publiceerde St. in Oudheidkundig Verslag 1924, p.146-147 (zie ook Krom, p.377, noot 2), een toespeling op deze geschiedenis (voorkomende in een Balineesche landsverordening), die bevat, dat niet de vrouw van Tanca, maar die van Jaya Mada (Jaga Mada), waarvoor St. Gaja Mada gist, aangerand was. St. vermoedt nu, dat die Balische overlevering juist is en er in de Pararaton een toevallige verschrijving heeft plaats gevonden, of een opzettelijke, om Gajah Mada te sparen.

Dat die toespeling in de landsverordening inderdaad de Balinese lezing is, blijkt ook uit de Pamancangah (P.K., I, 67-72; Pam., fol. 7a), waar we lezen, dat Kala Gemet „geen heilig boontje" (ora bhiksuka) was, dat er slechte gedachten in zijn hart opkwamen, dat hij niet leefde, zoals een behoorlijk vorst betaamt, want “amet rabi ning arabi, si rakryan Mada, angde runtik ing ati” (hij wilde zich meester maken van de vrouw van een gehuwde, nl. van heer Mada, hetgeen deze verstoord maakte).

Toen nu de koning eens een gezwel had, dat maar niet genezen wou, ontbood Gajah Mada Tanca, 's konings lijfarts, en beraadslaagde met hem over de mogelijkheid om de koning te doden. Zij spraken af, dat Tanca de koning zeggen zou, dat hij óf zich moest laten opereren òf drankjes slikken moest. De koning verkoos het eerste, met het bekende gevolg voor hem en voor Tanca.

Note: Cod. 5054 heeft in dit stukje voortdurend Kala Gemep in plaats van Kala Gemet.

In het volgende stukje van de Pamancangah (P.K., I, 71- 105; Pam., fol. 7a-9b) wordt iets verteld van de daarop volgende periode van de Majapahitse geschiedenis. Wijaya had twee dochters nagelaten, die in tegenstelling met Kala Gemet één (p.77) zijner volwaardige gemalinnen tot moeder hadden.

In de Pararaton wordt verteld, dat Kala Gemet deze prinsessen voor zich wenste te houden en dat hij daarom zorgvuldig er voor waakte, dat niemand anders aanzoek deed om haar hand (Parar. 27, 1-4), natuurlijk in zijn eigen belang (Krom, Gesch., p.377).

Na zijn dood nu, vertelt onze tekst, nam Gajah Mada de verzorging der beide prinsessen op zich, voor wie hij als een vader was. Hij was het ook, die een swayambara voor haar organiseerde; toen deze met grote pracht en praal en met vele religieuze ceremoniën gehouden werd, koos zich de oudste der beide prinsessen een ksatriya uit Koripan en de jongste er een uit Daha tot prins-gemaal (ardhanareswari, I, 82 (n).

Note: Ardhanareswari is de voornaamste gemalin van een vorst; vgl. b.v. K. S. b I 2a. Daar de vrouwen bier van hoger rang waren dan de mannen, schijnt het woord' (bij uitzondering) voor deze laatsten gebruikt te worden; het kan dan een krama-vorm van ardhanariswara zijn. De titels bhre (enz.) Koripan resp. Daha, die rechtens de beiden vrouwen toekwamen, worden in de latere traditie gewoonlijk voor haar mannen gebruikt; de eigenlijke titel van de oudsten van hen, vorst van Singhasari, is in het vergeetboek geraakt, maar die van de jongs ten, vorst van Wengker.is bekend gebleven. Uit deze Pamancangah-plaats blijkt, dat de latere traditie nog wel weet van de hogere rang der vrouwen; de titels zijn echter reeds in de war geraakt.

Hun huwelijk werd ingezegend door de sangkhapani (hofkapelaan; vgl. Krom, Gesch., p.326 en noot 3 aldaar) der brahmanen met een rituele dienst ter ere van „Smara en Ratih van het bruidsvertrek".

Na enige tijd bracht de oudste der beide prinsessen in de maand Karttika een zoon ter wereld, wiens geboorte door talrijke natuurverschijnselen aangekondigd werd: donder in het Westen (proza: Noorden), fijnen nevel, bliksemstralen, neerschietende vuurklompen, vulkanische uitbarstingen, vloedgolven en aardbevingen, tekenen, dat Smara zich op Java geïncarneerd had. De jonggeborene, door Smaranatha, de huispriester (n), plechtig in het leven geïnstalleerd (p.78), kreeg vanwege zijn vader de naam Ayam Uruk (-Wuruk) en vanwege zijn moeder die van Smarawijaya, omdat zij devotie had gehad voor Smara.

Note: Smaranatha is in de traditie de huispriester van het Majapahitsche hof gebleven; hij is dit hier, in 1334 A. D., hij is het ook ten tijde van de Pasunda Bubat (1349 of 1357). Zijn naam komt voorin enkele Oudjavaanse oorkonden; zie O.J.O., p.200, waar hij een dang acarya is, en p.209, waar hij samget i manghuri heet en 'ervaren' genoemd wordt in de heilige geschriften van de Bhairawa-sekte. Via de Middeljavaanse historische traditie, waarin hij bij wijze van uitzondering - toevallig? - is blijven leven, is zijn naam terechtgekomen in vrij jonge Balineesche stukken. Op p.37 hebben wij reeds gezien, dat hij met de brahmaan Nirartha geïdentificeerd werd. De noot van p.37 kan ik nog naar sindsdien ontvangen inlichtingen aanvullen: hij wordt vader van Nirartha genoemd in een lezing van P. de Kat Angelino te Amsterdam, 7 Januari 1922 (Verslagender Etnologen-bijeenkomsten te Amsterdam 1921-1924, Amsterdam, de Bussy, p.22-23); hoewel ik de K. Angelino's mededeling niet in twijfel mag trekken, wil ik toch de aandacht er op vestigen, dat er ook een andere jonge Balineesche lezing is, die Nirartha (Nilasta) tot zoon van Mpu Panawasika (sic) van Pasuruhan en kleinzoon van Mpu Panataran van Majapahit maakt, en waarin van Smaranatha dus niet gesproken wordt (v. Bloemen Waanders in zijn verderop nog te noemen Bijdragen tot de kennis van het eiland Bali, p.405; vgl. hierboven, p.31, 33).

Ook haar jongere zuster kreeg een zoon, die vanwege de vader Aya Tular en vanwege de moeder Smara Kajantaka genoemd werd (n).

Note: Omdat haar maagdom door de vorst begeerd was, zegt P.K., I, 94, Pam., fol.8b (ing kuna duk kararanira rahadyan ingayam-ayam, waarmee zowel aya in Aya Tular als kajantaka in Smara Kajantaka verklaard schijnt te worden, daar kararan of kalaran 1e = maagdom, 2e = gekweld, gefolterd, en in de laatste betekenis ongeveer synoniem met kajantaka(n) is, volgens Ju., Wrdl., s. v. jantaka); de verklaring is in overeenstemming met het verhaal in Parar., 27,

Hayam Wuruk groeide op tot een jongeman, een afgod der meisjes, bewonderd om zijn heldendaden door de gehele wereld, de trots van zijn ouders. Toen hij oud genoeg geworden was, droeg zijn vader hem de koninklijke waardigheid over en werd zelf naar oud gebruik bhagawan (over de betekenis van deze uitdrukking zie Krom, Gesch., p.424.).

Hayam Wuruk regeerde als een verstandige, plichtgetrouwe vorst. Niemand dorst zich tegen hem verzetten; Sunda werd vernietigd in Bubat, en ook China en Sawungkul (?Samungkul? lees Sawakung?) waren hem onderdanig. Deze machtige positie dankte hij aan het beleid van de oude patih en van de andere hoge ambtenaren, de patihs Madhu, Gowi, Kebo Bungsang en Marga Lewih, en aan Menjung (Mencung) en Teteg. Onder zijn regering was arya Damar gouverneur van Palembang en Jaran Panolih van Madura.

De voostelling van Gajah Mada's positie na Kala Gemet’s dood is onjuist, daar toen een ander amangkubhumi en als zodanig raadsman der nieuwe vorstin was (over de betekenis van deze uitdrukking zie Krom, Gesch., p.424.).

Van een swayambara spreekt ook Parar., 27,14; nadere bijzonderheden omtrent de familieverhoudingen in deze en de volgende jaren vindt men in Krom, Gesch., p.380 sqq.

Hayam Wuruk werd geboren in 1334, zoals uit Nag., I, 4 bekend is; ook in deze Nag.-strofe wordt gesproken van de miraculeuze voortekenen, die ten tijde van zijn geboorteplaats hadden en zijn toekomstige grootheid voorspelden (vgl. Krom, Gesch., p.395) en van welke de Kloetuitbarsting ook door de Pararaton vermeld wordt. Uit de vermelding er van hier in de Pamancangah mogen we, daar de (p.79) Pararaton van Hayam Wuruk's geboorte niets mededeelt, concluderen, dat de schrijver in elk geval zijn mededelingen niet uitsluitend aan de Pararaton ontleent, zoals Brandes, Parar. p.9*, eerste alinea, suggereert.

Daarentegen zou het mogelijk zijn, dat wel de Nagarakretagama-strofe op deze Pamancangah-passage invloed heeft uitgeoefend; een soortgelijke parallellie zullen we verderop nog ontmoeten (p.91,92).

Nóch uit Pararaton, nóch uit Nagarakretagama is ons echter de naam Smarawijaya bekend, die Hayam Wuruk hier gegeven wordt. Wel noemt Par., 27, 29-31, ons een aantal andere namen, die de koning bij verschillende gelegenheden droeg, en mogelijk hebben we hier te doen met een nawerking van die behoefte tot veelnamigheid, waar het Hayam Wuruks persoon betreft.

Typisch is ook de voorstelling hier van een naam van vaders- en van moederszijde, een eigenaardigheid, die we ook aantreffen bij Aya Tular, die een zoon zou zijn van Bhre Daha. Deze Aya Tular is evenmin verder bekend; van Bhre Daha kennen wij uit andere gegevens slechts twee dochters (zie Tabel I, Pararaton-editie). De voorstelling, die ons hier van de jonge Hayam Wuruk gegeven wordt, is ook die van de Kidung Sunda, waar hij bovendien eveneens een incarnatie van Smara wordt genoemd. Van de patihs, die hier opgesomd worden, zijn ons Madhu, Gowi, Marga Lewih en Teteg uit de Pararaton bekend; in de Kidung Sunda komen, ze alle zes voor. Over arya Damar en Jaran Panolih vindt men in hoofdstuk IV, § 2 nog nadere inlichtingen.

§3. De Pasunda Bubat

In de vorige paragraaf is even met een enkel woord uit de Pamancangah gesproken over de vernietiging van Sunda in Bubat; zoals op p.11 onder h 50 reeds is opgemerkt, vormt deze gebeurtenis ook het onderwerp van een aantal aparte verhalen, die in hoofdzaak hetzelfde vertellen, doch in details nogal van elkaar afwijken. Op de hoofdzaak behoef ik hier niet terug te komen, daar van de drie lezingen, die in de Kidung Sunda ook van geschiedkundig standpunt bezien te onderscheiden zijn, de eerste, die van red. B, medegedeeld is in mijn uitgave in B.K.I., 1927, deel 83, de tweede, die van de redacties A, C en van de Tattwa Sunda, parallel loopt met Parar., 28,29 - 29,16, en de derde, die van red. D, door de slechte toestand (p.8o) van het enige handschrift nog niet voor vergelijking in aanmerking komt (Zie voor nadere bijzonderheden omtrent de handschriften enz. de Inleiding tot mijn uitgave in B.K.I., deel 83, p.3-6.).

Verder vindt men het verhaal zelf volgens de Pararaton-lezing, vergeleken met enige Sundanese bronnen, besproken in Krom, Gesch., p.398 sqq., waar men ook de voornaamste literatuur over dit onderwerp vermeld vindt (p.399, noot 1).

De lezing van alle drie de redacties bevestigt volkomen Poerbatjaraka's interpretatie van de Pararaton-passage in T.B.G, 1921, deel 59, p.392-394; patih Madhu, die als afgezant uit Majapahit naar Sunda gekomen was om de prinses ten huwelijk te vragen, had eerst de nadruk gelegd op het feit, dat de prinses van Sunda Hayam Wuruks gelijkwaardige, voornaamste gemalin zou worden, „waardig om gehuldigd te worden door de gehele wereld", en pas toen Maharaja van Sunda, vergezeld van zijn vrouwen, zijn dochter en zijn edelen, in Bubat was aangekomen om te Majapahit het plechtige huwelijksfeest te gaan vieren, kwam Gajah Mada, die tot dusverre de vorst van Koripan (!) en Hayam Wuruk hun gang had laten gaan, tussen beiden om te verhinderen, dat de Sundanese gasten als vertegenwoordigers van een soevereine staat met het daarbij passende eerbetoon afgehaald zouden worden.

Toen daarop de Sundanese vorst vier van de voornaamste mantri's naar Majapahit gestuurd had om naar de reden van die vreemde houding van Majapahit te informeren, beledigde Gajah Mada eerst die afgezanten door ze niet dadelijk tot zich toe te laten en ze te laten merken, dat hij daartoe ook het recht had, legde daarna overbodig scherp en duidelijk de nadruk op de wenselijkheid, dat Sunda zich in alles, ook in de manier van aanbieden van de prinses, als een van de nusantara, de Majapahitsche onderhorigheden, zou gedragen, liet zich vervolgens, toen de Sundanezen over deze verandering van houding op het laatste ogenblik reeds een hartig woordje van toorn en verontwaardiging gesproken hadden, door Smaranatha voor de vorm wat matigen, paaide de gezanten weg met de belofte, dat hij ze stellig hun zin zou geven, indien de staatsraad zulks goedkeurde, en ging niettemin tot de aanval over met berusting of instemming - hierin verschillen de redacties- van de kant van de Majapahitse vorsten. De Sundanezen kwamen natuurlijk (p.81) allen om het leven, ook de prinses.

Zoals Krom, Gesch., p.399, zegt, is dit Kidung Sunda-verhaal inderdaad een zeer aannemelijke lezing der gebeurtenissen, die volkomen past in het kader van Gajah Mada's imperialistische politiek, en zelfs lijkt het mij geenszins uitgesloten, dat Gajah Mada opzettelijk de vorm van een huwelijksfeest, al of niet naar aanleiding van een verliefdheid van Hayam Wuruk, gekozen had als een voortreffelijk middel om alle voorname Sundanezen tegelijk en niet voorbereid op de mogelijkheid van een gewapend conflict in de „Javaanse valstrik" (n) te krijgen (n).

Note: Hierop zou ook het gebruik van deze uitdrukking in K.S. b, I, 69a en 843b (kena/kenaha) ring apus Jawi) kunnen wijzen!
Note: Van een soortgelijke politiek van een Pasuruhan-vorst tegen het einde van de 16de eeuw lezen we in C. Lekkerkerker's artikel „Balambangan" (De Indische Gids, 1923, Jrg. 45, deel II, p.1036).

Dat Gajah Mada dergelijke cynische methoden niet schuwde, wanneer ze hem een schrede verder konden brengen op de weg naar eigen en Majapahitsche machtsvolkomenheid, had hij reeds bij zijn eerste optreden tijdens het tussenbewind van Kuti getoond door de moord op de pangalasan (Parar., p.127-128; Krom, Gesch., p.372-374) en later herhaaldelijk door het uit de weg ruimen van politieke concurrenten (zie vooral Krom, Gesch., p.386). (vgl. St. in Oudh. Verslag 1924, p.147.)

Het nageslacht, waaronder talrijke verhalen en anekdoten omtrent deze merkwaardigste man uit de gehele Majapahitsche, wellicht uit de gehele oude Javaanse geschiedenis, moeten gecirculeerd hebben, verklaarde èn excuseerde zijn handelingen door hem te identificeren met Wisnu, de scheppende godheid, die zich vóór alles manifesteerde in vernietiging van alles, wat het werk van opbouw in de weg stond; men beluistert een toon van groot ontzag, van eerbied en vrees in wat de latere traditie van Lembu Muksa (Gajah Mada's naam, wanneer de nadruk valt op zijn goddelijk karakter) weet te vertellen, ook in de Kidung Sunda, waarin toch een uitgesproken sympathie voor de Sundanese slachtoffers op de voorgrond treedt.

Enige details der Kidung Sunda-verhalen, die wellicht geschiedkundige waarde hebben, mogen nu hier nog volgen. Van de geschiedenis van Sunda in deze periode is in de laatste jaren wat meer bekend geworden, 1) door het vastleggen van het jaartal van de Batu Tulis-inscriptie door Poerbatjaraka (1255 C. = 1333 A. D.; Krom, Gesch., p.400), 2) door Pleyte's (p.82) terreinonderzoek ter vaststelling van de vroegere ligging van Sunda's oude hoofdstad Pajajaran (p.401-402), 30 door het ontcijferen van drie koperplaten en een stenen oorkonde (p.402-403) en 40 Poerbatjaraka's gedeeltelijke lezing van de Oudsundanese Carita Parahyangan (p.403).

Voor ons doel is vooral dit laatste geschrift van belang. Het vermeldt, dat Prebu Maharaja 7 jaar na zijn optreden als koning „in een valstrik (geraakte), in een bedrog door een dochter, bekend onder de naam Tohaan (kroonprinses), die een grote bruidsschat begeerde, waarom vele mensen naar Java trokken, omdat zij niet in Sunda wilde trouwen. Men voerde strijd te Majapahit" (p.403). Op het belang van deze mededeling heeft Krom (p.404) reeds gewezen; ons treft i° in verband met wat hierboven en in de noot opgemerkt is, dat ook deze Sundanese tekst spreekt van een valstrik en van bedrog, en 2° dat de kidung de prinses gewoonlijk Prabhu Tuwan noemt, waarin we wellicht het Tohaan van de Carita mogen herkennen, vooral omdat de titel Prebu daar herhaaldelijk voorkomt. De naam Citrarasmi, die aan de prinses in K.S. b, 1,35a, gegeven wordt, is vermoedelijk door de romanschrijver bedacht; eer heeft nog de er minder Javaans-Balinees uitziende naam Dyah Pitaloka van K.S. c, I, 4, recht om als wellicht niet geheel verzonnen beschouwd te worden.

In de ogen der Sundanezen moest wel het huwelijksaanzoek in de vorm, waarin Madhu het deed, als een overwinning gelden van het door hen ook vroeger met de wapenen verdedigde standpunt, nl. dat Sunda recht had op een behandeling als onafhankelijke staat. Uit de kidung toch vernemen we van twee aanvallen van Majapahit op Sunda, welke beide, zoals Anepaken, de Sundanese patih, Gajah Mada in zijn twistgesprek met hem onder het oog bracht, bloedig door de Sundanezen waren afgeslagen.

Dit feit wordt verteld in K.S. b, I, 67, en iets uitvoeriger in a 32b-38a, aldus: Eerst had Majapahit een aanval laten doen op Sunda door Iles (b verkort Les), de pacatanda van Jipang, die in de Gunung Desi met de Sundanezen slaags was geraakt en na aanvankelijk succes door Anepaken verslagen en gedood was, waarna zijn afgehouwen hoofd de koning van Sunda aangeboden was. Nog geen vol jaar daarna was Sunda aangevallen door keurtroepen onder bevel van de dappere punggawa arya Beleteng, maar ook hem had Anepaken verslagen in de Gunung Tiyang en doen delen in Iles' (p.83) lot (n), terwijl hij de weinige manschappen, die er nog van de Majapahitse troepen over waren, maar voor vogelverschrikkers op de sawahs had laten gebruiken, daar ze ergens anders niet voor deugden.

Note: Over de mogelijkheid, dat met Beleteng arya Damar bedoeld is, zie beneden, hoofdstuk IV, §2 (laatste gedeelte). In dat geval zou bij natuurlijk niet bij deze gelegenheid omgekomen zijn.

Dat het verhaal, dat hier Anepaken in de mond gelegd wordt, werkelijk een historisch feit vermeldt, is geenszins ondenkbaar, want uit de Pararaton weten we, dat in het jaar van de Gajah Mada-gelofte (1331 of kort daarna) Sunda nog niet onderworpen was, en het is niet waarschijnlijk, dat hij voor 1357 geen enkele poging zou gedaan hebben om zijn gelofte na te komen. In hetzelfde twistgesprek (a46b-49a) spreekt Anepaken over hulp, die Sunda vroeger eens aan Majapahit verleend had in de strijd met Bali; of nu de beide aanvallen van Majapahit op Sunda vóór of na die hulpactie (waarop we in hoofdstuk IV, §2 nog terugkomen) plaats hadden, blijkt niet; Anepaken doet duidelijk uitkomen, dat die hulpverlening vrijwillig geschiedde en geenszins een verplichting van een vazalstaat was. In de lijst der Majapahitsche onderhorigheden, die, zoals de mode voorschreef (n), ook in de Kidung Sunda-redacties een paar malen gegeven wordt, komt Sunda dan ook niet voor.

Note: Behalve de Nagarakrtagama geven ook de Usana Jawa (zie beneden, hoofdst. 1IV, §2) en de Hikayat Raja-raja Pasay (Krom, Gesch., noot i van p.386) uitvoerige lijsten, waarvan de eerstgenoemde van zeer jonge datum is. De onderhorigheden, die op de verschillende plaatsen van de Kidung Sunda vermeld worden, vindt men in de Nagarakrtagama, hetzij als zodanig, hetzij als bevriende staat, terug (Krom, p.412-415). Ook van Gelgel worden later van de weeromstuit zulke nusantara-lijsten gegeven. Vergelijk nog de literatuuropgave in Par., p.151.

Hayam Wuruk is in de Kidung Sunda de prabhu taruna, de vorst-vrijgezel; hier is natuurlijk deze betiteling op zijn plaats, doch de naam is, vermoedelijk door Kidung Sunda-invloed, blijven leven, zodat men in enkele Balineesche stukken de voorstelling vindt, dat hij geen kinderen had en het Majapahitsche vorstenhuis met hem uitstierf (n), een voorstelling, die door de onbekendheid met de post-Hayam Wurukse geschiedenis van Majapahit in de op Bali bewaarde traditie gesteund werd. Hoewel dadelijk in het begin in alle redacties verteld wordt, dat hij als een machtig vorst regeerde, vindt men toch verderop gewoonlijk de voorstelling, dat zijn vader, de vorst (p.84) van Koripan, de eigenlijke heerser Was.

Note: Reden, waarom Mpu Kapakisan uit steen een nageslacht verwekte; zie Friederich, De Oesana Bali. Van de celibataire neigingen, die de Kidung Sunda hem toeschrijft, bemerkt men later niet veel meer (Nag., p.88!).

De dichter van de kidung wist niet meer, dat “vorst van Koripan" enz. een zuiver titulaire aanduiding was (n1), en zo vinden we mededelingen, in redactie B hoofdzakelijk, dat de vorsten van Koripan en Daha zich naar Majapahit begaven (B I, 5) of naar hun gebieden terugkeerden (B III, 77) (n2).

Note 1: Over de verwarring in de titels van Koripan en Daha zie hierboven §3.
Note: Uit de Nag. weten we, dat zij paleizen hadden in Majapahit zelf.

Merkwaardig is ook de opvatting van B II, 39 sqq., dat er drie aparte legers, een van Koripan, een van Daha en een van Majapahit, elk met een eigen stel ambtenaren-krijgshelden, tegen Bubat optrokken; daar ook, zoals uit andere bronnen bekend is, in de rijksadministratie die verdeling bestond, al was zij dan wellicht zuiver fictief, is het mogelijk, dat de kidung hier inderdaad een min of meer juiste voorstelling geeft van een werkelijk bestaan hebbende toestand.

Ook de vermelding van de saptaraja in B I, 31a, en van de raad, die uit hoge ambtenaren en vorstelijke personen bestond (I, 72b: mantry agung kalawan para natha) en zijn goedkeuring moest hechten aan Gajah Mada's handelingen, herinnert ons aan wat we hiervan weten uit oorkonden en uit de Nagarakretagama. We lezen bij Krom, Gesch., p.417, dat in 1351 Gajah Mada een opdracht volvoerde uit naam van de „Bhatara Sapta Prabhu, H. H. M. M. de Zeven Vorsten, d. w. z. de koning, zijn ouders, oom en tante, en beide zusters"; later, in 1364, was die raad tot een college van negen personen uitgebreid.

Het zou kunnen zijn, dat die uitbreiding van na 1357, het jaar van de Pasunda Bubat, dateerde en dat de kidung hier een juiste mededeling doet; anders moeten we aannemen, dat de term saptaraja, die een tijdlang beantwoordde aan een bestaande toestand, ook na de daarin gekomen verandering in de herinnering is blijven leven (n).

Note: Bijzonderheden over de zeven vorsten vindt men behalve op p.417 ook op p.381 sqq. Een fout in de kidung is natuurlijk, dat de dichter over het hoofd gezien heeft, dat Hayam Wuruk zelf tot het zevental behoorde; dat versterkt ons in het vermoeden, dat saptaraja inderdaad later een vast begrip is geworden, van de zin waarvan men zich later geen rekenschap meer gaf. Een geheel andere mogelijkheid is, dat in BI, 31a niet saptaraja, maar saptarajya = (de) zeven rijken bedoeld zijn. Daarbij zouden we kunnen denken aan de zes onderhorigheden, die in I, 1b opgenoemd worden, plus Java, of aan de “asta rum ing nusa”, die men vindt in Goris' dissertatie, p.132, verminderd met Java.

Op dezelfde bladzijde in Kroms werk lezen we van twee gevallen, waarin een belangrijke beslissing door de gezamenlijke leden van de koninklijke familie genomen werd, (p.85) zodat de mededeling van I, 72b, die met andere plaatsen in de verschillende redacties aan te vullen ware, heel goed historisch juist kan zijn.

Interessant is ook de passage K.S. b, I, 27a, waarin gezegd wordt, dat Madhu namens de vorst van Koripan de vorst van Sunda verklaarde, dat de Sundanese prinses in Majapahit welkom zou zijn als „een incarnatie van de vorstin van Daha"(tekst Mamenang). Indien we aan deze passage historische waarde toekennen, moeten we daarbij wel denken aan Bhre Daha I, dochter van Krtanagara en echtgenoote van Wijaya, die in 1292 een jong meisje was en wier oudere zuster, Bhre Koripan I, de Rajapatni, in 1350 gestorven was; vermoedelijk was dan óók Bhre Daha I kort te voren gestorven, zodat de prinses van Sunda als het ware haar plaats kon innemen.

Het verloop van de strijd is in redactie B veel romantischer dan in A en C. Van een laatste boodschap van Gajah Mada, die hij de Sundanezen volgens red. B stuurde, toen het Majapahitse leger al opgerukt was, om hen nog een keer te vermanen toe te geven (II, 64-76), reppen de andere redacties niet. De lijsten van mantri's variëren ook naar de redacties; die van B berust blijkbaar meer op des dichters fantasie dan op de werkelijkheid, maar die van A wekt veel meer de indruk van betrouwbaar te zijn, daar zij een aantal Sundanese, althans niet-Javaanse namen bevat en sterk doet denken aan de lijst in de Pararaton, waarvan zij toch echter hier en daar afwijkt. In B komen voor: patih Anepaken, Jatiguru (= Jati Wisik en Jatipita.), demang Makara, tuhan Sirikan, tumenggung pangulu Borang, demang Caho, Urang Makara en Pitar, die niet in de Pararaton genoemd worden, en de volgende namen, die we in de Par. wel terugvinden, doch gedeeltelijk in afwijkende vorm: Jagatsaya, tuhan Unur (Par. t. Usus), rangga Caho (Par. r. Cahot, doch de t is uit dubbelschrijving van de volgende t te verklaren), Panji Melong, rangga Sowan (Par. tuhan Sohan), tuhan Gelempong (Par. t. Gempong, v. l. Gelempo) en Larang Agung. Tuhan Sohan wordt in de Par. tweemaal genoemd; misschien moet één keer tuhan Sirikan gelezen worden, een naam, die trouwens vaker voorkomt, o.a. in oorkonden als naam van één der mahamantri's van Majapahit.

Behalve deze namen geeft de Pararaton nog: Urang sangka ring Tobong Barang, Urang Pangulu, Urang Saya, rangga Kaweni, Urang Siring en Satrajali, waarnaast a 64b heeft: voor de eerstgenoemde Urang sangka ring Nama Barang en voor de vierde misschien (p.86) (Ng)anggo Tapawani.

Verder noemt red. A de volgende niet in B vermelde mantri's: Urang Raya, de adhipati van Takung, dezelfde, die het Sundanese hulpleger op Bali commandeerde (vgl. hoofdst. IV §2), en Lagut, terwijl tussen Unur van B en Usus van de Par. hier Unus (n) staat.

Note: Van der Tuuk meent hier (KBW., I, 71a): „Vermoedelijk een Mohammedaanse eigennaam (uitspraak van Yunus, vgl. usup), daar de Kid. Sund. niet vrij is van Mohammedaanse invloed." Een andere mogelijkheid is, dat in later tijd Unus, toen wel bekend, door de afschrijver in plaats van Unur of Usus geschreven is. Zo'n twijfelgeval geeft m. i. geen recht om van Mohammedaanse invloed te spreken. Wellicht heeft v.d. Tuuk ook het oog op Masigit Agung, dat als naam van een plaats in de buurt van Majapahit voorkomt; maar noch het KBW. noch v. Eck geeft masigit als Balinese vorm van Arabisch masjid, en bovendien komt Pasigit als nevenvorm voor.

Dichter nog bij de Pararaton staat de lijst in red. D, waarin als nieuwe namen naast die van red. A en B voorkomen: pangulu Pacung, rangga Tangi, ra(ng)ga Kawening, Urang Siring, Satrajali, Wastu Barang, Jagatraya (i.p.v. Jagatsaya), Panji Diya, Urang Sirikan (of 2 namen?), Tegeng, patih Urang sangka ring Lagut, en verder nog ring Tapa Saptik Tojong Barang (?), terwijl ook hier Usus voorkomt.

De lijst van red. D, welke redactie naar de andere leesbare stukken te oordelen ook in andere opzichten heel merkwaardig is, is echter wellicht hiermee nog niet volledig. Het is juist op grond van de belangrijke verschillen in deze lijsten heel moeilijk zich een oordeel te vormen over de verhouding tussen Pararaton en Kidung Sunda en over die tussen de kidung-redacties onderling; waren die verschillen er niet, dan zou men red. A òf als de bron, òf als een uitwerking van het Pararaton-fragment kunnen beschouwen, daar tussen deze beide lezingen de overeenkomst het grootst is.

Nu lijkt het mij voorlopig nog het beste, zoals ik reeds in B. K. L, deel 83, p.5, mededeelde, te denken aan één gemeenschappelijke vloeiende massa traditie, waarin zowel de Pararaton-passage als de verschillende kidung-redacties neergeslagen zijn.

Van de Majapahitsche mantri's, die de Pararaton noemt, arya Sentong, patih Gowi, patih Marga Lewih, patih Teteg en Jaran Bhaya, vinden we de drie middelste in de kidung terug, terwijl de laatstgenoemde daar als Jaran Jaya voorkomt, en Sentong ook uit de Usana Jawa bekend is. Kidung Sunda B geeft de volgende lijst, waarvan vele namen wel gefantaseerd zullen zijn: Tuhan Rajata, senapati, Wiragati (turn.), Meghantaka, Lembu Lalawon, Wiradhyaksa, allen van het Daha-leger; Gagak Ksetra (sen.), Jiwaraga (mantri-wrddha), Panjang Jiwa (patih), (p.87) Wirandaka (tum.), Pamasah (dem.), Palana, Cureng Pati, allen van het Koripan-leger; Gajah Mada (sen.), Lembu-Wrddha (m.-w.), Madhu, Gowi, Marga Lewih (patihs), Mento, Kebo Bungsang (vgl. §2), patih Teteg, Menjung en arya Tadah (die in de Parar. vlak vóór de Sunda-episode vermeld wordt), allen van het Majapahitsche leger; Wiramangsa, Jalak, Kebo Nirada, Tan Giwang, Paku Ngalangi, Jaran Jaya en panji Cureng Rana, van wie niet vermeld wordt, tot welke legergroep ze behoorden. De overige redacties hebben veel minder uitvoerige lijsten, maar geven geen aanleiding tot nadere bespreking.

Sluiten wij deze paragraaf met de opmerking, dat er omtrent het lot van de Soendanese prinses geen meningsverschil behoeft te bestaan tussen kidung en Pararaton. De zin “na de dood van de prinses van Sunda" wordt gewoonlijk zo geïnterpreteerd, dat het huwelijk tussen haar en Hayam Wuruk wel doorgegaan is, maar niet lang geduurd heeft (zo ook Krom, Gesch., p.399-400); de opvatting der Kidung Sunda heeft echter minstens evenveel recht van bestaan. De geesten der Sundanese slachtoffers zouden volgens de Pamancangah later in de buurt van Bubat nog rondgespookt hebben!

§4. Gajah Mada's verdwijning

Met de beschrijving van de ondergang der Sundanezen in Bubat verlaat de traditie het terrein der historie; misschien is aan het bericht betreffende een rijksconferentie te Majapahit wel enige waarde toe te kennen, maar overigens zijn we in het gebied der legende gekomen. Hayam Wuruk was, toen de overwinning der Majapahitters zeker scheen, naar Bubat's pasanggrahan gegaan om daar zijn bruid te ontmoeten, maar hij vond haar dood, want ze had haar vader beloofd hem in de dood te zullen volgen en had nu haar belofte gestand gedaan. De jonge heerser van Majapahit trok zich dit verlies zozeer aan, dat hij wegkwijnde en niet lang daarna stierf.

Toen pas gingen de ogen van de andere Javaanse vorsten open en in Gajah Mada herkenden zij de bewerker van al dit onheil, toen Smaranatha na Hayam Wuruk's verbranding nog eens de gebeurtenissen der laatste dagen de revue liet passeren.

Zoals de vorst van Wengker eerst het initiatief genomen had tot het bestrijden der Sundanezen, zo was hij het nu ook, die voorstelde de rijksbestierder te verdelgen. Een aanval op de (p.88) kapatihan had plaats, maar op datzelfde ogenblik werd zich Lembu Muksa, zoals wij hem met de traditie zouden kunnen noemen, er van bewust, dat de periode van zijn aards bestaan het door hemzelf vastgestelde eindpunt bereikt had. Daarom kleedde hij zich in het staatsiegewaad van een officiërend priester, ging op het voorplein van de patih-woning staan in de gewijde handhouding „vuisten-gebald" en verdween zonder een lichaam na te laten om terug te keren tot zijn Wisnu-schap. Vruchteloos waren daarom de pogingen van de vorsten om hem terug te vinden.

Niet minder dan zij was de vrouw van de patih beduusd over haar plotseling weduwschap. Indien haar man gestorven was, dan moest zij hem in de dood volgen, maar waar het lijk te vinden, waarop zij zich doorsteken kon? Zij ging ronddwalen; misschien, dat zij hem vond. Lang zwierf ze en ver weg. Op een dag ontmoette ze op een eenzame weg een reizend marskramer, een sjofel type, die echter door Hari's (Hari is een andere naam voor Wisnu, dus = Gajah Mada) boos opzet een volmaakte gelijkenis met de verdwenen patih vertoonde. Toen de patihsvrouw bovendien op haar vraag vernam, dat haar nieuwe kennis uit Majapahit afkomstig was en nu rondzwierf, omdat hij gezocht werd, bestond er voor haar geen twijfel meer, of de man, die nu tegenover haar stond, was degene, die zij reeds zo lang zocht.

De avond was gevallen. In het tuinhuisje aan de kant van de weg, waar zij samen de nacht doorbrachten, liet de vrouw van de voornaamste ambtenaar des rijks aan de armoedige zwerver de rechten van haar man. Toen zij de volgende ochtend haar schande kende, doodde zij zichzelf na de voor het belaschap voorgeschreven ceremoniën verricht te hebben (men vindt ze beschreven in B.K.I., 1927, deel 83, p.145, 146.). Maar deze mochten haar thans niet meer baten. Zij was haar man ontrouw geworden en moest in de hel aweci de straf daarvoor uitboeten.

Zo luidt het verhaal, dat we gedeeltelijk in redactie B, gedeeltelijk in A en C van de Kidung Sunda vinden. Een soortgelijk verhaal lezen we in de Pamancangah (P.K., I, 105-129; Pam., fol. 9b-10a).

Nadat Gajah Mada vele jaren patih was geweest, doorzag patih Madhu zijn politiek (een bepaald geval noemt dit verhaal niet) en met de koning, Hayam Wuruk, en de vorst van Wengker beraamde hij een aanslag op hem.

(p.89) Met een grote troepenmacht bestormden zij de patihswoning, maar het enige resultaat was, dat zij de patihsvrouw de zenuwen op het lijf joegen en de schuld er van waren, dat zij flauw viel. Gajah Mada had namelijk, zonder dat iemand het bemerkt had, de kapatihan verlaten en zich naar het strand begeven. Daar knoopte hij een gesprek aan met varensgezellen (event. reizende kooplieden) en vernam, dat één (enigen) van hen een stem had(den) gehoord, die zeide: „Mada, kom terug; ge hebt nu lang genoeg op aarde geheerst en genoten". De patih begreep nu, dat zijn tijd gekomen was. Hij verzocht een schipper hem midden op zee te brengen (een pakiriman dus! vgl. B.K.I., deel 83, p.158), waarvoor hij hem als beloning zijn eigen uiterlijk zou schenken, dat hem in staat zou stellen bezit te nemen van de kapatihan en alle schatten, die zich daarin bevonden. Het voorstel werd aangenomen. Midden op zee verdween Gajah Mada plotseling.

De schipper ging, aan land teruggekeerd, naar de kapatihan, en daar hij inderdaad volkomen het uiterlijk van de patih gekregen had, bemerkte de patihsche niet eens, dat de man, die juist de kapatihan bereikte, toen de door de koning uitgezonden troepen weer vertrokken waren, Gajah Mada niet zelf was, en begroette hem met vreugde. Zij en haar medevrouwen zorgden voor nieuwe kleren, bloemen en waswater en dienden een copieus maal op. Ofschoon de schipper, de pseudo-Gajah Mada, zich in zijn nieuwe milieu geenszins op zijn gemak voelde, maakte hij vooral van de aangeboden drank zo gretig gebruik, dat hij weldra in kennelijke staat was. Zo ging het de gehele dag door. Pas 's nachts ontdekte de patihsvrouw door zijn gedrag in het slaapvertrek, dat hij niet de echte Gajah Mada was. Tot wanhoop gebracht door deze beproeving der goden ging zij zich in zee verdrinken.

§5. De rijksconferentie te Majapahit

Zo zouden we ten minste de samenkomst der vazalvorsten van Palembang, Madura, Pasuruhan, Blambangan en Bali kunnen noemen, die, volgens Pamancangah-Kidung, I, 158-III, 6, Pam., fol. 12a-21, na de dood van Gajah Mada te Majapahit plaats had op uitnodiging van Hayam Wuruk. In Palembang regeerde toen een zoon van arya Damar, op Madura een zoon van Jaran Panolih en op Bali de eerste vorst van Gelgel (zie over hen hier beneden, p.120, 117 (en noot 1) en 123 sqq.).

De vorsten (p.90) werden te Majapahit verwacht tegen 10 Lentemaand (basanta); Majapahit werd prachtig versierd met het oog op de komende gebeurtenissen. De vorsten van Palembang en Bali reisden over zee tot Bubat en vandaar over land naar de hoofdstad; die van Madura stak over naar Pajarakan en ging vandaar verder over land, in totaal een reis van 7 dagen, en die van Blambangan en Pasuruhan gingen geheel over land, resp. 10 en 3 dagen reizend.

Wat er op deze conferentie precies gebeurde, vertelt de Pamancangah niet. Het is er in dit geschrift om te doen de bijzondere voortreffelijkheid van de vorst van Gelgel tegenover de andere vazalvorsten op de voorgrond te plaatsen; hij werd door Hayam Wuruk met gunstbewijzen overladen en door de vazallen van Blambangan en Pasuruhan als meerdere erkend (n).

Note: Zie verder nog hoofdstuk IV, §3, waar men nadere bijzonderheden vindt, die speciaal de vorst van Bali betreffen.

Wat de Pamancangah geeft, is voornamelijk beschrijvend. Zo lezen we in P.K., II, 45-48, Pam., fol. 18, een niet onaardige beschrijving van de pracht van Majapahit, geheel afwijkend van die van R. L., Zang V; daarop hier nader in te gaan zou ons echter te ver voeren. Zeer uitvoerig ook wordt de grote, plechtige audiëntie beschreven, hoe eerst de koning en de vorst van Wengker, omstuwd door de mantri's, waaronder de voornaamsten waren Madhu, Teteg, Menjung (Mencung), Marga Lewih, Kebo Bungsang en Gowi, plaats namen op de palimanan, hoe daarna deze voorname mantri's opdracht kregen om met de van oudsher gebruikelijke ceremoniën en volgens de voorschriften van de Nawasasana (= Nawanatya) de vazalvorsten te gaan ontbieden, hoe zij daarop, te beginnen met Madhu, om beurten een sembah voor de koning maakten en een drievoudige pradaksina tot huldebetoon en zich eerbiedig verwijderden, waarbij zij de dodot in de draagwijze rajasingha hielden, en hoe zij ten slotte zich van hun opdracht kweten bij de vazalvorsten, die zich reeds in de patandan (v.l. patandakan) bevonden om daar de bevelen van de koning af te wachten.

Het hoogtepunt van de plechtigheid was de rede, die Hayam Wuruk voor de verzamelde vorsten hield, zijn troonrede, zou men kunnen zeggen. Hij zei daarin, dat hij de vazalvorsten naar Majapahit had laten komen om hen nog eens bijeen te zien en een woord van vermaning tot hen te spreken. Zij waren immers de bhupalaka's, de beschermers der wereld in het klein; daarom (p.91) moesten zij de voorschriften in acht nemen, staatsmanswijsheid beoefenen, de leer van Manu, het wetboek Saroddhrta en de lessen van de traditie volgen, slinkse praktijken uitroeien en het welzijn van het land bevorderen; immers, uit het land kwam de heerschappij voort (“pan saking bhumi sangkan ing (sangka ning) kaheçwaryan"; P.K., II, 65), en de vorst was te vergelijken met een leeuw, die het woud bewaakt: liet hij het zover komen, dat het woud in brand gestoken werd, dan zou ook hijzelf door het vuur vergaan. Zo moesten zij waken tegen de vijand, tegen de vijand van buiten, de legger van lagen, die hongersnood en ellende, zedenverval en ontbinding bewerkte, maar vooral tegen de zesvoudige vijand van binnen, waarvan zich zelfs grote asceten slechts met moeite konden vrijhouden en voor wie zij wegvluchtten uit de stad om zich in de eenzame wildernis een kluis te bouwen. Zij, de vazallen, moesten zijn: kluizenaars in de stad, één van levenswijze met de asceten, een anderen weg bewandelend, maar met hetzelfde doel voor ogen. Hun streven moest zijn zich bemind te maken bij het volk, want op de alom beminden vorst had zelfs de machtigste vijand geen vat.

Ik heb de beschrijving van deze conferentie en vooral de troonrede enigszins uitvoerig gegeven, omdat we hier, afgezien wellicht van wat de Pamancangah vertelt van de vorst van Gelgel, op de bodem der geschiedenis staan. We vinden nl. in Zang LXXXIII sqq. van de Nagarakretagama een beschrijving van de grote plechtige samenkomst, die jaarlijks in de maand Phalguna te Majapahit gehouden werd; Phalguna is wel geen vasanta-maand, zoals de kidung zegt, maar komt toch, als laatste van sisira, onmiddellijk vóór vasanta. De plechtige audiëntie werd, zoals LXXXIII, 5 uitdrukkelijk zegt, bijgewoond door lieden van Balyadi nusantara = van de onderhorigheden, in de allereerste plaats van Bali.

Terloops worde opgemerkt, dat hier sprake is van het jaar na Gajah Mada's dood; ook in de kidung heeft de conferentie plaats na Mada's verdwijning. Op 1 Caitra, de maand, die op Phalguna volgt, had, volgens LXXXV, 2, een samenkomst plaats, waarop lessen uit het geschrift Raja-Kapa-kapa enz. voorgelezen werden ter vermaning van de verzamelde troepen. Ten slotte kwam dan in de tweede helft van Caitra de af scheidsaudiëntie, waarop alle voorname ambtenaren (opgesomd in LXXXVIII, 1) aanwezig waren, en waarop achtereenvolgens de vorst van Wengker, de (p.92) vorst van Singhasari (= de vorst van Koripan der traditie) en Hayam Wuruk zelf redevoeringen hielden. Dat in 's konings redevoering dezelfde vergelijking van de leeuw en het dichte woud voorkomt (IXC, 2) als in de kidung, bewijst m.i. voldoende, dat de beschrijving in P.K., Zang II, op de Nagarakretagama steunt. En daarin is, dunkt mij, het belang er van gelegen (vgl. nog hoofdstuk V).

§6. De ondergang van Majapahit

Tot slot van dit hoofdstuk nog het van de Javaanse traditie van babad en Serat Kanda afwijkende verhaaltje van Majapahit's ondergang, dat voorkomt in P.K., III, 15-21, Pam., fol.21b-22a, vlak na de apotheose van Zang II.

Na de dood van Hayam Wuruk en van de vorst van Wengker sloeg het uur van Majapahit's val. Er brak een periode van ordeloosheid aan, waarin de éne rijksgrote voor de anderen niet wilde onderdoen. Het ging er toe, zoals in het verhaal van de ondergang van Dwarawati, waar de Yadawa's in dronkenschap als door de duivel bezeten elkaar doodsloegen zonder zich om bloedverwant of vriend te bekommeren.

Toen vertoonde zich Kala in zijn vreselijke gedaante en riep: „Onherbergzaamheid, woestenij!" Ieder, die die woorden hoorde, stierf daarop. Zo ging Majapahit ten gronde en keerde terug tot de staat van wildernis (sagara wilis, III, 20; vgl. boven, p.72, noot 1), waarin het terrein zich vroeger bevonden had (de woeste gronden van Trik nl.; zie p.54). Goud, juwelen, krissen, en wat Majapahit verder bezat, raakten in het bezit van Bali, Pasuruhan, Madura en Blambangan (zie verder hoofdstuk IV, §3).

HOOFDSTUK IV - DE GESCHIEDENIS VAN HET RIJK GELGEL

§1. Bali vóór de expeditie van 1343

(p.93) Sinds R. van Eck het hoofdstuk Geschiedenis schreef in zijn Schetsen van het eiland Bali (T. N. I., Nieuwe Serie, Jrg. 7, deel 2, 1878) en daarin enige bladzijden (p.325-331) wijdde aan Bali's oude geschiedenis, is ons hieromtrent heel wat meer licht opgegaan. Schreef hij in 1878: „Het begin der historie van Jong-Holland's bewoners verliest zich in een chaos van mythen en legenden, waarin zelfs de koenste navorser zich nauwelijks durft wagen", thans heeft men zich als resultaat van de naspeuringen van de Oudheidkundigen Dienst in Nederlands-Indië, en speciaal door de studiën van de inspecteur, Dr. P.V. van Stein Callenfels, juist omtrent dat „begin der historie" een denkbeeld kunnen vormen, zij het ook, dat er aan details nog heel veel valt op te helderen.

Tevens zijn in de loop van die halve eeuw heel wat oudere verhalen uit de Javaanse geschiedenis, aan welker bruikbaarheid men in van Eck's dagen nog niet twijfelde, terechtgezet of naar het rijk der fabelen verwezen, en kunnen dus niet langer ons inzicht in de geschiedenis van Bali vertroebelen.

Van de „chaos van mythen en legenden" blijft niet veel over dan de Usana Bali en de - mij onbekende - Batur Kalawasan (n) en aan het eerste dezer beide geschriften had zich reeds voor van Eck zijn verhandeling schreef de koene navorser Friederich gewaagd.

Note: Over afwijkende Bulelengse verhalen zie het laatste gedeelte van §3.

Het ligt niet in mijn bedoeling hier nader in te gaan op de oudste geschiedenis van Bali; slechts wil ik in het kort even refereren, wat Dr. N. J. Krom in zijn Hindoe-Javaansche Geschiedenis, waarin men alle studiën op dat gebied genoemd en beoordeeld vindt, er van mededeelt.

Wanneer we de blote vermelding van Bali in een Voor-Indische bron en eventueel in Chinese bronnen (p.56, 64, 84, enz.) buiten beschouwing laten, kunnen we zeggen, dat we het eerste bepaalde gegeven hebben voor de geschiedenis van Bali in de oorkonde van Bebetin van 896. Uit de oorkonden (p.94) van 917 en 922 blijkt, dat Bali toen een zelfstandig rijk was onder koning Ugrasena; de oorkonden suggereren het bestaan van een Hindoe-Balineesche maatschappij (p.203); de taal der oorkonden is Oudbalisch.

In 989 regeerden op Bali de Javaanse prinses Gunapriyadharmapatni en haar man Udayana, de ouders van Erlangga (Airlangga) (p.226); vermoedelijk was Bali toen aan Java onderhorig. In de volgende jaren demonstreert zich de groeiende Javaanse invloed in de javanisering der oorkonden, tot de taal daarvan in 1022 zuiver Oud-Javaans geworden is. Ook na Udayana, die na de dood van zijn gemalin alleen heerste, zijn de vorsten van Bali gedurende de gehele 11de eeuw uit het huis Dharmawangsa, nauw verwant aan de Javaanse vorsten uit dat huis (p.227,240,276); de verhouding van Bali tot Java is dan niet geheel duidelijk. Uit de eerste helft van de 12de eeuw hebben we een serie oorkonden van vorsten, van wie niet meer met zekerheid blijkt, of ze wel tot het geslacht Dharmawangsa behoorden (p.276).

In 1181 zou, volgens elf oorkonden, die alle gedateerd zijn 9 Suklapaksa van de maand Srawana 1103 Saka en gevonden zijn op verschillende plaatsen van Bali, maar welker echtheid betwijfeld wordt, Jaya Pangus geregeerd hebben, die we ook uit de Usana Bali kennen (in Friederich's uitgave p.278, 283, 286). Ongeveer uit deze periode hebben we van Bali ook belangrijke bouwkundige overblijfselen, die van Tampaksiring (Krom, Gesch., p.277).

De Chinese schrijver Chau Ju-Kua, inspecteur van de buitenlandse handel (p.301), vermeldt in een werk, dat hij in 1225 publiceerde (p.29, 298), een Ma-li (p.305) = Bali (p.306) onder de onderhorigheden van (laat-)Kediri. Hoe lang Bali toen reeds onder Javaans gezag stond, blijkt niet; evenmin, tot wanneer de overheersing geduurd heeft.

In 1204 was er nog een zelfstandige Balineesche koning (p.276) en in 1260 was er weer een (p.328; in de lijst van oorkonden in Oudh. Verslag 1924, p.29, 31, is het jaartal 117, Saka = 1250!).

Van een volgende Javaanse verovering van Bali, die van 1284, vernemen we vervolgens iets uit Javaanse bronnen, de Nagarakretagama en de Pararaton; de koning van Bali werd gevankelijk voor Krtanagara gevoerd; ook deze expeditie heeft blijkens de kort daarna weer uitgevaardigde Balineesche oorkonden geen langdurige heerschappij van Java over Bali ten gevolge gehad (Krom, Gesch., p.328, 329, 375).

In of kort na 1331 was Bali blijkens de Gajah Mada-gelofte (p.385, 386) nog steeds (p.95) onafhankelijk.

Ten slotte volgt dan in 1343 onder de regering van de regentes „de krijgstocht naar Bali... waarbij de snode, laaghartige vorst van dat eiland - die laaghartigheid bestond ongetwijfeld in het niet willen erkennen van het Javaans oppergezag - met al de zijnen omkwam.”

Dat inderdaad Java reeds vóór 1343 de macht op Bali bezat, en dus enige reden had om de houding van de vorst van dat eiland als opstand te beschouwen, zou men willen opmaken uit het feit, dat in 1338 de regentes een Boeddhistisch heiligdom op dat eiland kon doen stichten...

Het resultaat schijnt voorlopig afdoende te zijn geweest en een volkomen onderwerping van Bali ten gevolge te hebben gehad" (p.387); dit blijkt o.a. uit het feit, dat in 1384 de Balineesche oorkonde van Batur uitgevaardigd is door Sri Wijayarajasa, „dat is dus de vorst van Wengker, oom van de Javaanse koning, en derhalve vertegenwoordiger van het Javaanse oppergezag.

In 1398 wordt een edict van hem bevestigd; hij is dan reeds gestorven, zodat hij er voorkomt als Sri Parameswara, die is overleden te Wisnubhawana" (p.406). Deze passage, die, zoals hier beneden" zal blijken, ook voor ons doel van belang is, verdient de aandacht.

We behoeven er, dunkt me, niet in te lezen, dat de vorst van Wengker ook op Bali resideerde; Bali kan een deel van zijn ressort gevormd hebben. Wisnubhawana is, wanneer de op p.444, noot 6, geciteerde Pararaton-plaats vertrouwen verdient, in elk geval niet op Bali te zoeken; vgl. Parar., 30,w, waar het tevens aan Mañar/Manyar gelijkgesteld wordt, dat volgens KBW., IV, 604b, onder Gresik te zoeken is; Krom, Inleiding, II, 209-210, gist echter, dat het de latere officiële naam van Surawana bij Pare ten Oosten van Kediri is; van belang is deze kwestie hier verder niet.

We worden in ons vermoeden, dat de vorst van Wengker niet persoonlijk op Bali verblijf hield, ten minste niet blijvend, versterkt door wat we uit de Nagarakretagama weten omtrent het aandeel, dat hij had in bestuur en administratie van het Majapahitsche rijk; van hem heet, „dat hij van de toestand der landerijen op de hoogte was", hij „doet het aantal van alle desa's opnemen" en „vestigt de aandacht op het belang van de zorg voor dammen, wegen, waringins, huizen, monumenten, maar vooral voor het bebouwde land" (Krom, Gesch., p.415, 416). Het spreekt vanzelf, dat deze taak geen lokaal karakter kan hebben gehad, en aangezien we eveneens uit de Nagarakretagama weten (p.406), dat (p.96) er een nauwe band was tussen Bali en Java, dat Bali conform was in alle gebruiken aan Java-land, en dat het dan ook het enige land buiten Java was, waarvan ons de Boeddhistische heiligdommen worden medegedeeld, die onder soortgelijke controle stonden als de Javaanse (dit alles p.406), ligt de conclusie voor de hand, dat de Balinese oorkonde van Batur van 1384, welke later door die van 1398 bevestigd werd, door de vorst van Wengker uitgevaardigd is, omdat dat tot zijn tak van dienst hoorde, niet, omdat hij vertegenwoordiger van het gezag was op Bali, hetgeen toch immers moeilijk in overeenstemming zou zijn te brengen met de Nagarakretagama-berichten aangaande zijn werkzaamheden.

Het hierboven vermelde nauwe contact tussen Bali en Majapahit wordt nog bevestigd door de mededeling in Nag., Zang XXVIII, 1, dat „de Balische mantri's met die van Madura en Oost-Java tezamen hun opwachting (maakten)." Krom sluit zijn mededelingen op p.406 aldus: „Ondanks dat alles is het eiland [Bali] - zowel de oorkonden als de latere geschiedenis bewijzen het - nooit volkomen gejavaniseerd, maar heeft het zijn eigen karakter weten te bewaren" („Zie Het oude Java en zijn kunst (1923) p.203 sqq.").

Hiermee kunnen we ons referaat besluiten; vatten we het aldus samen: contact tussen Java en Bali in Erlangga's tijd; tijdelijke overheersing van Bali door Java misschien aan het eind van de Kediri-tijd, stellig onder Krtanagara; duurzame onderwerping in 1343; uniformificatie van de Balinese aan de Javaanse bestuurlijke administratie onder Hayam Wuruk.

In de Balineesche tradities is weinig van wat op Bali voor 1343 geschied is, blijven hangen. Onder het volk zijn verhalen in omloop omtrent het ontstaan van het eiland (v. Eck, Schetsen enz., T. N. I., N. S., Jrg. 7, deel 2, p.96-97), over het in geologische zin zelfstandig worden van Bali, doordat het ontstaan van Straat Bali (Sagara Rupek) de eenheid met Java verbrak (aldaar, p.95-96), over het ontstaan der Balinese aborigines, de Bali Aga (KBW., I, 433b, IV, 139a), over het ontstaan van de nog op Bali aanwezige oudheden, waarvan de bouw aan de reus Kebo Joewa (K. Soewajoewa) toegeschreven wordt (C. Lekkerkerker, Balische plaatsnamen in de Nagarakretagama, in het Gedenkschrift Kon. Inst., 1926, p.192, met (p.97) verwijzing naar een uitvoeriger studie in Ned.-Indië Oud en Nieuw, Jrg. 6, Juli 1921, p.70-83: De bouwwerken van Kebo Joewa), over de zeden der alleroudste inwoners van Bali en over de heerschappij der reuzen, waaraan met behulp van een Javaanse halfgod een einde werd gemaakt (v. Eck, loc. cit., p.166, 167), verhalen, die we gedeeltelijk ook bij andere volken van de Archipel vinden en die hier niet verder behoeven besproken te worden, daar we ze moeilijk tot de historische traditie kunnen rekenen.

Een groot gedeelte van de inhoud van de Usana Bali behoort hier eveneens toe; dit geschrift bevat ook enige stukken, die wel voor ons doel van belang zijn, maar zij beslaan slechts een zeer klein gedeelte van het gehele werk, nog niet eens één van de 31 foliobladen van mijn transcript. Op het karakter van dit eigenaardige werk, dat, zo wij het tot de historische traditie rekenen, daarin een aparte plaats inneemt, en dat noch door Friederich, noch door van der Tuuk, noch door Juynboll juist gekenschetst is, komen wij straks nog terug in §2. In deze afdeling van dit hoofdstuk behoren echter twee der zo-even genoemde stukken besproken te worden, nl. het verhaal van Mpu Kuturan en de lijst van de koningen van Bali in de Usana Bali.

1) In de Nagarakretagama wordt ons in Zang XVI, 3 verteld, dat eens Boeddhistische zendelingen, o.a. sang munindra Kuturan, uitgezonden waren naar Bali (zie Kroms juiste opmerking in de aantekening op p.263 van de editie, en C. Lekkerkerker, in Gedenkschr. Kon. Inst., 1926, p.191); hij was, zo lezen we daar, een tijdgenoot van Bharada.

Toen Bharada door Erlangga geraadpleegd werd omtrent diens plan zijn éne zoon hem op Java te laten opvolgen en zijn anderen op Bali, zo lezen we in de Calon Arang (ed. R. Ng. Poerbatjaraka, B.K.I., 1926, deel 82, p.170 sqq.), ging Bharada eerst een bezoek brengen aan de heilige Kuturan, die ouder was dan hij en buitengewoon machtig en een kluizenarij in Silayukti = Sukti bewoonde; Silayukti ligt aan de baai van Padang (Lekkerkerker, l.c, p.196). Bharada vroeg Kuturan met koning Erlangga's plannen te willen instemmen, maar Kuturan weigerde, daar hij zijn eigen kleinzoon bestemd had om koning van Bali te worden (Calon Arang-editie, p.173; Krom, Gesch., p.270, 276; Ju., Cat., II, 300); Bharada ging ontstemd heen, maar onaangename uitingen van Kuturans tovermacht beletten hem van Bali te vertrekken voor hij zich verdeemoedigd en eerbiedig afscheid (p.98) van Kuturan genomen had.

Aan het hof teruggekomen, adviseerde hij Erlangga liever zijn beiden zoons een gebied op Java te geven dan Kuturan in zijn plannen te dwarsbomen, tegen wie zelfs hij, Bharada, niet opgewassen was in sakti; zo deed Erlangga dan ook (C.-A., p.175).

Er zijn aan deze reeds bekende gegevens nog enkele mededelingen toe te voegen. In zijn zo even vermeld artikel deelt Lekkerkerker mede, dat „de talrijke Balische tradities [reeds gepubliceerd?] omtrent deze figuur verhalen, dat hij zich op zijn ouden dag uit alle bestuursbeslommeringen terugtrok om als kluizenaar te gaan leven te Silayukti aan de baai van Padang, onderdeel van de Labuhan Amuk-baai, Z.O.-kust van Karangasem. Het tempeltje op de heuvelhelling om die baai wordt als de plaats van zijn kluizenarij aangewezen en geniet bijzondere vereering.

Volgens het Balische verhaal [reeds gepubliceerd?] zond Sri Aji Erlangga van Daha, toen door zijn terugtrekken uit wereldse zaken op Bali regeringloosheid begon te heersen, Mpu Pradah of Baradah, even vroom en wijs als Kuturan, om de zaken te leiden.

Elders wordt Baradah een „broeder" van Kuturan genoemd" (l.c., p.196). Dit verhaal wijkt dus van het Calon Arang-gegeven af, doordat hier niet gesproken wordt van een kleinzoon, die Kuturan tot koning van Bali zou maken, en doordat de Calon Arang vertelt, dat Bharada in Lemah Tulis zichzelf verloste (d.w.z. van de aarde verdween) onmiddellijk na de rijksdeling (ed. p.179), zodat geen sprake is van een tweede tocht naar Bali om Kuturan op te volgen; maar in één opzicht maakt het de Calon Arang duidelijker: de kleinzoon van Kuturan wordt koning van Bali, omdat Kuturan zelf vorst geweest was, voor hij kluizenaar werd. Omtrent Kuturans positie in de periode voor zijn kluizenaarschap worden we ingelicht door het bovenvermelde Usana Bali-fragment en door de Tutur Bhujangga Bali (zie boven, p.9).

Het Usana Bali-fragment is niet in tekst en vertaling door Friederich in zijn artikel „De Oesana Bali" (T.N.I., 1847, Jrg. 9, deel 3, p.245 sqq.) opgenomen, maar in het kort medegedeeld op p.277-278. Kern heeft enkele zinsneden er uit, naar een andere redactie dan ik gebruikt heb, medegedeeld bij zijn bespreking van Nag., Zang XVI, 3 (ed. p.55, 56) (waarin nog verschillende andere onjuiste opvattingen voorkomen behalve de door Krom op p.263 gesignaleerde).

Het is Kern, die van mening was, dat in Nag., XVI, 3, sprake is van Bharada en Kuturan als (p.99) tijdgenoten van Hayam Wuruk en Prapanca, uit de aard van de zaak niet vreemd voorgekomen (ten minste niet dadelijk; zie echter de editie, p.163), dat de Usana Bali Kuturan uit Majapahit laat komen.

Ons moet dit wel frapperen, en tot de conclusie brengen, dat dit Usana Bali-fragment uit een periode of een milieu stamt, waarin men geen juist begrip meer had omtrent de onderlinge verhouding der historische tradities en Kuturans plaats daarin, en waarin men Kuturans vaderland in Majapahit zocht, omdat alles in later tijd uit Majapahit heette te komen.

Tevens kunnen wij Friederich's uiting, dat „dit stuk .... overigens buiten zamenhang met de rest der Oesana (is)," volkomen onderstrepen, afgezien van het misplaatste gebruik van het woord „overigens"; inderdaad, dit stuk heeft met de Usana Bali niets te maken; het hoort in een geheel anderen cyclus van overleveringen thuis en is vermoedelijk slechts door vergissing in de Usana Bali opgenomen; wellicht brengt nadere vergelijking met de kakawin hierin nog meer licht.

Voor de inhoud van het stukje worde verwezen naar Friederich en Kern (11. cc.) en naar KBW., II, 159, IV, 708a; Kuturans tocht naar Bali is wellicht nog een reminiscentie aan zijn uitzending als missionaris, maar hier sticht hij een kraton, die hij inricht naar Majapahits model, en organiseert staat en maatschappij; ook hier is hij, evenals in het door Lekkerkerker medegedeelde verhaal, wel tevens geestelijke, Mpu, maar hier valt daar weinig nadruk op.

Omtrent Kuturans familierelaties licht ons de tutur in. In de dwaparayuga incarneerde zich Brahma in Bali en verwekte daar een geslacht van Mpungku's (geestelijken, brahmanen (?), bhujangga's) en aji's (ksatriya's), die dus nauw aan elkaar verwant zijn. De meer onmiddellijke stamvader der Balineesche bhujangga's was Mpu Witadharma; diens zoon was Mpu Wiradharma; deze had 3 zoons, waarvan de oudste, Mpu Lampita, 2 zoons kreeg, Mpu Kuturan en Mpu P(a)radah (in deze volgorde), de middelste, Mpu Ajnana, 1 zoon kreeg, Mpu Panabda, en de jongste, Mpu Pastika (één keer v.l. Pastaka), ongehuwd bleef.

Kuturan nodigde zijn (jongere) neef (cousin) Panabda uit met hem een kluis te bouwen in Silayukti, en deze gaf daaraan gevolg. Paradah (Baradah) was verbitterd, omdat hij niet mede uitgenodigd was tot het maken van die kluis, verliet Bali en trok naar Daha, waar hij zich vestigde in Lemah Tulis; hij was toen nog een jonge man (rumajaputra).

Mpu (p.100) Kuturan beoefende in Silayukti de pratapa ring panewasikan (5090(3): newakana; 5112: panewasikana; vgl. boven, p.21,22); hij was gehuwd, maar had geen kinderen.

Zijn jongere neef Panabda, die zijn levensregel volgde en door hem tot leerling aangenomen was, was eveneens gehuwd en had tot zoon Mpu Jiwaksara; de geslachtsboom gaat zo verder: Mpu Jiwaksara, Mpu Ktena (v.l. Ktek), Arya Tutur, patih Tulung, Semar, gehuwd met ni Wrddhani, Langon of Lalangon. Deze geslachtsboom is die van de heren van Sukti (= Silayukti; zie hierboven, p.97) (sangkanya madrewe bhumi ring Sukti), die toezicht hielden op de kluis. Maar daar Kuturan kinderloos gestorven was en zijn leerling Panabda niet zijns gelijke was in kennis, waren er na Kuturan geen Balineesche bhujangga's meer, die de panewasikan en de pangaskaran in stand konden houden.

De enige, die Kuturans plaats had kunnen innemen, ware Bharada (Baradah, Paradah) geweest; maar die was naar Rupit (vermoedelijk = Sagara Rupek = Straat Bali) gegaan (d.w.z. was naar Java overgestoken), en had zich gevestigd in Lemah Tulis. Daardoor is Bali achtergeraakt bij Java.

Dit verhaal, dat zijn ontstaan wel zal te danken hebben aan de behoefte het traditionele broederschap van Kuturan en Bharada te rijmen met het feit, dat Kuturan in Silayukti en Bharada in Lemah Tulis woonde, en waarin tevens opgenomen is het familieregister van de heren van Sukti, wijkt van de bovengenoemde weer in verschillende opzichten af. Kuturan is hier uitsluitend geestelijke; hij heeft noch koninklijke macht noch een kleinzoon, noch ook Bharada tot zijn opvolger; daarentegen doet de manier, waarop hij en Bharada van elkaar gaan, even denken aan Bharada's weglopen in de Calon Arang.

De juiste verhouding dezer Kuturan-verhalen tot elkaar aan te geven is niet zo gemakkelijk. Vermoedelijk stammen deze verhalen uit de periode van nauwen politieke samenhang tussen Java en Bali in de jaren van Udayana en Erlangga en hebben zich op Java de tradities van Calon Arang en Nagarakretagama en op Bali die van Tutur Bhujangga Bali en verhaal Lekkerkerker gehandhaafd, van elkaar onafhankelijk gebleven, zelfs toen door de latere kolonisatie de eenheid hersteld was.

Een kleine correctie op het bovenstaande moet hier nog even aangebracht worden, voor we van de Kuturan-verhalen afstappen. Ik zei daar, dat de Nagarakretagama ons vertelt van de uitzending van Boeddhistische zendelingen, o.a. van Kuturan, (p.101) tijdgenoot van Bharada. Vermoedelijk is dat inderdaad ook zo bedoeld, want in alle verhalen wordt Kuturan op Bali geplaatst; vgl. nog Nag., Zang LXXX, i.

Het is intussen beter nog even de puntjes op de i's te zetten; de bewuste plaats (Zang XVI, 3, regel 3 en 4; ed. p.55) luidt: „ten tijde van de bekenden (rakwa) grote monnik Bharada, de standvastige, en van de vorst onder de monniken, Kuturan, de vermaarde, alom-bekenden". We mogen hier niet uit concluderen, als Lekkerkerker, loc. cit., p.191, laatste alinea, dat ook Bharada missionaris-organisator was; het zendelingschap van Kuturan leiden we af uit andere gegevens, dat van Bharada blijkt nergens, afgezien van zijn reisje naar Bali in de Calon Arang.

Een Senapati Kuturan komt in de Jayapangus-oorkonden voor (Oudh. Verslag, 1924, p.33); aangaande diens verhouding tot onzen Kuturan blijkt voorlopig niets (vgl. Lekkerkerker, loc. cit., p.196).

2°. Het tweede Usana Bali-stuk, dat hier van belang is, is de koningslijst, die onmiddellijk op de Kuturan-passage volgt; zij is door Friederich gepubliceerd, vertaald en van aantekeningen voorzien in zijn boven reeds vermeld artikel De Oesana Bali (p.278-279, 283, 286, 341-344). De lijst geeft als vorsten van Bali:
1. sang ratu Jayapangus,
2. sang ratu daitya (ev. Daitya) jumeneng ring Balingkang;
3. sang ratu Maya jumeneng ring Bedahulu = sang ratu Maya Danawa;
4. sang ratu Ken Angrok
5. sira dalem ring Samplangan;
6. sang ratu jumeneng ring Batu-Enggong; en
7°. sang ratu jumeneng ring Seganing als laatste.

Het stuk heeft evenals het vorige weinig met de rest van de Usana Bali te maken; mogelijkerwijze dient het om aan te geven, wie Maya Danawa, over wie het verhaal verder gaat, voorafgingen en volgden. Voor §1 is alleen de eerstgenoemde van belang; in de vermelding van zijn naam hebben we een reminiscentie aan de Jayapangus van de oorkonden.

Behalve de beide kleine stukken uit de Usana Bali valt nog een passage uit de Pamancangah hier te noemen, die echter geheel legendarisch is; in de kidung-redactie komt ze niet voor. „Vroeger", zo luidt het verhaal (Pam., fol. 1b-2a), „was er eens iemand van grenzeloos grote sakti met een vreselijk uiterlijk en gewapend met scherpe slagtanden; hij gedroeg zich als een danawa, minachtte de leer, trad willekeurig op tegen de goedgezinden (ev. vrouwen) en was het voorwerp van afschuw van alle levende wezens, tot hyang Puruhuta (Indra) hem verdelgde met zijn wajra. Nadat hij in de ayatana (ruimte tussen hemel en hel) (p.102) gedurende enige tijd zich opgehouden had, beval hem de godheid zich weer te incarneren, waarbij hij de gunst verkreeg zich naar eigen verkiezing een ardhanareswari (hoofdgemalin) te mogen kiezen(?). Zo werd hij geboren in Tatakalapa of Tatakakalapa (Kubon Kelapa?) in het gebied van Medang en ceremonieel ontvangen (als kind of adoptiefkind?) en gewijd door de kluizenaar van de helling van de Tohlangkir (Gunung Agung), die hij later opvolgde.

Toen hij volwassen geworden was, werd hij koning van Bali met de koningsnaam Masula-Masuli, en huwde zijn jongere zuster. Het éne geslacht van zijn nazaten volgde op het andere.

Ten slotte trad er één op, die een slechter leven dan zijn vaderen leidde, omdat de kaliyuga intussen gekomen was, en die de lieden van zijn gebied, de Topahulung (v.l. Topagulung) onderdrukte (of aan zich onderwierp, angalap); Gajah Wahana was zijn naam".

Onmiddellijk daarop volgt dan de geschiedenis van de ondergang van Bedahulu, waarin geheel andere personen optreden. Het verhaal staat geheel op zichzelf en van verband met de rest blijkt niets. Juynboll's mededeling (Cat., II, 392), dat hier „de geschiedenis van Bedahulu (sic), behandeld (wordt), dat onderworpen wordt door Gajah Waha" (sic) steunt, voor zover ik zie, niet op de tekst. Nog thans worden op Bali Masula en (!) Masuli als koningen uit de ouden tijd genoemd, naar ik van de heer Lekkerkerker vernam (n).

Note: vgl. Nota van Overgave de Haan: Batara Batu Madeg kwam plotseling uit een steen te voorschijn, waaruit een zoon is gesproten, genaamd Pedanda Kuturan (!) van de Bangsa Buda, welke vorst over Bali werd. Deze pedanda vestigde zich te Gelgel, daarna te Padang (Karangasem). Bij Batu Madeg stond een klapperboom; uit deze boom kwamen voort twee kinderen, een zoon en een dochtertje, genaamd Masula en Masuli, welke twee kinderen met elkaar gingen huwen. Dit echtpaar werd door Pedanda Kuturan tot vorsten van Bali uitgeroepen, waarna Pedanda Kuturan ten hemel voer. Zie over Topa (W)ulung nog p.124.

Het is niet onaardig op te merken, dat het verhaal een frappante overeenkomst vertoont met het begin van de Pararaton: iemand, die een slecht leven leidt, een vrouwenschender, wordt door een wezen van hoger orde (Indra; Mpu Tapawangkeng) verdelgd, vertoeft een tijdlang in een tussenstadium (swargasthana en ayatana; Wisnubhuwana), mag vóór zijn menswording zijn eigen status bepalen (Pam.: kiest een ardhanareswari, d.w.z. de vorstelijke staat, daar alleen de vorstelijke gemalin zo heet; Parar.: beoosten de Kawi), wordt door een godheid verwekt (sinuksma; door Brahma) en als heel klein (p.103) kind geadopteerd (pratapa; Lembong) en vestigt ten slotte een dynastie (Masula-Masuli; Angrok)!

§2. De Javaanse expeditie van 1343 = De oorlog tegen koning Pasungrigih van Badahulu en de pacificatie van Bali.

Onder de regering van Kala Gemet van Majapahit, zoon van (H)arsa Wijaya (ook hier deze naam; vgl. hierboven in hoofdstuk II), die Kediri ten val had gebracht en koning Jaya Natha gevangen had gezet, en van Dara Petak, een prinses van Malayu, die als krijgsgevangene naar Majapahit was gekomen, onderwierp de Majapahitse veldheer arya Damar in samenwerking met patih Mada het rijk Bedahulu (Bedamukha, Bedamurdha; Nag.: Badahulu; modern Balinees: Bedulu; vgl. Lekkerkerker, Balische plaatsnamen enz., p.192).

De patih van dit rijk, Kebo Waruya, sneuvelde; de vorst, Pasungrigih, viel in handen der overwinnaars en werd gevangen gezet in Tangkulak (vermoedelijk = Karu Wulu; in de prozatekst, fol. 2b, beide vormen). Gedurende zijn gevangenschap kwam hij tot de overtuiging, dat het voordeliger voor hem was zijn onderwerping aan te bieden. Inderdaad werd hij door Mada begenadigd. Kort daarop werd hij belast met een expeditie tegen Sambawa/Sumbawa (de vormen Sambawa en Sumbawa komen naast elkaar voor) om zich daar verdienstelijk te maken. In de strijd, die tussen hem en de vervaarlijke demonenvorst van Sambawa, Dedela Natha, ook Wrddhamurti genaamd, ontbrandde, sneuvelden beiden.

Op de ondergang van het rijk Bedahulu volgde op Bali een periode van grote orde- en wetteloosheid. Gajah Mada sloeg die ontwikkeling der zaken met grote bezorgdheid gade, en besloot ten slotte de hulp in te roepen van de door hem bijzonder hooggeschatte pandita Mpu Kapakisan. Deze had door zijn volharding in ascese, speciaal door zijn trouw verrichten van de zonnedienst (suryasewana, waarover het eerste hoofdstuk van Goris' dissertatie handelt), zich uit steen een zoon verwekt, aan wie hij op volwassen leeftijd een nymf (tapsari; Sk. apsara) uit zijn tuin tot vrouw gegeven had (n). Uit dit huwelijk waren drie zoons en een dochter gesproten. Om deze zoons nu vroeg Gajah Mada Mpu Kapakisan en deze gaf ze hem.

Note: Vgl. de jongere lezing bij van Eck, Schetsen, T.N.I., N.S., Jrg. 9, deel I, p.121-122.

(p.104) Gajah Mada benoemde hen tot gouverneur (añakradala, van Sk. cakradhara) met de titel „prins" (p(a)rameswarabija) resp. van Blambangan, Pasuruhan en Bali (Bali Aga); de dochter, prabhu Sukanya (in de Nota de Haan (zie p.138) heet ze Dewa Muter), werd uitgehuwelijkt naar Sambawa.

De jongste zoon, die dus tot taak gekregen had op Bali geregelde toestanden te herstellen, kreeg van Gajah Mada mee: een gehele kratoninrichting, een uitzet als adhipati, de kris Ganja Dungkul (n) en een aantal menaks uit Kapakisan in Kediri, die niettemin golden als Majapahitters (wijil ing Wilatikta, P.K., I, 25).

Note: Als Gaja Dungkul nog bekend in Klungkung; Eck, Schetsen, in T. N. I., N. S., Jrg. 9, deel I, p.200.

Van te voren had Gajah Mada nog een verordening uitgevaardigd, waarbij een oud Kedirisch ksatriya-geslacht, nl. de afstammelingen van „den geïncarneerde Karna, de op Java terechtgekomen bhattara Karana (hier = Karna?), koning Kameswara, de verwant van de arya's op Bali" (P.K., I, 26), „in alle opzichten vervangen werd volgens de adwapangsa (?), zodat heer Kapakisan, die oorspronkelijk van brahmaans geslacht was, nu ksatriya werd door toedoen van de heer patih" (I, 27).

Kapakisan stichtte een kraton in Samprangan (in het tegenwoordige Gianyar). De menaks, die hem naar Bali vergezeld hadden, werden zijn voornaamste rijksgroten: arya Wangbang, arya Kenceng, arya Dalancang, arya Tan Wikan (= arya Belog), arya Kuta Waringin, de arya Kanuruhan, de arya Pangalasan, de arya Manguri [en Wangbang (n)]; zij vestigden zich met hun onderhorigen om de kraton.

Note: Ik weet niet geheel zeker, of Wangbang en arya Wangbang wel verschillende personen zijn. Men krijgt in het algemeen uit de Pamancangah de indruk, dat het wel zo is, maar soms worden hun afstammelingen door elkaar gehaald, of wordt het voorgesteld, alsof zij (die afstammelingen) allen van één Wangbang afstammen.

Een aparte positie namen in: arya Gajah Para, die zich aan het strand in het Noorden van het rijk, in Toyañar [Toya Anyar?] vestigde, en drie gebroeders waisya's, Tan Kober, Tan Kawur en Tan Mundur, afkomstig uit Majapahit, die allen bij beschikking van Gajah Mada naar Bali gegaan waren, nadat Kapakisan zich daar reeds gevestigd had, en daarom lager in rang waren dan de eerstgenoemde arya's (?).

Het gelukte Kapakisan in een groot gedeelte van Bali de rust te herstellen en zijn gezag erkenning te doen vinden; het langst bleven de Bali Aga, de oudere bevolking van Bali (tos Bali mula), weerspannig. Tegen hun gebied, dat bestond uit de (p.105) dorpen Batur, Campaga, Songan, Kedisan, Abang, Pinggan, Munti, Bonyoh, Tarobayan, Srahi, Sukawana (Sikawana, Sakawana), Panrajon, Cintamani, Pludu, Manikalyu en Patani en in het oostelijk gedeelte uit de dorpen Culik, Tista, Marga Tiga, Muntig, Got, Garbhawana, Lokasana (Lokasarana), Juntal, Garinten, Sekul Kuning, Puhan (v.l. Puwahan), Wulakan (v.l. Bulakan), Simbanten (v.l. Simanten), Asti, Watu Wayang, Kadampal, Paselatan, Bantas, Turamben (Taramben), Carutcut (v.l. Carucut), Datah, Watu Dawa en Kuta Bayem, trok toen Gajah Para op vanuit het Noorden, vanuit Toyañar/Toyanyar, en de drie waisya’s vanuit het Westen.

Wel onderwierp zich dit gebied toen, maar van een volledige onderwerping van Bali kon toch nog niet gesproken worden. Deze liet zelfs zo lang op zich wachten, dat Kapakisan bijna in arren moede naar Java teruggekeerd was. Zo ver kwam het echter niet. Wel stuurde hij een gezant naar Majapahit om Mada van zijn moeilijkheden op de hoogte te stellen. Het bleek echter, dat deze volstrekt niets van een terugkeer van Kapakisan naar Java wilde weten. Mada vond, dat hij het in de eerste plaats aan zijn eigen goddelijke waardigheid - als incarnatie van Wisnu - verplicht was Kapakisan tegenover de roerige elementen op Bali te handhaven, en in de tweede plaats, dat, wanneer hem vroeger het zwaarste deel van de onderwerping van Bali gelukt was, Kapakisan toch stellig wel in staat zou zijn de laatste hand aan het werk te leggen.

Als hulpmiddel gaf Mada de gezant zijn wonderkris Lobar (n) mee en de aansporing voor Kapakisan om te volharden. De gezant scheepte zich toen weer te Bubat in en keerde naar Bali terug, via Tlagorung, Pajarakan ten Zuiden van Pulw Ayam, in Zuidelijke richting door Straat Bali, via Kapurancak, langs Jambrana, via Uman, (B)angkah, waar men een eind de Gangga lwa opvoer, Oostwaarts de Zuidkaap om naar Tuban, Kelahan, Kadonganan, Kuta, Mimba (Intaran) en Tolkantoor-Zuid naar Rangkung, en, na daar geland te zijn, verder over land, stijgend in Noordelijke richting, naar Samprangan.

Note: Komt voor in van Eck's lijst onder de heilige krissen, die men thans nog in Klungkung heeft.

Daar bracht hij aan Kapakisan de boodschap over van Gajah Mada en overhandigde de kris en de overige geschenken. De vorst was met de kris zeer ingenomen, want hij herinnerde zich, hoe vroeger bij de gelegenheden van Pejeng en Bedahulu de koning de kris Lobar had getrokken, hoe toen Durga Dingkul, (p.1o6) vanzelf geluid gevend, zich vertoond had (?) en hoe toen geheel Bali door Gajah Mada tot onderwerping gebracht was, reden, waarom de kris Lobar ook Durga Dingkul heette (n).

Note: Men vindt dit verhaal met kleinere afwijkingen terug in het begin van de Babad I Gusti Ngurah Panji Sakti ring Buleleng (P.de Kat Angelino, Goesti Pandji Sakti, Djawa, Jrg. 5, p.326 sqq.). Omtrent de drie waisya’s zie aldaar p.326b, noot 2; zij worden vaak als onderhorigen van arya Gajah Para genoemd en worden door de latere traditie dan ook in het Noordoosten geplaatst. Hun apanages lagen echter volgens de Pamancangah in het Zuidelijk gedeelte van Centraal-Bali, en tegen het gebied van de Bali Aga (Noordoosten) rukten ze dan ook vanuit het Westen op. Zij vergezelden zonder Gajah Para de eerste vorst van Gelgel naar Majapahit (zie §3). Hun vader was Karung Dangkal, volgens P.K., IV, 98, Pam., fol. 30b. In de nota de Haan worden ze echter als arya's en punggawa's betiteld; volgens deze lezing werden ze door de vorst van Majapahit naar Krsna Kapakisan (zie beneden) gestuurd en keerden terug naar Majapahit, toen zij de Paseks (zie beneden, p.108, noot 2) verslagen hadden.

Het bovenstaande is het verhaal van de onderwerping van Bali door Gajah Mada en de stamvader van het Gelgelse huis volgens de Pamancangah (P.K., 1,6-66; Pam., fol. 2a-6b) (n).

Note: In de nota de Haan is dalem Bedamukha de zoon van Mesula en Mesuli; hij had het lichaam van een mensen en het hoofd van een olifant (Sk. bheda = verschil; vandaar: verschillend, anders, verkeerd; mukha Sk. - gelaat). Zijn ouders keerden na zijn geboorte naar de hemel terug. Tegen hem stuurde later Gajah Mada een vloot uit. Manschappen werden aan wal gezet in Tianyar en in Kuta. Dalem Bedamukha verloor de strijd en keerde naar de hemel terug. Vervolgens stuurde Gajah Mada de (blijkbaar bedoeld: zijn) patih Pasunggrigis uit op expeditie tegen Sumbawa, waar hij sneuvelde. De vloot van Gajah Mada zeilde door naar Bone, dat zonder strijd zich overgaf, en waar toen een Hindoerijk gesticht werd. Dit verhaal is blijkbaar een latere vrije bewerking van Pamancangah-stof; een soortgelijke beschrijving van de vorst van Bedahulu komt voor in het verhaal van Abdullah (zie eind §3). Elders heeft hij een varkenskop en heet hij dalem mecowet (zie K.B.W., I, 630-631).

Zoals men ziet, ontbreekt aan het eind de mededeling, dat na het overbrengen van de boodschap van Gajah Mada de volkomen onderwerping van Bali tot stand gebracht werd; dit wordt ten minste bekend verondersteld, wanneer verderop (I, 130; fol. 10a) de draad van het verhaal weer opgenomen wordt. In het boven gegeven verhaal komen enkele mededelingen voor, die de moeite van het nader bespreken waard zijn.

In de eerste plaats het merkwaardige verhaal van Kapakisans verandering van kaste (vgl. Goesti Pandji Sakti, p.327a, noot 1). De bedoeling is blijkbaar, dat hij met zijn gehele nageslacht door Gajah Mada in de plaats gesteld werd van een toenmalige rechtstreekse afstammeling (of mogelijkerwijze van rechtstreekse afstammelingen) van het vroegere Kedirische koningshuis, de Dharmawangsa's, zodat Kapakisan nadien zelf gold als afstammeling o.a. van de bekenden koning Kameswara en niet van Mpu Kapakisan, de vader van de uit steen verwekten (zie hierboven).

Mij zijn twee (p.107) geschriften onder ogen gekomen, waarin de stamboom van Kapakisan medegedeeld wordt, nl. de kroniek van cod. 3900(1), die Brandes geheel in zijn Beschrijving enz., I, 11 sqq., opgenomen heeft en op welker belang hij daar reeds de aandacht gevestigd heeft (zie ook Nag., ed. p.292), en cod. 5058 (Ju., Cat., II, 393), die genealogieën van zijtakken van het huis Kapakisan bevat; ook het begin van cod. 5243 (Ju., Cat., III, 154) kan voor de afstamming van Kapakisan geraadpleegd worden.

De kroniek van 3900 begint met te vertellen, dat Wisnu zich eens incarneerde op Java in iemand, die later koning werd in Medang Kahyangan onder de naam van ra-yang Manu. Deze had een zoon, die een incarnatie was van Dharma en daarom zijn vader opvolgde onder de naam van Dharmawangsa.

Diens zoon was Kameswara, een incarnatie van Smara; hij regeerde nog in Medang. Zijn zoon Erlanggya echter, wiens patirthayan (lett. wijwaterplaats, vandaar: bron van zegen, heilige, die zegen brengt aan de vorst, die hem beschermt) Mpu Bradah was, regeerde voor het eerst in Java.

Zijn zoons waren Jayabaya en Jayasaba, die met elkaar in oorlog raakten, maar door Mpu Bradah weer verzoend werden, waarbij deze de doden, die gevallen waren, weer in het leven terugriep. Naderhand splitste Erlangga het rijk in tweeën; Jayabaya werd koning in Daha en Jayasaba in Kediri. Jayabaya's zoon, die hem als koning van Daha opvolgde, was Jaya Katong, die op het slagveld omkwam (!) en geen kinderen naliet, zodat deze tak hiermee uitstierf. Jayasaba's zoon was aryeng Kediri, die op zijn beurt arya Kapakisan voortbracht, die op Mada's bevel Kediri verliet en zich naar Bali begaf om dat land als „Zijner Majesteits patih" te besturen.

Cod. 5058 geeft slechts weinig afwijkende opgaven: in plaats van Dharmawangsa hier Dharmawangsag o w a nantawikrama, dat veel lijkt op het Dharmawangsatg u w a nandawikramottunggadewa in cod. 5243; deze vormen zijn verbasteringen van de naam Dharmawangsa teguh Anantawikramottunggadewa; hij is dezelfde, die drie parwans van het Mahabharata heeft laten bewerken in het Oud-Javaans en die in het Bhismaparwa nog „koning van Medang" genoemd wordt, zoals in cod. 3900 (vgl. Krom, Gesch., p.224, 225, en daar ook noot 3). Van ra-yang Manu wordt in cod. 5058 niet gesproken; in plaats van Erlanggya hier Jalanggya (Jalalangga en Niralangga op de Calcutta-steen, daar jala en nira = er, water, is; Kern, V. G., VII, 90; KBW., I, (p.108) 117b, IV, 388a); in plaats van Jaya Katong, wiens dood op het slagveld in cod. 3900 vermeld wordt (vgl. Nag., XLIV, 4), wordt hier diens voorvader Dangdang Gendis, de tijdgenoot van Arok, genoemd;

Kapakisan heet hier dyayeng Kediri, welk dyaya KBW., s.v., II, 511b, ook in de naam sang dyaya Baradah (Calon Arang B) vermeldt, en dat dus misschien een herinnering bevat aan Kapakisans eigenlijke afkomst.

Cod. 5243 geeft de volgende schets „naar de Brahmandakatha": „Er was eens een zekere Rama Parasu, wiens grootvader de rsi Rcika was, wiens vader was bhagawan Jamadagni, ook Bhrgu geheten, uit het Brahma-geslacht (n), en wiens nakomeling Dharmawangsatguwanandawikramottunggadewa = Bhra yang Manu Wekas ing Sukha was, die (ev. met andere nakomelingen van Rama Parasu) regeerde in Bh(a)ratawarsa (Voor-Indië), Singalanggalapuri (Singhala = Ceylon?; ook Singhalangghyala, in Ju., Cat., II, 169, 170; R. L., I, 7, IV, 128: Singhalanggala) en Medang Dahanarajya (= Daha, Kediri) in Yawadwipa en zeer machtig was.

Note: De juiste volgorde is, volgens het Mahabharata (Jacobi, Inhaltsangabe, zie de Index s.v.v.): Brahman, Bhrgu, Cyavana, Rcika, Jamadagni, Parasurama.

Nadat 7 geslachten in Daha geregeerd hadden, verhuisde de bhattara naar Mahospahit in Yawadwipa, en ten slotte werden Yawa en Majapahit overwonnen door de Islam."

In de tweede plaats mag hier nog even de voorstelling van de Pamancangah onderstreept worden, dat Kapakisan op zijn campagne ter volledige onderwerping van Bali het langst tegenstand ondervond van de Bali Aga, wier toenmalige gebied men aan de hand van de gegevens in de Pamancangah kan lokaliseren in het tegenwoordige Bangli en Karangasem.

De andere bevolkingsgroep, waar Kapakisan tegen te strijden had, en die een veel groter gedeelte van Bali bewoonde dan de Bali Aga, werd blijkbaar gevormd door de Hindoe-Balinezen, die reeds sinds eeuwen met Java in contact waren en zich daarom wellicht ook gemakkelijker dan de Bali Aga met de overheersing van Kapakisan verzoenen konden 2).

2) In de nota de Haan wordt medegedeeld, dat onder de eerste vorst van Samplangan (nevenvorm van Samprangan), Krsra Kapakisan, een grote opstand plaats had van de Paseks en de Bendesa's, de eigenlijke Balinese bevolking, welke opstand bedwongen werd door arya Tan Kober, arya Tan Kundur (nevenvorm v. Tan Mundur) en arya Tan Kahur (er staat in de nota: Tahoer). Met Paseks en Bendesa's wordt dus feitelijk hetzelfde bedoeld als met Bali Aga; het verhaal van hun oorsprong wordt uit de aantekeningen van P.L. van Bloemen Waanders gegeven in het artikel Bijdragen tot de kennis van het eiland Bali (T.N.I., 3de serie, Jrg. 2, deel II, p.405-407) volgens een Pamancangah Pasek, die blijkens de inhoud van jonge datum moet zijn.

Wat Gajah Mada en de koning van Majapahit precies met (p.108) Pejeng (zie hierboven; Pam., fol. 6b; ontbreekt in de kidung) te maken hadden, blijkt niet; het ligt in het Gianyarse vlak bij Badahulu, waarmee het in één adem genoemd wordt (vgl. Lekkerkerker, loc. cit., p.192), en zal vermoedelijk een rol gespeeld hebben in de veldtocht tegen Pasungrigih.

Omtrent de route Bubat-Samprangan is nog het volgende op te merken. De vertaling „Pajarakan ten Zuiden van Pulw-Ayam" in fol. 5a is niet onmogelijk, maar ligt niet voor de hand; ik heb haar gekozen, omdat de kaart een Pejarakan aangeeft ten Zuidwesten van Gilimanuk (= Pulw-Ayam); uit de tekst krijgt men de indruk, dat de auteur Pajarakan ten Noorden van P. Ayam plaatst; vgl. fol. 16a, II, 26-30, waar men de volgende, enigszins van de hierboven gegeven volgorde en opsomming afwijkende, reisroute vermeld vindt (in omgekeerde richting): Mimba (Intaran), Kuta, Tuban, Kelahan, Kadonganan, Seseh, Ganggodaka ( = Gangga lwa), (B)angkah, Uman, Jambrana, Kapurancak, Straat Bali, Pulw-Ayam, Pagametan of Pagilingan, Tlagorung, Pajarakan, Bubat. Ik heb niet alle plaatsen van de route op de kaart teruggevonden, en wat ik vond deed mij vermoeden, dat de schrijver van de Pamancangah zelf niet heel goed op de hoogte is van de aardrijkskunde van Bali.

USANA JAWA

Een geheel ander verhaal van de verovering van Bali door Majapahit vinden we in de Usana Jawa (n):

Note: Men vindt het Usana Jawa-verhaal ook in de Schetsen van Van Eck (T.N.I., N. S., Jrg. 7, deel II, p.326-328), maar in kleinigheden niet steeds juist; te voren had Friederich al mededelingen er uit gedaan in zijn artikelen De Oesana Bali en Voorlopig Verslag van het eiland Bali (dit laatste in Verh. B.G., deel 22-23, 1849-50).

Het is stellig van veel jonger datum - althans de traditie, die er in tot uiting komt - dan de Pamancangah, en het is een zeer opmerkelijk feit, dat het in de geschiedenis der latere Balinese rijken een veel belangrijker rol speelt dan de Pamancangah.

Met zekerheid is ter verklaring hiervan niets te zeggen; maar het meest voor de hand liggende vermoeden is, dat de Pamancangah Klungkungse traditie is, het oudst en het zuiverst, omdat Klungkung de voortzetting van Gelgel was, en dat de vorsten der latere rijken, die zich aan het gezag van Gelgel-Klungkung hadden onttrokken en er dus antagonistisch tegenover stonden, hun eigen stamboom buiten Gelgel om direct op Majapahitsche helden wilden terugvoeren, tot welk doel o. a. de Usana Jawa-lezing geschapen werd, óf nieuw, óf tendentieus omgewerkt naar een oudere traditie.

Zie verder Friederich, Voorlopig Verslag, II, 21 sqq.; van Bloemen Waanders, loc. cit., p.376 sqq.; van Eck,' Schetsen, hoofdstuk VII passim. In andere genealogieën speelt Gajah Mada weer een grote rol. Gaf men er de voorkeur aan zijn geslacht op het Gelgel-huis terug te brengen, zoals de Bulelengse traditie van “Goesti Pandji Sakti" doet [Panji Sakti de zoon van Seganing!], dan kwam de Pamancangah-lezing weer op de voorgrond.

(p.110) De koning van Majapahit, die zijn kraton gevestigd had in het woud van Trik, had een volle jongere broeder, die [eerst] een kraton stichtte in Tulembang, arya Damar; verder had hij een oude patih, die een wesya was, en een patih tumenggung, die Suta heette. Deze Suta werd door de koning vervangen door een patih, die uit Bale Agung afkomstig was, Mada, uit een klappervrucht gesproten.

Deze Mada vestigde zich in Majapahit en kreeg van de koning de naam Gajah Mada. Arya Damar had nog 6 jongere broers, allen arya's, nl. Sentong, Beleteng, Waringin, Belog, Kapakisan en Binculuk, die allen met hem meegingen naar Tulembang, waar arya Damar 20.000 en zijn broers samen 80.000 man keurtroepen tot hun beschikking hadden. De koning van Majapahit was zeer tevreden over hun gedrag in Tulembang.

De koning van Wilatikta was een machtig vorst; zijn heerschappij strekte zich uit over Mangdarum (of Mairum?), Manggani, Tora, Siyem, Jowong (lees: Johor?), Matreni, Grebes, Grebus, Pakalongan, Tumekan, Kandi, Gora, Tumpi, Samidang, Cempa, Keling, Jamur Jipang, Jambu Dipa, Kocing, Malayu, Wat(a)ka, Lasem, Mataram, Pajang, Matahun, Camara, Kabalan, Pamotan, Jagaraga, Pandan Salas, Cina, Matangka, Wangke (Wangse), Dadung, verder Janggala, Kediri, Gagelang, Singasari, Kembang Jenar, Pawon-awonan, Solot (Solor?), Solodong, Buhu, Sunda, Dalangkit en Mere, tezamen de saptadesa geheten en honderdduizenden inwoners tellende, in het Westen; over Rambang, Kenus, Ulanda, Boni, Bugis, Makasar, Tambora, Bima, Sambawa, Sasak en Bali in het Oosten, met een totale bevolking van 10.000 of 1.000.000 (siyuta); en over Madura, Kangehan, Pontonwong en Mandar in het Noorden, met een bevolking van 400.000. Over het Zuiden heerste de koning niet; daar woonden slechts de lieden van Tambini en van Ndore (v.l. Kdore), daar lagen de eilanddorpen, bewoond door allerlei sudra's, die zich om hun afstamming niet bekommerden.

De voornaamste rijksgroten in Majapahit waren Damar en Gajah Mada; daarna kwamen de acht arya's munggw ing kanda (kanda, khanda?; laat verschillende verklaringen toe), nl. sang arya Tirwan, sang arya Kandamwa (lees: Kandamohi?), sang arya Pamwatan, sang arya Panjyajiwa, sang arya Jambi, sang arya Lekan, sang arya Manguri en sang arya Dangang (1).

Note 1: De acht arya's munggw ing kanda vinden we terug in de samgets van de oorkonden van de Majapahitsche tijd. De opgave hier verschilt enigszins van die der oorkonden, die echter ook onderling afwijken. Cf. het artikel van Bosch in T. B. G., deel 59, p.506 sqq.

Maar boven allen stond Z.M., die de gehele (p.111) wereld beheerste en over een leger beschikte ter sterkte van 20 bhara (1 bhara is in het algemeen een enorme hoeveelheid, soms bepaald op 100.000.000), waarmee hij de boosdoeners verdelgde en de goedgezinden beschermde, zodat overal welvaart heerste. Twaalf jaar lang regeerde hij ongestoord.

Toen werd te Majapahit het bericht vernomen, dat Pasunggiri, de vazalvorst van Bali, de gehoorzaamheid aan zijn heer had opgezegd. In overleg met de rijksgroten gaf de koning aan Damar en Gajah Mada opdracht Pasunggiri tot onderwerping te brengen, maar gelastte hun tevens hem niet te doden, zelfs indien hij de Majapahitsche troepen grote verliezen zou toebrengen; gebonden moest Pasunggiri voor hem gebracht worden.

Toen de beide veldheren de uitgestrekte vlakte (tegal wera; eigennaam? (n) bereikt hadden, maakten ze een veldtochtsplan op; Gajah Mada stelde voor, dat Damar eerst naar Noord-Bali en hijzelf naar Zuid-Bali zou trekken om dan vandaar op te rukken, en dat hij Damar er van op de hoogte zou stellen door een hevige rook te verwekken, wanneer hij met de vijand slaags geraakt zou zijn. Damar vond het goed, en de beide legers gingen huns weegs.

Note: Het is evenzeer de vraag, of Wera eigennaam is in “Goesti Pandji Sakti", p.329a “de Wera-zee" in het Noorden.

Gajah Mada had de jongere broers van Damar bij zich, ieder met een leger van 15.000 man. Na een mars van een halve maand waren zij in Zuid-Bali aangekomen; daar bouwden zij een kamp, legden een groot vuur aan en bleven verder de loop der gebeurtenissen afwachten.

Intussen was Damar in Noord-Bali aangekomen, bij Ularan. Toen hij in het Zuiden de rook zag opwarrelen, ging hij, in de mening, dat ook Gajah Mada voeling had gekregen met de vijand, tot de aanval over. Tussen hem en Pasunggiri, die uit Ularan optrok, ontstond er een hevige tweedaagse strijd; op de eerste dag bleef het succes aan de kant van Pasunggiri en verloor Damar 17.000 man van de 20.000; ook de volgende dag hadden de Tulembangse troepen het hard te verantwoorden, totdat Damar Pasunggiri aanviel en overwon; Pasunggiri wilde zich overgeven, maar Damar, die in zijn woede over de zware verliezen van zijn troepen het bevel van de koning om hem Pasunggiri geboeid te brengen uit het oog verloor, doodde zijn tegenstander en besliste daarmee de strijd.

(p.112) Na zijn overwinning sloeg Damar een versterkt kamp op in Ularan. Hij zat er echter over in de war, dat hij tegen 's konings uitdrukkelijk bevel in Pasunggiri gedood had. Ten slotte achtte hij het het verstandigst aan de koning zijn excuses te gaan aanbieden; slechts door drie ondergeschikten vergezeld, terwijl hij de troepen in Ularan achterliet, ging hij op weg en bereikte dag en nacht doorreizend, 14 dagen later Majapahit.

Op een vraag van de koning, hoe het met de zaken op Bali stond, rapporteerde Damar winst en verlies: winst, omdat Noord-Bali thans onderworpen was, verlies, omdat een groot gedeelte van de Majapahitsche troepen gesneuveld was, en 's konings uitdrukkelijke wens om Pasunggiri geboeid voor zich gebracht te zien niet vervuld zou worden, omdat hij (Damar) hem in zijn woede gedood had.

Damar kreeg een geducht standje; de koning beval hem dadelijk naar Bali terug te keren om de onderwerping van dat eiland te voltooien en uitte de hoop, dat Damar de straf voor zijn ongehoorzaamheid zou krijgen door dood of verwonding op het slagveld. Een halve maand later was Damar in Ularan terug.

Met zijn 3.000 overgebleven manschappen, die echter tot de besten van zijn leger behoorden, zette hij de strijd voort. Het duurde echter nog 7 maanden, voor hij de lieden van het Noorden tot onderwerping gedwongen had. Toen kwamen de hoofden zich tot zijn beschikking stellen en op Damars bevel brachten zij een legermacht van 30.000 man bijeen. Met dat leger trok Damar naar het Zuiden; na een mars van 5 dagen bereikte hij het kamp van Gajah Mada in Tawing, waar hij tot zijn ergernis bemerkte, dat zijn medeveldheer nog niets uitgevoerd had.

Teleurgesteld over het feit, dat nu aan de onderwerping van Zuid-Bali nog begonnen moest worden, verweet hij Mada zijn gebrek aan activiteit, maar deze beweerde, dat hij nog steeds wachtte op Damars instructies. Zij besloten de verdere campagne tegen Zuid-Bali gemeenschappelijk te voeren, en weldra was door Damars doortastendheid hetzelfde resultaat bereikt als in het Noorden, tot grote verbazing en bewondering van Gajah Mada.

Kort na deze overwinning arriveerde er een bode van de koning, Kuda Pangasih, een zoon van de oude patih, die opdracht gekregen had zich van de stand van zaken op de hoogte te gaan stellen. Toen bij vernomen had, dat de strijd gewonnen en Bali Bangsul (n) tot in de uiterste hoeken (p.113) onder worpen was, deelde hij Damar en Mada mede, dat zij dan dadelijk naar Majapahit terug moesten keren; de broers van Damar moesten met hun troepen op Bali blijven, evenals Gajah Mada's leger.

Note: Deze combinatie komt in het latere Balineesche Kawi wel meer voor; ze heeft van Eck tot de onjuiste conclusie gebracht (N. S., Jrg. 7, deel II, p.327), dat Bangsul de naam van Pasunggiri's residentie was.

Twintig dagen later aangekomen te Majapahit, brachten zij verslag uit van hun expeditie. Toen de koning het gunstige resultaat vernomen had, gaf hij zijn voornemen te kennen om met zijn gehele hof naar Bali te verhuizen. Maar voordat zij aan hun voornemen gevolg hadden kunnen geven, kwam arya Sentong in Majapahit aan met de boodschap, dat een zekere Mraja Danawa (n) plotseling op Bali aangekomen en een opstand begonnen was; hij had de vorst van Bedahulu aangevallen en hem in de strijd gedood; een leger had hij niet, hoogstens enkele familieleden.

Note: Van Eck noemt hem Pasunggiri's zoon, maar de door mij gebruikte U.J. teksten steunen deze opvatting niet (loc. cit., p.328).

Deze boodschap deed de koning besluiten zo spoedig mogelijk te vertrekken, daar hij persoonlijk de strijd met Mraja Danawa wilde aanbinden. Twintig dagen later kwamen zij bij Bedahulu aan, en het duurde niet lang, of er had een botsing met de vijand plaats. Hoewel Mraja Danawa door een heel leger aangevallen werd, hield hij stand zonder gekwetst te worden, en doodde zelfs van zijn kant 200.000 tegenstanders; de strijd werd gestreden bij de Weh Salukat. Ten slotte deden de koning en zijn arya’s een aanval: de koning en Damar van voren, Sentong en Beleteng rechts, Gajah Mada en Kapakisan links en Waringin, Belog en Binculuk in de rug. Juist zouden de koning en Damar hun vijand, die reeds wankelde, de borst doorsteken, toen deze eensklaps verdween en in geheel Bedahulu niet meer te vinden was.

Na afloop van de strijd namen de Majapahitsche troepen enige dagen rust in Bedahulu. Daarop gaf de koning Damar bevel de Balinezen bijeen te brengen. Damar trok er met de overige arya's op uit en na enige tijd hadden zij 180.000 man verzameld. Op bevel van de koning verdeelde Damar deze manschappen onder de vorst en de arya's; toegewezen werden: aan de koning 80.000 man, aan Damar 10.000 man keurtroepen, aan Sentong 7.000, aan Beleteng, Waringin, Belog en Kapakisan elk 5.000 (v.l. Kapakisan 4.000), aan Binculuk en Kuda Pangasih elk 3.000, aan de panakawan(s) en de pakatik(s) (p.114) elk 2.000, en verder nog troepen (4.000?) aan de patih, de demang, de tumenggung, de kanurwan en de panglurahs.

Toen de verdeling afgelopen was, gingen de troepen in Tusan kamperen; toen ze daar drie maanden gelegen hadden, trok de koning naar Gelgel om daar een kraton te stichten.

Indien we uit dit eenvoudige verhaal, eenvoudig ook in constructie en taal, de passage van de strijd van de koning van Majapahit en zijn arya's tegen Mraja Danawa wegdenken, dan houden we een vlot relaas over van de onderwerping van Bali door Java en de verplaatsing van de kraton van Majapahit naar Gelgel.

De aanwezigheid van het Mraja Danawa-verhaal werkt in de Usana Jawa storend; Mraja Danawa komt hier uit de lucht vallen; noch de reden van zijn aanwezigheid op Bali, noch die van zijn vijandschap tegen Majapahit en omgekeerd wordt verteld.

Wie de koning van Bedahulu is, die door hem bestreden en gedood wordt, wordt niet toegelicht. Pasunggiri, die volgens het op p.103 medegedeelde Pamancangah-verhaal vorst van Bedahulu was (daar Pasungrigih), was door Damar gedood en kan dus niet bedoeld zijn. De fantastische strijd van Mraja Danawa tegen een geheel leger en zijn onzichtbaar worden past niet in het kader van dit gedeelte van de Usana Jawa, dat, hoewel overdreven op het gebied der getallen en naïef op dat der causaliteit, toch een zeker realisme vertoont. Het komt mij voor, dat de schrijver of bewerker van dit geschrift, die het Mraja Danawa-verhaal moet gekend hebben uit de Usana Bali, waar het volkomen op zijn plaats is, zich beijverd heeft om van dit feit, voor hem een historisch feit, ook in de Usana Jawa mededeling te doen.

„Moet gekend hebben": de Usana Bali-kakawin immers is van Nirartha (zie boven, p.27) en dus van vóór 1600, terwijl de beide proza-Usana's vermoedelijk uit heel wat later tijd stammen, in elk geval een jonger stadium van de historische traditie bevatten dan de Pamancangah, die uit de Klungkungse tijd is (n).

Note: Rouffaers datering (± 1500 A.D.; B.K.I., 6de volgr., deel VII, p.289) acht ik te vroeg; voor Kulputih = Wikrama vgl. Krom, Gesch., p.424!

Omtrent de prozaredactie van de Usana Bali kan men zich een denkbeeld vormen uit Friederich's meer genoemde artikel De Oesana Bali. Het artikel dateert van 1847; het moet voor die tijd stellig een bijzondere prestatie genoemd worden, en het wekt verbazing, dat op de door hem hier en in zijn (p.115) Voorlopig Verslag reeds vermelde populaire geschiedbronnen pas op het eind van de vorige eeuw de aandacht weer is gevallen, afgezien dan van v. d. Tuuk's belangstelling, die gedurende zijn leven nogal onvruchtbaar was.

Intussen kleven er fouten aan het werk, die thans scherper gezien kunnen worden, nu zo veel meer vergelijkingsmateriaal bekend is: de ‘Teges ing bhuwana’, die Friederich als inleiding van de Usana Bali beschouwde, behoort er niet bij, maar is een apart werk (Ju., Cat., III, 151), de vertaling is in details vaak foutief, de aantekeningen, zowel de tussen de tekst door gestrooide als de in een apart hoofdstuk verenigde (p.330 sqq.), bevatten vergissingen en zijn nu in elk geval verouderd, nu Brandes' Pararaton en Juynboll's Catalogi gepubliceerd zijn.

Daarentegen is het gehalte van de door hem gebruikten Middeljavaanse tekst vrij goed, evenals de inhoudsopgave van de niet door hem gepubliceerde stukken. Zijn karakteriseering van het werk als „eene populaire beschrijving van de instellingen der Hindoesche godsdienst op Bali" (p.245) komt dicht bij die van v. d. Tuuk (KBW., I, 206a: prozageschrift in Balinees Kawi, handelende over de volksgodsdienst, de dood van Majadanawa enz.), en hij rekent het terecht niet tot de historische werken, in tegenstelling met de Usana Jawa (anders Ju., Cat., II, 385).

Bij onze beoordeling van de Usana Bali moeten we rekening houden met het feit, dat de kakawin - en kakawin of prozatekst maakt voor de inhoud geen verschil, wanneer we de beide hierboven vermelde en als resp. onecht en vermoedelijk onecht gemerkte passages uit de prozatekst lichten - van vóór 1600 is, uit de tijd dus, dat de historische traditie nog springlevend was.

Het komt mij voor, dat Nirartha in de kakawin, waarin hij een oud-inheemse traditie betreffende de overwinning van het Hindoeïsme op Bali weergaf, tevens die van het Hindoe-Javanisme op het Hindoe-Balinisme verheerlijkte; juist een kakawin leent zich voortreffelijk tot het leggen van een diepere zin in een verhaal. In dat geval is de Usana Bali de op een hoger plan geplaatste Usana Jawa, waarmee ze volkomen parallel loopt: hier Kulputih van Majapahit, daar Gajah Mada en arya Damar, hier de Hindoegoden, Mahadewa vooraan, daar de strijdmacht van Majapahit onder de koning, de eerste Dewa Agung van Gelgel, hier de triomf van het Hindoeïsme, daar van het Javanisme; in Mraja Danawa wordt het minderwaardige Bali verslagen. Als allegorie kunnen we verder de Usana Bali, hoe interessant het werk ook (p.116) verder is, bij ons onderzoek van de historische traditie niet gebruiken (1).

Note 1: Ter aanvulling van de Usana Bali de volgende bijzonderheden uit de Nota de Haan: de Klingse koning Sri Wirakesari kwam uit Majapahit naar Bali, stichtte een puri Koripan in Besakih, kreeg een zoon Jayakasunu en keerde daarop met hem naar Majapahit terug (anders dus dan de lezing in Friederich's artikel, p.323 sqq.).

Daarna verscheen plotseling bhagawan Kasyapa - die in cod. 5243, fol. 1b, tot een van de voorvaderen van alle brahmanen van Voor-Indië, Ceylon (?) en Java gemaakt wordt. Hij nam dewi Danu, de godin van de pura Batur, tot echtgenote en kreeg bij haar een zoon Maya Danawa. Deze werd vorst van heel Bali en had een pura in Batur en een pasanggrahan in Bedahulu. Om zijn wangedrag werd hij door Indra bestreden en te Tampaksiring gedood. Vgl. nog J. C. Jasper, Het eiland Bali en zijn bewoners. Tijdschr. Binn. Bestuur, 1913, deel 45, p.249 sqq., en Mirandolle in Kol. Tijdschr., 1921, p.751- 762.

Het vergelijkingsmateriaal, waarover we kunnen beschikken ter beoordeling van de mededelingen van de Usana Jawa en de Pamancangah, is niet zeer uitgebreid.

In de Pararaton wordt van een expeditie tegen Bali niet gesproken; slechts kan men er uit opmaken, dat Bali in het jaar van de Gajah Mada-gelofte (1331 of kort daarna) nog niet onderworpen was.

Uit Bali zelf hebben we dan ook nog in 1328 een bericht van een onafhankelijk vorst, nl. de oorkonde van Slumbung van sri Walajayakrta-ning-rat en diens moeder paduka Tara sri Mahaguru (Krom, Gesch., p.375).

Van een expeditie tegen Bali vernemen we iets, niet zo heel veel, uit twee werken, nl. uit strofe 4 van Zang IL van de Nagarakretagama en uit Kidung Sunda A, 466-49a. De Nag.-strofe wordt door Kern aldus vertaald: „Voorts in 't Saka-jaar 1265 [verbeterde lezing] werd de snode, laaghartige vorst van Bali beoorloogd door 't (Javaanse) leger; hij kwam ten val met alle (de zijnen) en sneefde. Vervaard vloden allerlei boosdoeners ver weg." We kunnen regel 2 en 3 van de strofe (ikang Bali nathanya duççila nica, dinon ing bala bhrasta sakweh winaça), zonder de tekst ook maar in het minst geweld aan te doen, ook aldus vertalen: „(In Saka 1265) kwam Bali, tegen welks snode, laaghartige vorst een expeditie uitgezonden was, ten val en allen sneuvelden (of werden er onder gebracht)".

Kern vatte als bedoeling van de strofe op, dat de gehele veldtocht in Saka 1265 Q. = 1343 AD afliep; in mijn vertaling blijft het tijdstip van het begin van de expeditie onbepaald, en wordt slechts het jaar van de val (bhrasta) van Bali medegedeeld. Gesteld, dat de onderwerping van Bali inderdaad door haar minder vlot verloop de Regentes en haar patih (p.117) Gajah Mada ernstige moeilijkheden zou bereid hebben, zou Prapanca dat dan in een lied, dat de verheerlijking van de zoon van de Regentes en de heer van Gajah Mada beoogde, uit hebben laten komen?

Dat het de Majapahitters op die veldtocht inderdaad niet dadelijk voor de wind ging, blijkt ook uit het hierboven vermelde Kidung Sunda-fragment. Zoals boven in hoofdstuk I reeds is opgemerkt, behoort deze redactie vermoedelijk tot de oudste historische tradities, zodat de mededeling zeker belangstelling verdient. Er wordt daar verteld (vgl. boven, Hoofdst. III), dat de Sundanese patih Anepaken in zijn twistgesprek met Gajah Mada behandeling van Sunda als onafhankelijk rijk eiste op grond van gebeurtenissen van recente datum. Niet alleen, zo memoreerde Anepaken, had Sunda twee Javaanse aanvallen afgeslagen, maar het had zelfs Majapahit ondersteund, toen het om hulp gevraagd had tegen Bali bij monde van patih Madhu. De koning van Sunda had een hulplegertje van 2.000 man onder commando van Orang Agung (= Urang Raya) gezonden, aan welks dapperheid het eerste succes op Bali, de val van het Westerfort, te danken was, terwijl het Oosterfort veroverd was door (A)jaran Panolih van Madura. De Sundanese en de Madurese veldheer hadden toen de koning van Bali en de prinses(sen) gevankelijk weggevoerd, en terecht weigerde Urang Raya later hen aan de koning van Majapahit als huldeblijk aan te bieden (48b: “angalangi angatureneng nrpati; angaturaken” steeds van het aanbieden van iets aan een meerdere gezegd); slechts wilde hij ze als geschenk (anugraha, gewoonlijk gebruikt van een geschenk van een meerdere aan een mindere) aanbieden. Gajah Mada had hem toen gezegd naar Sunda terug te gaan - er staat niet bij, dat hij Urang Raya's opvatting aanvaardde! - en had hem de rang van adhipati van Takung verleend, terwijl (A)jaran Panolih de titel kreeg van adhipati van Sungenep (n).

Note: Wellicht moet met deze activiteit van (A)jaran Panolih op Bali in verband gebracht worden de volgende mededeling van Van Bloemen Waanders (T.N.I., Serie 3, Jrg. 2, deel II, p.407): „De afstammelingen van zekeren Djaran Penolik (1. Penolih) van Madjapait (!) mogen geen paarden houden. Deze personen zijn op Bali in groot getal aanwezig." Volgens KBW., IV, 38b, wordt hij genoemd als stamvader van een afdeling der sudra's. Zie ook KBW., II, 522-523 en de daar aangehaalde werken. In de Serat Kanda (Parar., p.227 sqq.) is hij de zoon van Brawijaya bij een Bagelense vrouw, wordt door zijn vader in Sumenep (Sumedang) geplaatst, door de dipati van Demak tot de Islam bekeerd en later met een ander door panembahan Jimbun naar Sengguruh gestuurd om te trachten zijn vader, die daar dan resideert, te bekeren. Ook in de Maleise kroniek van Banjarmasin en Kotawaringin komt hij voor (KBW., I, 335b).

Uit de in 48b gebruikte uitdrukking van Anepaken: (p.118) “wanneer ik het juist gehoord heb" behoeft men niet af te leiden, dat deze gebeurtenis voor Anepakens tijd voorgevallen was, omdat elders in Kidung Sunda A blijkt, dat Urang Raya behoorde tot degenen, die in Bubat sneuvelden.

Op grond van deze gegevens lijkt de voorstelling van Pamancangah, Usana Bali en Kidung Sunda A, dat de onderwerping van Bali met grote moeilijkheden gepaard gegaan is, geenszins onaannemelijk, en, zoals wij boven zagen, is zij ook gemakkelijk in overeenstemming te brengen met de mededeling daaromtrent in de Nagarakretagama.

Omtrent de bijzonderheden van de strijd geven de Middeljavaanse bronnen elk eigen details. De voorstelling van de Usana Jawa, dat de veldtocht plaats had onder de regering van de koning, die zijn kraton gevestigd had in het woud van Trik, d.w.z. Wijaya (zie hierboven, hoofdst. II), dat Damar en de overige arya's 's konings broeders waren en dat Wijaya na de definitieve verovering van Bali zich in Gelgel vestigde, is natuurlijk waardeloos uit historisch oogpunt.

De Pamancangah stelt het begin van de campagne nog onder het bewind van Kala Gemet, wiens familierelaties ons juist medegedeeld worden, evenals verderop zijn dood (zie hierboven hoofdst. III). Hoe lang het duurde, voor volledig succes bereikt werd, blijkt niet uit de tekst, die slechts zeer in het algemeen de fasen onderscheidt met „na langen tijd" of „na zeer langen tijd" (b.v. P.K., I, 34, 39); men behoeft in elk geval niet uit het feit, dat de dood van Kala Gemet pas verhaald wordt na de beschrijving van de definitieve overwinning van Kapakisan te concluderen, dat volgens de Pamancangah de veldtocht nog tijdens de regering van Kala Gemet afliep.

Van de verhouding tussen Java en Bali horen we voor de eerste keer pas weer wat, wanneer de Pamancangah ons in Zang I, 158 tot begin Zang III (fol. 12a-21a) gaat vertellen van de rijksconferentie onder Hayam Wuruk na de dood van Gajah Mada, waaraan o.a. Kapakisans jongste zoon (ev. kleinzoon; zie p.122 hierbeneden), toen reeds vorst van Gelgel, deelnam. Daar Kala Gemet in 1328 vermoord werd (Krom, Gesch., p.377), en ons nog uit 1328 een oorkonde van een onafhankelijk Balinees vorst bekend is, zoals boven reeds ter sprake is gekomen, zijn onze drie bronnen (Pam., Parar. en Nag.) alleen dan tot overeenstemming te (p.119) brengen, wanneer we aannemen, dat

1) de expeditie hetzij in 1328 uitgestuurd werd, hetzij in dat jaar pas zo kort bezig was, dat de onafhankelijkheid van Walajayakrta-ning-rat toen nog ongeschokt was,
2) zij op het tijdstip van de Gajah Mada-gelofte (± 1331) nog niet, maar
3) eerst in 1343 met succes bekroond werd.

Dat de expeditie dan 15 jaar of iets langer geduurd heeft, zonder dat we er in Javaanse bronnen veel van bemerken, behoeft geen overwegend bezwaar tegen deze mogelijkheid te zijn, daar er in de eerste plaats niet steeds behoeft gevochten te zijn, en in de tweede plaats ook de Pamalayu 16 jaar geduurd heeft (1277-1293), zonder dat we er in die jaren veel van horen. Ook in het geval van de Pamalayu was er een vazalvorstendom (Malayu) gesticht en stevig gegrondvest, voor de Javanen terugkeerden.

Het verschil tussen de expeditie tegen Bali en de Pamalayu is, dat van Bali geen troepen teruggekeerd zijn (althans volgens de Pam.; niet echter volgens het fragment uit Kidung Sunda A), maar dat hangt dan samen met het feit, dat op Bali een Javaans vorstendom gesticht werd, terwijl Malayu Sumatraans bleef. Intussen, meer dan een mogelijkheid is deze constructie niet; mocht het bekend worden van nieuwe feiten haar omverwerpen, dan rest ons slechts de conclusie, dat de schrijver van de Pamancangah de Javaanse verovering van Bali ten onrechte reeds onder Kala Gemet laat aanvangen en haar dus te vroeg stelt.

In dit verband worde nog opgemerkt, dat slechts de Usana Jawa duidelijk spreekt van Gajah Mada's aanwezigheid op Bali (waaraan zich dan de Balineesche voorstelling van Gajah Mada als stamvader van vele Balinese vorsten aansluit.)

De Pamancangah is hier vaag en zegt slechts (I, 7; vgl. fol. 2a), dat Bedahulu overwonnen werd „wet ning wicitranira sirarya Damar, prajurit Majapahit, lan si rakryan Mada, siradi ning opaya", welke vaagheid ik in mijn referaat hierboven gevolgd heb door slechts te spreken van „samenwerking" in het begin van deze paragraaf, de mogelijkheid open latende, dat Damar te velde en Gajah Mada in het bureau van de patih van Daha te Majapahit (vgl. Krom, Gesch., p.383) de Balinezen overwon.

Hoewel Gajah Mada in 1328 geen rijksbestierder was - het Pararaton-bericht, dat hij in 1321 patih van Daha werd, is onjuist gebleken, maar in 1330 bekleedde hij stellig die functie; zie Krom, Gesch., p.374 -, en dus toen nog geen beslissende rol bij de uitzending der expeditie gespeeld kan hebben, (p.120) is het heel goed mogelijk, dat hij, die toen toch stellig reeds een persoon van gewicht in Majapahit was, om een of andere reden speciaal bij de Balinese veldtocht geïnteresseerd is geweest.

De persoon van arya Damar is uit oudere Javaanse geschiedbronnen niet bekend. De Nagarakretagama deelt de naam van de leider van de expeditie tegen Bali niet mede, evenmin als de passage uit de Kidung Sunda A. De Pamancangah noemt hem slechts prajurit en deelt omtrent zijn maatschappelijke stand niets meer mee, dan men uit zijn titel arya kan opmaken; wat zijn functie betreft: onder Hayam Wuruk heet het van hem (I, 104: wrddha sira pinatih; fol. 9), dat hij als patih-wrddha (mantri-wrddha?) naar Palembang ging om daar het onderkoningschap te bekleden, en dat zijn zoon hem daar na zijn dood in die functie opvolgde (I, 107, 162).

In de Usana Jawa was hij Wijaya's jongere broer en juist vóór de Balische expeditie onderkoning van „Tulembang" (vaker variant van Palembang; vgl. b.v. de v.l. van P.K., II, 19, 63, 83); op Bali speelt hij nog een belangrijke rol in de geslachtslijsten der latere rijkjes.

Volgens de Nieuw Javaanse babad was arya Damar de zoon van Brawijaya bij een reuzin, terwijl de Chineesje, met wie hij bij zijn vertrek naar Palembang huwde, de moeder was van Raden Patah, later de eerste sultan van Demak, die ook een zoon van Brawijaya en dus een halfbroer van Damar was.

In de volksmond is Damar blijven voortleven als een machthebber over de djins (Dongeng awarni-warni, ed. Volkslektuur, Serie 4, No. 1). Mocht v. d. Tuuk's gissing in KBW., IV, 9916, s.v. bleteng, dat Beleteng een vertaling van Damar is, daar ook Blotong (± =damar) voorkomt, juist zijn, dan speelt Damar ook in de geschiedenis van Sunda een rol (zie boven, hoofdst. III); voor v. d. Tuuk's gissing pleit, dat in de Pamancangah geen Beleteng optreedt; de persoonsverdubbeling, die dan in de Usana Jawa (zie boven p.110) optreedt, is ook in de Nieuwjavaanse literatuur geen onbekend verschijnsel (zie Parar., p.215, noot 2, 217, noot 1; zie nog over hem Rouffaer in BKI., 6de volgr., deel VII, p.289).

Van Pasungrigih (v.l. Prasungrigih), die in de Balineesche satwa nog bekend is onder de naam van Pacunggrigis of Pasunggrigis (KBW., IV, 2186) en in de Usana Jawa Pasunggiri genoemd wordt, heb ik verder nergens iets vermeld gevonden (n), evenmin als van Dedela(-natha) van Sambawa (Sumbawa), die hij later ten behoeve van Majapahit bestreed.

Note: Behalve dan wat in de nota de Haan vermeld wordt; zie een der vorige noten.

(p.121) De Pamancangah noemt hem (Pasungrigih) koning van Bedahulu; in de Usana Jawa wordt hij meer algemeen koning van Bali genoemd, maar vermoedelijk is ook daar wel de bedoeling, dat hij in Bedahulu thuis hoorde. Of hij misschien gelijk te stellen is aan de uit de Balineesche oorkonde van 1328 bekende Walajayakrta-ning-rat? - Javaanse actie tegen Sambawa is in deze tijd geenszins ondenkbaar.

Pasungrigihs aanval zal niet veel succes gehad hebben, daar hij zelf sneuvelde; in de Gajah Mada-gelofte komt Dompo (= Sumbawa) voor als een gebied, dat nog onderworpen moest worden, en pas in 1357 werd het aan het Javaanse machtsgebied toegevoegd (Krom, Gesch., p.405; vgl. de mededeling uit de Hikayat Raja-raja Pasay, noot 2 van p.386 op p.387).

De meeste andere personen, die nog genoemd worden, zijn onbekenden; slechts arya Sentong komt in de Pararaton voor (29,10).

Recapituleren we de inhoud van §2 aldus: de veldtocht ter verovering van Bali, die de Middeljavaanse historische traditie vermeldt, is die van Nag., IL, 4; het relaas van de Pamancangah zou desnoods mogelijk kunnen zijn, maar de kans is heel groot, dat het geantedateerd is; de lezing van het eerste deel (zonder de Mraja Danawa-passage) van de Usana Jawa is jongere traditie en voor het leren kennen der feiten van veel minder waarde dan de Pamancangah; de Usana Bali is een allegorie en heeft voor dat doel geen waarde.

§ 3. Samprangan en Gelgel vóór Baturenggong

Op de periode van strijd en verovering volgde er een van ontwikkeling en organisatie; het ontbreken van schokkende gebeurtenissen weerspiegelt zich in de historische traditieboeken, die ons over deze tijd zeer onvoldoende inlichten. Voor dit gedeelte van de geschiedenis van Bali wordt het materiaal geleverd door
1) de Pamancangah,
2) de Usana Jawa en
3) het geschriftje, dat hierboven in de Inleiding onder H.4 genoemd is [Tattwa Sunda].

1) PAMANCANGAH

Omtrent de regering van Kapakisan, of Krsna Kapakisan, zoals hij misschien als vorst ook genoemd wordt, worden we door deze bron al heel karig ingelicht. Het enige, wat er behalve het in §2 vermelde van hem verteld wordt, is, dat hij tot zijn patih benoemde Nyuh Aya (in de MSS. vaak gespeld Nyuh Ahya, en, wegens de grote gelijkenis van de letters ñ en b in het Balineesche schrift, vaak ook buhaya, buhahya), tot demung arya (p.122) Wangbang en tot tumenggung arya Kuta Waringin.

De volgorde, waarin deze voorname ambtenaren genoemd worden, is dezelfde in kidung en prozatekst, en herinnert ons aan wat de Pararaton ons vertelt (25,19-20), nl. dat onder de regering van Kala Gemet tumenggung minder was dan demung. Terwijl nu de namen van de demung en de tumenggung bekend zijn, biedt ons die van de patih reeds dadelijk moeilijkheden.

Hier (P.K., I, 54; fol. 5) wordt niet verteld, wie hij is; hij wordt echter nog enkele keren in de Pamancangah vermeld, en wel als iemand uit het geslacht Kapakisan. Het duidelijkst is de mededeling in Pam., fol. 35a, waar we lezen: “… Nyuh Aya, treh Kapakisan, roro yanak (v.l. sanak) sang ari, gusti Asak, Nyuh Ahya, gusti Wayahan gusti Patandakan, mawetu gusti Batan Jeruk, kuneng gusti Nginte putra n gusti Asak"; in vertaling: “ …Nyuh Aya uit het geslacht Kapakisan; twee was het aantal der jongere kinderen (v.l. broeders), nl. gusti Asak en Nyuh Aya; gusti Wayahan (d.w.z. oudste zoon, nl. van Nyuh Aya) was gusti Patandakan, wiens zoon weer gusti Batan Jeruk was, maar gusti Asak zijn zoon was Nginte."

De vraag rijst nu: wiens jongere zoons of wiens jongere broers waren Asak en Nyuh Aya? Wellicht geeft cod. 5058 (zie hierboven, p.16) het juiste antwoord: Arya Kapakisan had tot zoons Asak en Nyuh Aya (fol. ia). Daar nu Pam., fol. 35a, hen „jongeren" (sang ari) noemt, moeten zij dus zijn jongere broers van Kapakisans opvolger.

Kapakisans dood wordt terloops medegedeeld in P.K., 1,107, Pam., fol. 96. In P.K., 1,130, Pam., fol. 10, wordt na een uitvoerige mededeling over contemporaine geschiedenis van Majapahit het verhaal van de geschiedenis van Bali weer opgenomen, en wel in de kidung met het bericht, dat Krsna Kapakisan bij zijn dood vier kinderen naliet, raden Agra Samprangan, raden Turukan, een dochter en een jongsten zoon.

De conclusie, die we uit de kidung kunnen trekken, is deze: Kapakisan had drie zoons, Krsna-Kapakisan, Asak en Nyuh Aya, waarvan de oudste de zo-even genoemde vier kinderen had; cod. 5058 somt van het geslacht Kapakisan niet op de leden van de koninklijke familie en vermeldt dus Krsna Kapakisan niet.

Deze conclusie lijkt heel aannemelijk, maar is helaas niet in overeenstemming met het feit, dat in Pam., fol. 106, de vader van de vier kinderen i dewa Wahu Rawuh wordt genoemd, waar wel Kapakisan, maar niet diens zoon mee bedoeld kan zijn (n).

Note: Naast fol. 1ob kan men nog plaatsen Pam., IV, 133 = fol. 33b. Ook in „Goesti Pandji Sakti" en in de Nota de Haan is Sri Kapakisan = Krsna Kapakisan, zodat deze opvatting, zelfs indien ze onjuist mocht zijn, de algemenere is geworden.

Ik ben echter geneigd deze laatste lezing gemakshalve (p.123) voorlopig voor onjuist te houden, en met de kidung, met cod. 5058 en met Pam., fol. 35a, koning Krsna Kapakisan, van wie we dan echter in het geheel niets weten, te onderscheiden van Kapakisan, de veroveraar en pacificator van Bali.

Er moeten echter, zoals wij beneden zullen zien, ook in het kidung-relaas van de oudste Javaanse vorsten van Bali belangrijke hiaten voorkomen, zodat het ondoenlijk is aan een der lezingen een bepaalden graad van waarschijnlijkheid toe te kennen. Reeds het feit, dat van Krsna Kapakisans regering niet de minste kleinigheid verteld wordt, toont ons, hoe slecht de latere traditie over dit tijdvak is ingelicht.

Van de vier zo-even genoemde kinderen van de vorst van Samprangan volgde de oudste zijn vader op; in de prozatekst heet hij I dewa Samprangan. Hij was een leeghoofd, en verdeed een groot deel van zijn tijd aan minnespel en zorg voor zijn toilet; 's ochtends om 9 uur, wanneer hij als vorst reeds lang op de paséban behoorde te zijn, stond hij zich nog voor de spiegel te bewonderen en liet de mantri's, die hun opwachting kwamen maken, al die tijd maar wachten.

Toen dit nu de mantri's al een paar malen overkomen was, gebeurde het eens, dat één van hen, Kubon Kelapa, uit het geslacht van Kuta Waringin, na uren wachten er genoeg van kreeg en de paséban verliet. Zijn voorbeeld werd gevolgd door de andere mantri's, zodat de vorst, toen hij zich eindelijk vertoonde, geen van hen meer aanwezig vond. Nu was van de overige kinderen van Krsna Kapakisan de tweede zoon, raden Turukan, in de prozatekst I dewa Panarukan genaamd, krankzinnig en de dochter was uitgehuwelijkt aan een paard (P.K., 1,134: palakennya ring waji; Pam., fol. 10b: de pasomahaken lawan ajaran; iemand, die Kuda- heette? (n)).

Note: Zie “Pandji Goesti Sakti", p.327a boven; ook P.de Kat Angelino meende dus, dat er werkelijk een paard mee bedoeld is. Als verhaalmotief komt dit totemistische trekje wel vaker voor; vgl. Dongeng Awarni-warni, Volkslectuur, Serie No. 4, No. 4 (p.17 sq.), het verhaal van een weefster, die trouwt met de hond, die haar gevallen spoel opzoekt. Ook in de babad komt een verhaal voor van een huwelijk met een krokodil (vgl. H. Djajadiningrat, diss., p.291, 292).

De jongste zoon, die de prozaredactie hier slechts I dewa Ketut noemt, maar wiens (apanage-)naam volgens P.K., IV, 133, Pam., fol. 336, Tegal Besung was, was een hartstochtelijk speler, maar iemand van erkende capaciteiten. Hem nu zocht Kubon Kelapa na zijn breuk met de vorst van Samprangan op. Hij vond hem (p.124) in een speelhuis, maar verzocht hem niettemin, na hem de situatie uiteengezet te hebben, hem te mogen huldigen als zijn heer. De speler achtte zich daarvoor niet de geschikte persoon, en wees Kubon Kelapa op zijn armoede, maar deze kwam aan zijn bezwaren tegemoet door hem zijn huis in Gelgel, van welke plaats hij akuwu was, als voorlopige residentie aan te bieden; zelf zou hij dan zolang wel in de Klappertuin, zijn apanage, gaan wonen. Dat aanbod was te verleidelijk voor de prins; hij aanvaardde het en vestigde zich in Gelgel (Swecchanagara, Linggarsapura, Swecchalinggarsapura). Zo was de grondslag van het latere rijk van Gelgel gelegd (n).

Note: Men vindt de hoofdzaken van dit verhaal ook bij Friederich, De Oesana Bali, p.343, 344, in Goesti Pandji Sakti, p.326b-327a, in de Nota de Haan en bij J.C. Jasper, Het eiland Bali en zijn bewoners, Tijdschr. Binnl. Bestuur, 1913, deel 45, p.251 sqq. In dit laatste artikel, waarvoor men vergelijke C. Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.187-188, komen enkele afwijkingen van de gewone lezing voor. Het begin is gelijkluidend met Nota de Haan; dan volgt:

Te Bedulu regeerde de zoon van Masula en Masuli, Bedamukha met de olifantskop, hier ook Topa Wulung (cf. p.102 en n. 1) geheten, wiens patihs waren Pasunggeriges en Kebo Iwa. Tegen hem zond de koning van Majapahit, arya Muruk [i.p.v. Ayam Uruk!; hier aan arya Damar gelijkgesteld], Gajah Mada ter bestrijding uit. Na de dood van Bedamukha werd arya Muruk zijn zoon Krsna Kapakisan koning van Samplangan. Na hem regeerde daar dalem Samplangan, daarna d. Tarukan, die hier minderwaardig, maar niet gek is, daarna d. Ketut in Gelgel.

Voordat i dewa Ketut door Kubon Kelapa gehuldigd was, had hij tweemaal een poging gedaan om zijn macht uit te breiden. Hij had nl. bezoeken gebracht aan Pandak en aan Kalungkung (Smarajaya); door het dorpshoofd van Pandak was hij met eerbied ontvangen, maar dat van Kalungkung had geen notitie van hem willen nemen. Daarom had hij de inwoners van Pandak beloofd, dat hij, mocht hij nog eens de macht over Bali in handen krijgen, hen als beloning tot sanghyangs (KBW., III, 431a: onderafdeling van de 2de kaste) zou verheffen, terwijl hij die van Kalungkung had aangezegd, dat ze in dat geval zouden gedegradeerd Worden tot secreetscheppers en dwangarbeiders.

Deze belofte en dit dreigement kon hij nu verwezenlijken. Snel toch ontwikkelde zich de jonge kraton van Gelgel en kwam tot grote bloei, door de bescherming van de god van de Tohlangkir, Mahadewa, en door de bekwaamheid van I Dewa Ketut (n).

Note: I Dewa Ketut [Tegal Besung] wordt herhaaldelijk als incarnatie van Mahadewa voorgesteld; zo b.v. P.K, II, 4, III, 6. Daarnaast is hij echter incarnatie van Smara (b.v. P.K., I, 157, II, 29) en wordt hij genoemd Smara Kapakisan, Manmatha Kapakisan (Pam., fol. 14).

Daarmee evenredig was de achteruitgang van Samprangan, daar de andere rijksgroten Kubon Kelapa's voorbeeld ook volgden in de erkenning en huldiging van de heer (p.125) van Gelgel. De functionarissen van Gelgel behoorden tot dezelfde geslachten als die van Samprangan: patih was Nyuh Aya's zoon Patandakan, demung Pinatih van het geslacht van arya Wangbang en tumenggung Kubon Kelapa van het geslacht Kuta Waringin.

Patandakan behoorde, zoals wij hierboven reeds aangaven, tot de derde generatie der Javanen op Bali; dit was ook het geval met Pinatih, van wie we uit P.K., V, 65-66, Pam., fol. 546-55a, weten, dat hij de zoon was van arya Wangbang's zoon Bañak/banyak Wide; van Kubon Kelapa mogen we dus ook wel hetzelfde veronderstellen. De prozaredactie vertelt ons (fol. 106), dat de door deze generatie gesproken taal reeds het Yawa-Bali was, het Balineesche Javaans, waarin ook de Pamancangah geschreven is (KBW., IV, 3836: djawa bali, de taal, waarin de geguritan geschreven zijn); de waarde van deze mededeling wordt echter sterk verminderd door het feit, dat ze voorkomt in één van die opzettelijk onverstaanbaar gemaakte passages, waarmee het eerste deel van de proza-Pamancangah steeds nieuwe hoofdstukken begint.

Men zou kunnenzeggen, dat Kubon Kelapa de apanagenaam van de akuwu van Gelgel was; hiermee wordt bedoeld, dat hij leenman, heer van het apanagegebied Kubon Kelapa was. Deze apanages waren erfelijk, en zo ontwikkelde zich op Bali, op dezelfde wijze, als wij dat uit de Nederlandsche geschiedenis kennen, het gebruik van aardrijkskundige namen als familienamen. Het is voor ons niet gemakkelijk de verschillende Kubon Kelapa's, die even zo vele generaties vertegenwoordigen, van elkaar te onderscheiden, vooral, daar de eigennaam, die de Balinese groten behalve hun apanagenaam droegen, slechts zeer zelden genoemd wordt (enkele voorbeelden in P.K., VI, 18 sqq.; Pam., fol. 60a).

Wanneer het feodale stelsel, dat hieraan ten grondslag lag, en dat we, voor zover mij bekend, niet in deze geprononceerde vorm van Java kennen, zich in de Javaanse kolonie op Bali ontwikkelde, en of het wellicht een aanpassing der Javaanse immigranten aan Balineesche gebruiken was, blijkt niet uit de Pamancangah. Een volledige lijst van Gelgelse apanages, zoals ze in de hele Pamancangah telkens weer voorkomt, wordt voor het eerst gegeven bij de beschrijving van de macht van de jonge kraton van Gelgel in Pam., fol. 11b-12a, maar de traditie voert de feodale organisatie hoger op en baseert haar op een verdeling van het gebied onder de laatst aangekomen Javanen en de zoons van de eerst aangekomenen. Deze eerste verdeling, (p.126) die in de loop der jaren door steeds voortschrijdende verdeling, waartegenover echter weer samenvoeging stond door huwelijk, overerving, adoptie enz., steeds ingewikkelder werd, zag er uit als volgt:

in de familie arya Kanuruhan: Brang Singha, Tangkas en Pagatepan;
in de familie arya Wangbang: Pinatih, Panataran en Toh Jiwa;
in de familie Wangbang: Sukahet, Pring en Cagahan;
in de familie arya Kenceng: Tegeh Kori of Badung en Tabanan;
in de familie arya Belog: Buringkit en Kaba-Kaba;
in de familie arya Pangalasan: Jelantik en Camanggahon;
in de familie arya Dalancang: Kapal;
in de familie arya Kuta Waringin: Kubon Kelapa (met de varianten Kubon Tiris, Kubon Tubuh, Abyan Tubuh en Klapodyana);
in de familie arya Manguri: Dawuh;
in de familie arya Gajah Para: Toya Anyar (Toyanyar, Tiyanyar);
in de wesya-families Tan Kober, Tan Kawur en Tan Mundur: resp. Pacung, Abyan Semal en Cacaha.

De apanagegebieden vindt men grotendeels nog als namen van dorpen op de kaart van het huidige Bali terug (zie b.v. Schetskaart van het eiland Bali, schaal 1 : 250.000, van de Topographische Inrichting, verbeterde editie, Batavia, 1922). Het apanagegebied van de leden van het koninklijke huis van Kapakisan is in deze lijst niet opgenomen, omdat de tekst weinig gegevens daarover mededeelt. Dat zij apanages hadden, blijkt uit de namen, waarmee ze aangeduid worden; zelfs worden enkele koningen van Gelgel genoemd bij hun apanagenaam, die ze als prins droegen, nl. Baturenggong en Seganing. De andere koningen worden naar hun bijnaam of naar hun plaats in het gezin van hun ouders aangeduid, b.v. Bekung (= de kinderloze), Di Made (het tweede kind, op één na de oudste).

Of zij eigennamen hadden, is mij nergens gebleken, maar vermoedelijk hadden ze wel Sanskriet wijdingsnamen, zoals de koningen van Singhasari en Majapahit, daar de namen Wiryatmaja en apanji Wijayamottama in de inleiding van de kidung Pamancangah gegeven worden aan een koning en een prins in de na-Gelgelse tijd en niet aannemelijk is, dat tussen dit en het Javaanse gebruik de Gelgelse periode een lacune zou vormen, te meer, omdat Gelgel steeds boogt op het hooghouden van de Majapahitsche traditie.

De voornaamste gebeurtenis onder de regering van de (p.127) eerste koning van Gelgel is geweest zijn tocht naar Majapahit ter gelegenheid van de door Hayam Wuruk georganiseerde rijksconferentie, die hierboven reeds ter sprake gekomen is. Hoeveel jaren de kraton van Gelgel reeds bestond, toen Hayam Wuruk de „vazalvorst van Bali" (P.K., I, 161; Pam., fol. 12a) opriep naar Majapahit, en of Majapahit zich nog op een of andere wijze met de verplaatsing van het zwaartepunt in het Balineesche vazalvorstendom bemoeid had, blijkt niet uit de tekst; deze acht het vanzelfsprekend, dat aan de uitnodiging door de vorst van Gelgel gevolg werd gegeven.

Vergezeld van zijn drie voornaamste ambtenaren, Patandakan, Pinatih en Kubon Kelapa, en van de drie wesya's, zo wordt in Zang II verhaald, vertrok hij op een gunstige dag naar Majapahit, de zorg voor de kraton aan de achterblijvende rijksgroten overlatende. Na een reis van zeven dagen, waarop zij verschillende havens van de kust van Bali aandeden, telkens met grote eerbewijzen door de betreffenden akuwu ontvangen, bereikten zij Bubat.

Ook daar had de akuwu alles voor een schitterende verwelkoming gereed laten maken. Dadelijk na de aankomst der Balineesche gasten stuurde hij een boodschap naar Majapahit en een dag later kwam een deputatie namens de koning de gasten in Bubat afhalen. De indruk, die de vorst van Gelgel op de Javanen, en vooral op de Javaansen, maakte, was buitengewoon; ook bij Hayam Wuruk viel hij zozeer in de smaak, dat hij bij wijze van onderscheiding een verblijfplaats in de kamegetan aangewezen kreeg (vgl. voor ‘kamegetan’ B.K. I., 1927, deel 83, p.136-137).

In de uitvoerige, dichterlijke beschrijving, die de Pamancangah van de reis naar en het verblijf in Majapahit geeft, komt een passage voor, die mij niet geheel duidelijk is, maar die blijkbaar bedoeld is als een illustratie van de bijzondere voortreffelijkheid van de vorst van Bali.

Er wordt nl. verteld (P.K., II, 72-75; Pam., fol. 20), dat één van de Javaanse vorsten die van Bali vroeg zijn dijen eens te laten zien, want de mare was reeds tot Java doorgedrongen, dat de vorst van Bali zwarte dijen had. Deze bevestigde het gerucht, maar zei er nederig bij, dat die afwijking wel een straf voor zijn zonden zou zijn. Hij liet toen zijn dijen zien, en dadelijk beseften de Javaanse vorsten, dat zo iemand een machtig held en een groot vorst moest zijn; zij uitten hun verbazing en bewondering met de woorden: „Men zegt (terecht(?)), dat het dorp van deze man beoosten de Kawi (p.128) ligt" (?) (een toespeling op ken Angroks afkomst?)

Daarna deelde de koning van Majapahit geschenken uit aan de vazalvorsten, o.a. aan de koning van Bali een bijzonder waardevolle kris. Na de plechtige audiëntie bleven de vazalvorsten nog een maand lang de gasten van de koning; ze gebruikten die tijd om de onderlinge vriendschapsbanden weer wat vaster aan te knopen, en ook bij deze gelegenheden bleek weer, hoe bijzonder hoog de vorst van Bali stond in de bewondering van zijn collega's en bloedverwanten van Pasuruhan en Blambangan. Toen die maand om was, werden de vazalvorsten door de koning van Majapahit in afscheidsaudiëntie ontvangen, waarna ze ieder naar hun eigen land terugkeerden.

De vorst van Bali beleefde op zijn terugreis nog een vreemd avontuur. Toen hij reeds aan boord van het schip gegaan was, dat hem naar Bali terug zou voeren, raakte door een ongelukkig toeval de kris, die de koning hem geschonken had, uit de schede los en viel in het water. Onmiddellijk toonde toen de eigenaar de kris haar schede, waarop zij uit het water opsteeg en vanzelf haar plaats weer in de schede innam. Daar dit op de grote rivier voor Canggu gebeurd was, kreeg de wonderkris de naam Bangawan-Canggu. Verder verliep de terugreis naar Bali zonder incidenten.

Van de eigenlijke regering van deze vorst wordt niets bijzonders verteld. Behalve van zijn reis naar Majapahit, dat onder zijn regering kort na de dood van Hayam Wuruk en van de vorst van Wengker onderging (zie boven, hoofdstuk III), wordt van hem nog verteld, dat hij een groot offerfeest bijwoonde, dat de vorst van Madura gaf ter delging van de zondenschuld van zijn voorvaderen, maar van een bijzondere rol, die hij daarbij speelde, wordt niet gerept.

Hoe lang hij na zijn bezoek aan Majapahit nog regeerde, wordt niet aangeduid in onze tekst. Zijn dood, of liever gezegd zijn levenseinde, had plaats onder zeer bijzondere omstandigheden, waarvan ons het volgende, mij niet al te duidelijke verhaal gedaan wordt (P.K., III, 22-35; Pam., fol. 226-23b): Na een regering van vele jaren wenste de vorst van Bali de bhiseka te ontvangen en zond daarom iemand naar Kling om een machtig brahmaan voor dit plan te winnen. De brahmaan stemde toe; door de kracht van zijn gedachtenconcentratie verplaatste hij zich in een oogwenk door de lucht van de zetel, waarop hij zat, naar de berg Wasuki (d.w.z. naar Besakih, aan de voet van de Gunung Agung = To Langkir).

Daar zag (p.129) hij midden op de top van de berg (van de Agung nl.) een vlammende troon, en vervolgens verscheen hem Mahadewa (de god van de To Langkir), die hem vroeg naar het doel van zijn reis. De brahmaan vertelde het hem. Mahadewa stak zijn hand uit, en schitterend, rookloos vuur kwam er uit te voorschijn; hij vroeg de brahmaan, wat dat was. De brahmaan antwoordde, dat het de pancagni (het vijfvoudige vuur) en de pancabrahmaksara (zie Goris, diss., p.93) waren. „Waar zal ik het doen vallen", vroeg Mahadewa, „in het hart of in de hals?"

Maar de brahmaan zweeg, niet omdat hij bang was, maar omdat hij nu eenmaal op zich genomen had naar Gelgel te gaan voor de bhiseka van de vorst. Daarop verdween Mahadewa en de brahmaan zette zijn reis naar Gelgel voort op dezelfde wijze als hij de reis naar de Wasuki gemaakt had. In de plaats van zijn bestemming aangekomen ging hij de kraton binnen en werd daar verwelkomd door de vorst. Al spoedig na de verwelkoming bemerkte de brahmaan tot zijn niet geringe verbazing, dat de vorst van Gelgel dezelfde gelaatstrekken bad als de Mahadewa van de Wasuki (Tohlangkir). Nu begreep de brahmaan, dat hij te laat in Gelgel gekomen was, en hij kon niets anders doen dan de vorst aan te kondigen, dat deze nog slechts een maand en zeven dagen te leven zou hebben (n).

Note: De gelijkheid van gelaatstrekken is een gevolg van de in een der vorige noten reeds vermelde gelijkheid van wezen. Wat verder de portee van het verhaal is, is mij «en raadsel. Op het vaker voorkomen van de termijn van een maand en 7 dagen wees ik reeds in B.K.I., deel 83, p.153-154. Sindsdien vond ik deze termijn nog herhaaldelijk in variërend verband genoemd, o. a. in de Usana Jawa. Zie ook Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.51, regel 10-11.

Gelaten aanvaardde deze de beslissing van de Albeschikking; hij liet zich door de brahmaan de sacramenten toedienen, liet zich onderrichten in het puikje der geheimleer en trok zich vervolgens in zijn paleis terug om de dingen af te wachten, die komen zouden. De brahmaan werd huisvesting gegeven in de tuin Bagenda (n) en hij werd op 's vorsten bevel uitstekend verzorgd.

Note: Bagenda komt als naam van een tuin ook in de Panji-verhalen vaak voor.

Vervolgens keerde hij door de lucht naar zijn eigen verblijf terug. Toen de termijn, die de brahmaan genoemd had, verstreken was, verdween de vorst en ging op in het Niet. Hij liet 6 zoons na, Batu Renggong, Gedong Artha, Nusa, Pagedangan, Anggungan en Bangli, waarvan de oudste hem als vorst opvolgde.

Voor dit uiterst vage relaas van de geschiedenis van Samprangan en van de eerste periode der Gelgelse geschiedenis (p.130) staat ons geen vergelijkingsmateriaal ten dienste.

Van de vier vorsten, die gedurende deze tijd geregeerd hebben, vernemen we niet het minste, dat van historische waarde zou kunnen zijn; het bestaan van één van hen, Krsna Kapakisan, is zelfs niet boven twijfel verheven. Dat de kraton van Gelgel reeds bestond vóór de dood van Hayam Wuruk (1380), is moeilijk te verdedigen of te bestrijden. Dat echter de vazalvorst van Bali in die tijd zijn opwachting in Majapahit ging maken en er een geziene gast was, is op zichzelf geenszins onwaarschijnlijk. De oorkonde van Batur van 1384 (Krom, Gesch., p.406) bewijst, dat de opperheerschappij over dat eiland toen nog, en ook nog in 1398, aan Majapahit was.

Met Batu Renggong, die ons hier als zoon van de eerste koning van Gelgel wordt voorgesteld, zijn we reeds in de 16de eeuw aangekomen, of op zijn vroegst in het eind van de 15de eeuw. De geslachtsboom van het huis Kapakisan moet dus met een aantal vorsten verlengd worden, van wier bestaan de traditie zelfs niet de herinnering bewaard heeft. Moeten we nu wegens deze totale afwezigheid van gegevens voor de Balineesche geschiedenis gedurende de 15de eeuw het bestaan der Javaans-Balineesche rijken van Samprangan en Gelgel voor deze periode ontkennen? Mijns inziens behoeft dat geenszins. De stelling, dat de stamboom der Gelgelse vorsten - twee, hoogstens drie vóór Baturenggong, die omstreeks 1550 regeerde - wijst op het ontstaan der Balinees-Javaanse rijken omstreeks het begin van de 16de eeuw, zou te verdedigen zijn, wanneer men alle stichtingsverhalen van de traditie als legendarisch beschouwde.

Het komt mij echter voor, dat men daartoe niet het recht heeft, en dat het onvolledig zijn van de stamboom van ondergeschikt belang is te achten. De traditie, die de stichting der rijken in de 14de eeuw plaatst, is te stellig, dan dat we ze zonder noodzaak als waardeloos zouden mogen bestempelen. En die noodzaak bestaat niet, zolang we niet over bepaalde gegevens beschikken, die met de Pamancangah in strijd zijn. Uit de zwijgzaamheid der traditie omtrent de eerste periode mogen we voorlopig slechts concluderen, dat er toen geen bijzondere gebeurtenissen hebben plaats gehad in Bali, en dat er evenmin van enige belangrijke actie van de kant van of tegenover Bali in die tijd sprake kan zijn.

Met Majapahit is er in de 15de eeuw blijkbaar geen innig contact meer geweest; de Middeljavaanse traditie plaatst, zoals we in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, met grote eenstemmigheid de val van Majapahit (p.131) dadelijk na de dood van Hayam Wuruk.

Deze opvatting moet zich in de loop van de 15de eeuw zo vastgezet hebben, dat het op Bali bekend worden van latere gegevens, zoals het laatste gedeelte van de Pararaton, en het importeren van nieuwere berichten door personen als Nirartha, geen invloed meer gehad hebben op de reeds bestaande Balineesche traditie.

Er is dan ook op Java na de Paregreg van 1403 tot 1406 weinig meer gebeurd, dat ook de belangstelling van niet-Javanen tot zich zou kunnen trekken. Wanneer ik in het bovenstaande spreek van afwezigheid van enige belangrijke actie tegenover Bali gedurende de 15de eeuw - en dit geldt ook voor het begin van de 16de eeuw -, dan acht ik daarmee ook een belangrijke immigratie van voor de Islam geweken Hindu-Javanen in Bali zeer onwaarschijnlijk.

Aanvaarden we Javaanse kolonisatie op Bali in de Majapahitsche bloeiperiode, dan verklaart dat de aanwezigheid van Majapahits Hindoeïsme even goed, en wellicht nog beter, als wanneer we bovenbedoelde gedwongen immigratie veronderstellen. Een enigszins belangrijke immigratie in de tijd der Moslimse veroveringen zou stellig haar sporen nagelaten hebben in de Balineesche historische traditie, maar we vinden daarin niet het minste er van.

Wel spreekt de Serat Kanda (Parar., p.230, en ook p.215, noot 2; Krom, Gesch., p.461) van een uitwijking naar Bali, eerst van Brawijaya en later ook van zijn zoon (bij een Balinese prinses) Kaloengkoeng en van zijn patih Gajah Mada, vanuit Sengguruh (bij Malang; Krom, Gesch., p.321), onder de druk van Panembahan Jimbun = Raden Patah, maar hierbij moge opgemerkt worden, dat we hier vermoedelijk met invloed van de Oost-Javaanse traditie te doen hebben, die het gegeven „val van Majapahit door het zich op Bali vestigen van Brawijaya en Gajah Mada" (zie Usana Jawa!) met het gegeven „val van Majapahit door toedoen van de opdringende Islam gecombineerd heeft. En dat Brawijaya's zoon Kaloengkoeng genoemd wordt, is er een sterke aanwijzing voor, dat de traditie, zoals we ze nu uit de Serat Kanda kennen, vermoedelijk pas dateert uit de 2de helft van de 17de eeuw op zijn vroegst, toen de naam Kalungkung of Klungkung ook buiten Bali's grenzen bekend ging worden. Volgens de lezing van de Babad Tanah Djawi (Parar., p.214; Krom, Gesch., p.460) is er dan ook geen sprake van verhuizing naar Bali; Brawijaya en de overige hem trouwe anti-Islamieten varen ten hemel; het Hindu-Javanisme sterft (p.132) uit.

Het komt mij voor, dat de lezing van de Serat Kanda als argument voor de opvatting, dat pas de Islam het Hindu-Javanisme naar Bali verdrong, van weinig waarde is. Toch behoeft de tegenstrijdigheid tussen de opvatting der Middeljavaanse traditie en die der Europese geleerden (zie b.v. Krom, Inleiding, II, 406 sqq.; Gesch., p.463-464) niet zo flagrant te zijn; het verschil van opvatting heeft, dunkt mij, meer op de omstandigheden, dan op het wezen der zaak betrekking, en daarom heb ik in het bovenstaande het woord belangrijk gespatieerd.

De op Bali bewaarde traditie verzet zich wèl tegen de voorstelling van een massale uittocht van de Hindu-Javanen naar Bali - trouwens, ook het in hoofdstuk I reeds gereleveerde adaptatievermogen van de Indonesische Islam -, niet tegen die van een vestiging op Bali in de loop der jaren op kleinen schaal. In een verhandeling als deze valt allicht de nadruk wat meer op de inheemse traditie, maar bij aandachtige lezing van de bovengenoemde plaats in Kroms Inleiding - zie ook reeds Veth, Java (2), I, 252 sq. - bemerkt men, dat de kloof, die op het eerste gezicht zo wijd lijkt, wel overbrugbaar is.

2) USANA JAWA

Kunnen we dus de Pamancangah-gegevens voorlopig onder voorbehoud van onvolledigheid aannemen en ons oordeel over de enkele historische data opschorten, tot er wellicht later eens iets meer over deze periode van de geschiedenis van Bali bekend wordt, datgene, wat de Usana Jawa ons over de oudste geschiedenis van Gelgel weet te vertellen, is geheel legendarisch en bezit niet de minste historische waarde. Een groot gedeelte van het tweede stuk van dit geschrift bestaat uit lessen aan de mantri's over de maatschappelijke en religieuze plichten van de verschillende bevolkingsgroepen, en kan hier buiten beschouwing blijven. Het overige moge hier heel in het kort medegedeeld worden.

Na zijn overwinning op Mraja Danawa begaf de koning van Majapahit zich naar Gelgel om daar een kraton te stichten. Weldra was de bouw van het paleis voltooid. Ook de arya's en de andere rijksgroten bouwden zich fraaie huizen in Gelgel. Overal werd de koning geëerbiedigd en gehuldigd; de boosdoeners hielden zich stil. Op de eerste plechtige audiëntie in Gelgel verleende de koning aan arya Damar de naam arya Kenceng en schonk hem Tabanan als apanage, terwijl het aantal van zijn onderhorigen 50.000 (v.l. 40.000) zou bedragen. Verder werd hij de (p.133) voornaamste rijksgrote, wie alle anderen zouden hebben te gehoorzamen!

Mocht arya Kenceng een zoon krijgen, dan zou de koning deze als een eigen kind beschouwen. Een van de eerste zaken, die arya Kenceng moest regelen, was de verdeling van het land onder de rijksgroten; toegewezen werd: Pacung aan arya Sentong, Pinatih aan a. Beleteng, Kapal aan a. Waringin, Kaba-Kaba aan a. Belog, Abyan-Semal aan a. Kapakisan en Tangkas aan a. Binculuk.

De koning had één vrouw, bij wie hij een zoon kreeg. Toen het knaapje een maand en zeven dagen oud was (vgl. hiermee noot 1 op p.129), werd het verslonden door de bhuta Wawangsil tot groot verdriet Van de ouders. Daarna vroeg de koning om de drie schone dochters van de brahmaan van Katepeng Reges; hij kreeg ze, en de drie meisjes kwamen naar Gelgel. De oudste behield de koning voor zich, de middelste kreeg Kenceng en de jongste Sentong. Alle drie werden zwanger en baarden een zoon; die van de koning had een ijzeren usuk (hier?) en werd verzorgd door de bhuta Laweyan, die van Kenceng werd opgepast door de bhuta Kombala en die van Sentong door de bhuta Ijo.

De drie knapen groeiden op en waren goede vrienden. Toen ze op zekeren dag met elkaar wandelden, nam Laweyan de zoon van de koning op de rug, die van Kenceng rechts en die van Sentong links onder de arm en bracht ze zo voor bhattara Brahma. Brahma schonk de prins de titel van Ratu Anom en gelastte Laweyan hem de pingel rupek te geven als jongeren broer van de Zuidervorst (ajeng-ida sang kasuhun kidul?) (n).

Note: Sang kasuhun kidul wordt ook in het laatste gedeelte van de Usana Jawa nog vermeld, in een scheppingsverhaaltje; wie er mee bedoeld kan worden, blijkt niet.

Verder gaf Brahma hem een ajna parama: A, sa, da, ka, ta, pa, wa(?), en zei, dat hij tovermachtig zou zijn in woorden en werken. Daarop bracht Laweyan ze naar hun woningen terug.

Vervolgens wordt verteld, dat de koning en zijn edelen naar de Basukih trokken om daar de offerplechtigheden te vieren; Kenceng ging vooruit om alles klaar te maken, terwijl de anderen intussen in Tusan kampeerden. Toen alles gereed was, trok de koning verder en verrichtte op de Basukih de nglumbung-plechtigheid, waarvan de tekst de bijzonderheden, die hier niet ter zake doen, uitvoerig vermeldt. De offerplechtigheid sloot met een vermaning van de koning aan zijn volgelingen. Een maand en 7 dagen (1) bleven ze op de Basukih in een bale panjang (p.134), die de lieden van arya Kenceng gebouwd hadden, en vervolgens keerden ze weer naar Gelgel terug. Spoedig daarop stierf de koning; hij werd opgevolgd door Ratu Anom.

Na de dood van de oude vorst werd het nglumbung verzuimd, en de kwade gevolgen bleven niet uit. Het vond zijn oorzaak (?) in een minder goede verstandhouding tussen Ratu Anom en zijn patih arya Yasan, Kencengs zoon, wegens het feit, dat Yasan de prins (den zoon van Ratu Anom (?) eens een haar had uitgetrokken, daar hij immers gold als kleinzoon van Kenceng (?); de tekst heeft:

“Pawitane anggempung (vl. anggumpung) rambut ratu duk ing rare, apan kaprenah putu de sang arya Kenceng", en verderop: “Angapa denta ngkene teka anggempung rambut ratu rare?"

Tot straf zond de koning hem uit om een onderzoek te gaan instellen naar de toestand in het gebied van Majapahit; hij moest diezelfde dag nog vertrekken en mocht niet te spoedig terugkeren. Yasan vertrok, maar te voren zorgde hij eerst voor zijn gezin; zijn oudste zoon bracht hij stilletjes in veiligheid in Pacung en de jongsten in Tambangan, terwijl zijn dochter onder de hoede van haar moeder in zijn huis bleef, bewaakt door zijn manschappen. Zijn pusaka, een blaaspijp zonder gat (demon tanpa heleng), vertrouwde hij aan zijn jongsten zoon toe. Na Yasan's vertrek leverde Ratu Anom echter Yasan's schone dochter uit aan ki Asak van Karang-Kamla (n) (Karangasem), met haar moeder en met de troepen, die Yasan tot haar bescherming had achtergelaten.

Note: In plaats van Karang Amla; Sk. amla = Jav. asem. Blijkbaar wordt hier een andere Asak bedoeld dan de vader van Manginte.

Twee maanden na zijn vertrek kwam Yasan in het gebied van Majapahit aan, maar hij vond het land eenzaam en verlaten. Acht jaar lang zwierf hij door het oude rijksgebied en doorzocht het tot in de verste uithoeken, maar hij trof er niemand aan. Toen aanvaardde hij de terugreis naar Gelgel, waar hij een maand en 7 dagen (n) later aankwam.

Note: vgl. hiermee noot 1 op p.129.

Zijn eerste gang was naar zijn oude huis; hij vond het verlaten, en zijn schone dochter was er niet te vinden. Spoedig vernam hij de reden: dochter, vrouw en manschappen waren door Ratu Anom aan Asak van Karang Kamla overgeleverd. Wel diende Yasan zijn beklag in, maar daar noch hij, noch zijn zoons manschappen hadden, vermocht hij niets.

Toen trok hij weg, de wildernis in, en vervloekte de koning en zijn patihs tot in lengte van dagen. Daardoor kwamen er rampen (p.135) over het land Bali; de mensen deden hun plicht niet meer; ieder zorgde slechts voor zichzelf. De pinggel rupek paste niet meer aan de vinger van de koning; overal ontstond er grote verwarring. Ten slotte verscheen de kraai, die de koning voortdurend plaagde door zijn eten te bevuilen. Wat de koning en de arya's ook probeerden, het gelukte niet de kraai te vangen of te doden.

Toen dat een maand lang zo geduurd had, deelde arya Putu, de kleinzoon van Sentong, de koning mede, dat hij bij geruchte vernomen had, dat er in Tambangan een kleinzoon van Kenceng woonde, arya Bagus Alit, die een wonderbare vaardigheid had in het hanteren van het blaasroer. Dadelijk stuurde de koning zijn dienaar Pragata naar Tambangan om Bagus Alit te ontbieden. Nu was het leed spoedig geleden; Bagus Alit kwam en doodde de vogel, die daarop door de arya's in stukken gescheurd en in zee geworpen werd. Dankbaar voor Bagus Alits hulp, gaf nu de koning bevel ook zijn vader Yasan op te zoeken. Na lang zoeken vonden 's konings dienaren hem, en ofschoon hij eerst niet wilde, gelukte het ten slotte hem te bewegen naar Gelgel terug te keren, waar de koning zich met hem verzoende en hem in zijn waardigheid herstelde.

Het laatste gedeelte van de Usana Jawa handelt over de verdeling en het ontstaan der verschillende groepen in de Balineesche maatschappij. Hoe weinig samenhang er tussen dit gedeelte en het meer historische stuk bestaat, blijkt o.a. uit de mededeling omtrent het ontstaan der sangguhu's: ze zouden van oorsprong volwaardige brahmanen zijn, maar gedegradeerd, omdat zij een sembah hadden gemaakt voor de dalem van Samplangan, wiens bestaan in de gehele Usana Jawa niet ter sprake gekomen is! De Usana Jawa sluit met de mededeling, dat er van de destijds uit Majapahit vertrokken troepen 15.600 man in leven gebleven waren en zich op Bali gevestigd hadden, zich vermengend met de Balinezen, nl. 5.000 man van arya Damars leger en 10.600 van dat van Gajah Mada.

Opmerkingen behoeven er over dit gedeelte van de Usana Jawa niet gemaakt te worden. De enige parallel met de Pamancangah is de opgave van de apanages der arya's, maar het verschil der beide lezingen is zo groot, dat van vergelijking geen sprake kan zijn (n).

Note: slechts aangaande arya Kenceng, heer van Tabanan, en arya Bëlog, heer van Kaba-Kaba, zijn Usana Jawa en Pamancangah met elkaar in overeenstemming, behalve dan, dat Kenceng in de Pamancangah niet dezelfde persoon is als Damar.

Verschillende verhaalmotieven uit het hierboven (p.136) gerefereerde gedeelte zijn ook van elders bekend; zo vindt men het verhaal van de pinggel rupek (n1) en ook dat van de kraai, die 's konings eten bederft (n2), ook in ander verband.

Note 1: Als speciaal sieraad van de vorst van Gelgel ook vermeld in P.K., I,50, met toespeling op deze legende; vgl. KBW., I, 762a.
Note 2: Een soortgelijk verhaal vindt men in Abdullah's geschiedenis van Bali (T.N.I., 1845, Jrg. 7, deel II, p.167) en in de Pamancangah Badung.

3) TATTWA SUNDA supplement

Het derde verhaal, dat in deze paragraaf besproken moet worden, schijnt als een supplement op de Tattwa Sunda bedoeld te zijn, waaraan het b.v. door de aanduiding van Hayam Wuruk met cri aji taruna, Z. M. de ongetrouwde vorst, doet denken; de colofon van het Tattwa-Sunda-handschrift komt ook pas aan het einde van dit verhaal. Zowel aan de taal van het stuk als aan de inhoud kunnen we echter zien, dat het supplement veel jonger is dan de Tattwa Sunda zelf. Het luidt als volgt:

Na het verdwijnen van Gajah Mada en de dood van Ni Pinatih (zie hierboven in hoofdstuk III, §4) bleef de vorst van Koripan in Majapahit regeren, gediend door zijn ambtenaren van hoog tot laag. Maar door het boze opzet van Hari (Wisnu) bleef de algemene toestand minder gunstig.

Daarom werd er een ari ning agama (gedenkdag, gedenkfeest?) ingesteld om de onderdanen steeds de instellingen van de periode van Hayam Wuruk voor ogen te houden.

De vorst van Koripan had drie zoons en een dochter. De oudste zoon werd belast met het bestuur van Madura, waarheen hij vertrok met meenemen van de kris Lumpung Sajurang. De tweede zoon bleef op Java en volgde later zijn vader op in de regering van Majapahit (Macar Petak in de v.l.!). De jongste werd aangesteld tot stadhouder van Bali en hem werden de punggawa's en kostbare rijkssieraden meegegeven. De dochter ten slotte werd uitgehuwelijkt naar Sumbawa en werd eigenaresse van de ivoren halsketting en van de schede van de beroemde kris Bangawan Canggu. Na verloop van tijd stierf de oude vorst van Koripan en Majapahit verviel.

Bali kwam onder het bestuur van de jongsten zoon, die zijn kraton had in Gelgel, tot grote bloei; behalve Bali bracht hij ook Lombok en Blambangan onder zijn macht. In alles volgde hij de instellingen van Majapahit na. Maar ook voor Gelgel kwam er een Kali-tijd. Zoals het verlies van de heilige krissen Majapahit's ondergang bewerkt had, zo bracht het verlies van de kris Jangkung Angilo (Jangkung Angilwa) en van de lans Olang Guguh Gelgel op de rand van de ondergang.

Hevige (p.137) twisten om de heerschappij braken uit. De op goud gegrifte rijksoorkonden werden in zee geworpen, waardoor het een maand lang stormde, zodat de vissen dood op het water kwamen te drijven; de mensen konden hun werk niet doen, er ontstond een hongersnood en de onderdanen verlieten Gelgel om in de dorpen hun heil te zoeken.

Maar ten slotte kwam Gelgel deze crisis toch weer te boven; de oude instellingen werden weer in ere hersteld: mantri's, ksatriya's, brahmanen, bhujangga's, boddha's en tapa's werden zich weer van hun verplichtingen bewust, evenals de troepen. De wetten werden weer geëerbiedigd, de vorst verkreeg de bhiseka en werd van ratu tot prabhu. Met een lofrede op de goeden, machtigen vorst sluit dit stuk.

Waarde heeft deze traditie niet, vooral omdat er geen enkele persoonsnaam in voorkomt; reminiscenties aan andere historische data zijn echter wel aan te wijzen. De vorst van Koripan met zijn 4 kinderen, die naar verschillende delen van het rijk gaan, heeft hier de plaats ingenomen van Mpu Kapakisan en zijn 4 kleinkinderen, waarvan eveneens de jongste kleinzoon naar Bali en het meisje naar Sumbawa (Sambawa) ging. Van de kraton van Samprangan weet de schrijver van dit stukje niets af.

In de Kali-tijd van Gelgel mogen we misschien een vage herinnering zien aan de opstand van Pande Bhasa, die in §5 nog ter sprake zal komen, en waarop de bloeiperiode van Seganing en Di Made gevolgd is. De Pamancangah (IV, 285; fol. 44b) beschrijft deze opstand als rampzalig door de grote verliezen, die zowel de opstandelingen als de anderen leden.

De heilige wapenen, die hier genoemd worden, zijn niet uit de Pamancangah bekend, ook niet uit het lijstje, dat van Eck geeft in zijn Schetsen (T.N.I., Nieuwe Serie, Jrg. 9, deel I, p.200-201); Jangkung Angilo is een van de mantri's van Jaya-Katwang (Rangga Lawe, II, 24, 31, VII, 86, 88, 108).

Waarop het verhaal van het in zee werpen van de gouden oorkonde(n) kan slaan, weet ik niet; volgens de Pamancangah (V, 74; fol. 56a) heeft Di Made er een uitgevaardigd.

Met de geschiedenis van Baturenggong in de volgende paragraaf komen we weer op wat vastere bodem. Tot slot van §3 moge nog even de aandacht gevestigd worden op twee geschriften, die afwijkende verhalen bevatten. Het eerste is het artikel “Eenige mededeelingen omtrent het eiland Bali van Abdullah bin Mohamad el Mazrie: met een Nederduitsche vertaling en aanteekeningen" van Dr. W.R. van Hoëvell in T. N. I., 1845, Jrg. 7, deel II, p.139-201. Het andere is de Babad I Gusti Ngurah Pandji Sakti ring Buleleng, waaruit P.de Kat Angelino mededelingen gedaan heeft in zijn artikel „Goesti Pandji Sakti" in Djawa, Jrg. 5, N°. 6, November 1925, p.326-341.

Voor uitvoeriger bijzonderheden zij men naar de beide tijdschriftartikelen verwezen; in beide stukken vinden we Bulelengs gekleurde tradities (vgl. nog voor het laatste: „Oorsprong van het Boelelengse vorstenhuis", uit aantekeningen van P.L. van Bloemen Waanders, in T.N.L, 1868, Serie 3, Jrg- 2, deel II, p.408-410). Of de originelen tot de Middeljavaanse groep behoren, kan ik niet beoordelen, daar ze niet in de Leidsche handschriftencollectie voorkomen.

Hetzelfde kan gezegd worden van de Nota van Overgave de Haan (2 Juli 1911), die de heer Lekkerkerker mij ter inzage gaf, en van het geschrift, dat J. C. Jasper gebruikt heeft voor zijn artikel „Het eiland Bali en zijn bewoners" in Tijdschr. Binnenlands Bestuur, 1913, deel 45 (inhoudsopgave Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.187-188). Nog in verschillende andere artikelen over Bali van de hand van belangstellende bestuursambtenaren enz. vindt men, dikwijls aardig, materiaal, dat ter aanvulling van het in deze paragraaf medegedeelde zou kunnen dienen. De belangrijkste bijzonderheden daaruit heb ik hier en daar in noten aangestipt; zij geven in het algemeen moderne verklaringen of omwerkingen van oudere traditie weer en met verkeerd verstaan van oudere bronnen moet dan wel rekening gehouden worden. Er dieper op in te gaan valt buiten het bestek van deze verhandeling.

§4 De regering van Baturenggong

Note: Naast Renggong komt ook Enggong voor; vermoedelijk is de laatste vorm de echte, en is de voorgeplaatste ‘r’ hypercorrect. Volgens Friederich, De Oesana Bali, p.34a, werd batu enggong in zijn tijd opgevat als de naam van de steen, waaruit dang hyang Kapakisan zijn nageslacht verwekte; naar de heer Lekkerkerker mij mededeelde, wordt zulk een steen nog altijd door de bevolking aangewezen. Dit Is echter latere interpretatie; Baturenggong is een apanage-naam, die wel meer voorkomt. Zo heette ook de Dewa Agung van Klungkung in van Ecks dagen behalve Angkat ook Batu-(R)enggong (T.N.L, 1880, N.S., Jrg. 9, deel I, p.121); de verklaring, die Van Eck daar geeft, is niet aannemelijk, maar interessant is de daar medegedeelde verbodsbepaling, dat nl. om de geschiedenis, die aan de steen van Kapakisan verbonden is, de Dewa Agung van Klungkung nooit op een steen mag zitten.

Hoewel we uitsluitend de Pamancangah hebben als bron van inlichtingen omtrent de persoon van deze vorst, worden we (p.139) toch omtrent hem en omtrent zijn politiek jegens binnen- en buitenland vrij wat uitvoeriger ingelicht, dan het geval was met zijn voorgangers, voor wier aantal we zelfs, zoals we hierboven zagen, geen betrouwbare gegevens hebben. Behalve over Bali regeerde hij over Sasak en Sambawa en over Blambangan tot aan Puger, terwijl bij van de vorsten van Pasuruhan en van Mataram een geducht vijand was.

De binnenlandse rust werd onder zijn regering niet verstoord, zodat hij met krachtige hand de welvaart kon bevorderen. Voor het latere geslacht was hij dan ook de incarnatie van Wisnu: zijn kris Titinggi was Wisnu's knots, Lobar was Wisnu's werpschijf, Bangawan Canggu de kinkhoorn Pancajanya en Tanda Langlang het Wisnu-wapen Nandaka, Krsna’s zwaard (n).

Note: Over de heilige krissen zie van Eck in hetzelfde deel van het T.N I., p.200-201; over de kris i Langlang Tanda (sic) een verhaal op 120-121 aldaar, en over „Gajah Mada's kris i Gaja Dungkul" aldaar p.196. Ook in de Pamancangah komen verhalen over de krissen van Gelgel voor (V, 75-79; fol. 566-57»). De kris Tanda Langlang werd zo genoemd, omdat ze bij rondzwervend gespuis (langlangan) de voeten afsneed, zodat het omkwam. De kris Titinggi, die later een verschijningsvorm van Siwa's wapen Kaladamstra (vgl. B.K.L, deel 82, p.262) genoemd wordt, was bijzonder panas. Toen dit wapen in een bos bij Majapahit gesmeed werd, verbrandde het gehele bos tot vlak bij de kraton en de zware rook daarvan hing over de gehele stad. Toen de kris geslepen werd, stierf de smid, die dit werk verrichtte, terwijl zijn ogen uit de kassen puilden en wegspatten. Later kwam dit wapen op een of andere wijze op Bali en voor het eerst werd de aanwezigheid er van merkbaar, toen de bandesa van Nongan er mee gedood werd, met een prik „als van een wandluis (kadi titinggi)". Van de kris Lobar, terecht genoemd naar de Dahase ksatriya van die naam, wordt verteld, dat Gajah Mada, die eens op jacht plotseling tegenover een tijger kwam te staan, haar zich in het hart van die tijger zag boren; „ih, lobar (? of lo bar?)", had Gajah Mada gezegd, en de kris kreeg naar die woorden haar naam. Over de naam Bangawan Canggu zie boven, §3. De naam Ganja Dungkul (= met kromme pareerstang) wordt verklaard als „waarvoor alle vijanden zich krommen (dungkul)"; Naga Basukih was een slangenwapen en gold als verschijningsvorm, niet van Wasuki, maar van Taksaka. De beide laatste krissen worden hier nog niet genoemd, maar worden wel onder de pusaka-wapens van Baturenggongs kleinzoon Di Made vermeld.

De drie voornaamste rijksgroten (n1) behoorden nog tot dezelfde geslachten als vroeger: Batan Jeruk (n2), de zoon van Patandakan, was patih, Pinatih demung en Kubon Kelapa tumenggung. Zijn lijfwacht bestond uit een corps van 1600 man Dulang Mangap (n3) onder commando van Ularan, die ook Lampor genoemd wordt.

Note 1: De patih, de demung en de tumenggung heten manca of manca agung, ook wel bahudanda (zie Ju., Wrdl., en K.B.W.).
Note 2: We vinden hem terug in het verhaal van Abdullah (p.166: Aria Bathin Djeroek) als zoon van de Dewa Agung van Gelgel en een Hindu-vrouw, wier man krissen schoonmaakte met citroensap (Jeruk = citroen).
Note 3: Zij komen ook in de Malat voor (K.B.W., II, 495). Vgl. ook voor de naam en de verklaring er van Damar Woelan, 2de ed., Verh. B. G., 1922, deel 64, p.45, r. 7.

De verovering van Blambangan was aldus in haar werk gegaan. (p.140) Baturenggong had bij de juru, zoals de vorst van dit land hier steeds genoemd wordt, aanzoek gedaan om de hand van zijn dochter. De juru had echter dit aanzoek op uitdrukkelijk verzoek van zijn dochter afgewezen, zonder dat hij eigenlijk van de reden van haar weigering op de hoogte was. De antipathie van de prinses van Blambangan, Ni Bas geheten (P.K., III, 40; Pam., fol. 24a), was daardoor ontstaan, dat een schilderes of tekenares, die zij naar Bali gestuurd had om Baturenggongs portret te maken, haar een stuitend lelijke afbeelding van hem gebracht had, op het zien waarvan Ni Bas verklaard had liever te zullen sterven dan met zo iemand te trouwen.

Hevig beledigd over de afwijzing, stuurde Baturenggong de Dulang Mangap onder Ularan met een vloot van 25 schepen naar Blambangan. De Balinezen troffen het, want de juru maakte met zijn gevolg juist een wandeling op het strand, toen de Balinezen landden. Hoewel de Blambanganners niet zwaar bewapend waren, verdedigden zij zich toch tot het uiterste en brachten de Balinezen nog ernstige verliezen toe. Toorn hierover bracht Ularan er toe na het sneuvelen van de juru een uitdrukkelijk verbod van Baturenggong te overtreden. Deze had nl. van te voren al bepaald, dat, indien de juru sneuvelen mocht, het Ularan niet geoorloofd zou zijn hem het hoofd af te slaan, omdat zij - beiden afstammelingen van Kapakisan - bloedverwanten waren. Ularan deed het nu toch en nam het afgeslagen hoofd als trofee mee naar Bali terug.

Tot de verdere buit behoorden o.a. de kostbare oorsieraden van de juru, die sindsdien tot de statiekleding van de vorst van Gelgel behoorden. Het verminkte lijk van de juru bleef onverzorgd op het strand liggen, want de ksatriya's waren gesneuveld en de vrouwen waren naar alle kanten gevlucht. Ni Bas werd echter, voordat de Balinezen het verhinderen konden, in veiligheid gebracht naar Pasuruhan, en wel door haar halfbroer Bhima Cili, wiens moeder, een tember, van lagere afkomst was dan de kaniten, waaruit Ni Bas geboren was. Door deze expeditie, welker succes de Balinezen voornamelijk als resultaat van Nirartha's priestervloek (bajrawisa) tegen de juru beschouwden - de vloek, die hij opgelopen had door zijn gedrag jegens de heilige, toen deze nog in Blambangan verbleef -, kwam Blambangan tot aan Puger onder de heerschappij van Baturenggong. Voor Ularan waren de gevolgen van zijn overtreding niet prettig; wel kreeg hij als beloning voor zijn (p.141) overwinning een apanage, maar tot straf voor het onthoofden van de juru werd hij verbannen naar benoorden de bergen (Buleleng) (P.K., III, 40-41, IV, 54-92; Pam., fol. 24a, 29a-30a; volgens Pam., fol. 29b, werd dit wapenfeit in de dagen van de schrijver voorgesteld in een maskerspel (iku kang winarna ring tapel ika).

Geheel terloops wordt een vijandelijke aanval van de nusantara op Kelahan vermeld (P.K., IV, 117-120; Pam., fol. 32); Baturenggong verjoeg de vijand door met zijn wagen over de zee rijdend op hen af te komen. Zijn rijksgroten en vooral de Dulang Mangap wilden hem daarbij volgen, maar daar zij de panjalantara (zie hierboven p.32) niet bezaten, verdronken velen van hen bij die poging.

Hoe Sasak en Sambawa onder de macht van Baturenggong gekomen waren, wordt niet vermeld. Wel vertelt de tekst nog, dat Baturenggong met de vorsten van Mataram en van Pasuruhan in vijandschap leefde (“Nog niet onderworpen", zegt Pam., fol. 33a, van deze gebieden).

Eens had hij van hen of van één van hen een spotdicht ontvangen (Pam., fol. 33a: Ameng-amengane jangkrik sun pijete den gawe papanas ati, pepetetane rajasa sun turuhi bañu/banyu wedang didine enggala mati; P.K., IV, 127-128 ongeveer gelijkluidend; vermoedelijk is Baturenggong die geknepen, opgehitste en met kokend water overgoten speelkrekel), waarover hij heel boos geworden was. Eén van de ksatriya's, de geleerden Den Takmung, droeg hij toen op er een antwoord-lied op te dichten, dat precies bij de inhoud van het vijandelijke stuk aansloot. In dit antwoord herinnerde Den Takmung de vijand er aan, dat Baturenggong eens in zijn jonge jaren een gezant uit Mekka had ontvangen, die hem een schaar en scheergerei had aangeboden en hem tot de Islam had willen bekeren, maar dat de vorst toen die geschenken dadelijk vernield en de gezant een ongenadige afstraffing gegeven had.

Voor de binnenlandse toestand was de belangrijkste gebeurtenis van Baturenggongs regering de vestiging van Nirartha op Bali. Zoals in hoofdstuk I reeds is opgemerkt, wilde de vorst niet dadelijk de wijding aannemen. Zelfs gaf hij er later, toen hij er toe besloten had, de voorkeur aan de ouderen broeder van Nirartha, de eerwaarden Asoka (Angsoka), door Nirartha's bemiddeling naar Bali te ontbieden om hem tot guru te nemen. Asoka weigerde echter, omdat hij het voldoende (p.142) achtte, dat Nirartha, die hij bovendien als zijn meerdere in kennis beschouwde, op Bali was, en meende, dat Nirartha de aangewezen persoon was om tot guru te nemen. Baturenggong nam toen de wijding aan van Nirartha, die hem de hoogste waarheden leerde, de wezenseenheid van guru en leerling, en vervolgens het niet-zijn daarvan.

Ten gevolge van Baturenggongs wijding kwam het rijk tot grote voorspoed; aan dieven en aan armen werden levensmiddelen verschaft en zelfs strafte de vorst zijn ambtenaren, wanneer hij nog zulke mensen in zijn gebied aantrof. Hij beschermde de kunst en bevorderde godsdienstzin; hij hield van poëzie en schreef zelf ook gedichten. Hij bevorderde de deugdzaamheid der vrouwen, en liet zijn eigen 200 gemalinnen allen de wijding aannemen; wanneer hij een uitstapje ging maken, liet hij in de plaatsen, waar hij doorheen zou komen, per edict bekend maken, dat schone vrouwen en meisjes binnenshuis gehouden moesten worden om prikkeling van 's konings zinnen te vermijden. Van Nirartha leerde hij de magische vermogens, waardoor deze heilige en later ook Manuhaba zich onderscheidden (zie hierboven p.32).

In die tijd kwam ook de padanda Buddha op Bali en zocht de padanda Siwa op. Samen brachten ze een vuuroffer, waardoor mede de welvaart en vruchtbaarheid van het land toenam; de padanda Siwa (Nirartha?) bedwelmde zich daarbij boven de vuurtest en werd gehuld in de hoog-oplaaiende vlammen, die hem echter niet deerden, terwijl de padanda Buddha buiten onder de reuzen-asoka offerde.

Zo was zijn regering, volgens de Pamancangah, voor binnen- en buitenland, uit materieel en godsdienstig oogpunt beschouwd, een glorietijdvak.

De mededelingen van de Pamancangah zijn voor deze periode nog slechts voor een zeer klein gedeelte in verband te brengen met Europese berichten. Blambangan, waar Gajah Mada volgens de Pamancangah een kleinzoon van Mpu Kapakisan tot gouverneur benoemd had, behoorde nog tijdens het bewind van Hayam Wuruk tot het zo goed als onafhankelijke rijk van Wirabhumi (vgl. Krom, Gesch., p.421-429), dat echter in 1406 weer met het Majapahitsche rijk verenigd werd. Niettemin zal zich Blambangan wel door de toenemende verzwakking van het centrale gezag vrijwel ongestoord hebben kunnen ontwikkelen gedurende de 15de en het eerste gedeelte van de 16de eeuw. Voor de culturele ontwikkeling zal wel hetzelfde gelden (p.143) als voor Bali hierboven gezegd is, dat het nl. waarschijnlijker is, dat er reeds in de Majapahitse bloeitijd een eigen Javaanse beschaving ontstond, dan dat ze pas na de Islamisering van het Majapahitse gebied er door vluchtelingen gebracht zou zijn, al zal die latere influx voor groter bloei stellig bevorderlijk geweest zijn.

Er zijn echter omtrent het culturele leven van de uitersten Oosthoek weinig bijzonderheden bekend door de ondergang van het land in de strijd met Mataram (vgl. Krom, Inleiding, II, 406 sqq.); van het bestaan van een letterkundig leven aldaar getuigt de Banyuwangise invloed, die in een aantal op Bali gespaard gebleven geschriften op te merken valt (zie ook KBW., s.v. Blambangan).

In 1575 regeerde in Blambangan een vorst Santa Guna (Veth, Java, I, 305; Encycl. N.-I., Aanvull., p.221a), die in dat jaar Panarukan op de Moslims heroverde; deze Santa Guna legde ± 1590 als stokoude man de regering neer. Het is niet onmogelijk, dat Baturenggong Blambangan een tijd lang beheerst heeft, en dat het onder Bekung, zijn opvolger, weer zelfstandig geworden is, zodat het in 1575 zelf weer veroveringen kon maken.

Trouwens, meer dan nominaal zal Baturenggongs overheersing ook wel niet geweest zijn, wanneer zijn macht nog niet eens groot genoeg was om aanvallen op Bali te verhinderen. Dat de juru van Blambangan (n) via Kapakisan familie was van de vorsten van Gelgel, zal wel fictie zijn.

Note: de naam Kaniten, waarmee de leden van de vorstelijke familie van Blambangan aangeduid worden, vinden we ook bij de Adipati Kaniten, die als veldheer van de vorst van Pasuruhan Senapati bestreed, die Pasuruhan aanviel; na een nederlaag doodde zijn heer hem en zond zijn afgehouwen hoofd aan Senapati als teken van onderwerping (Veth, Java, I, 311; Babad Tanah Djawi, ed. Meinsma, 1903, p.196 sqq.).

De regering van een Kapakisanner in Blambangan sinds Hayam Wuruk is moeilijk te rijmen met wat we weten van het rijk van Wirabhumi, waaromtrent de berichten heel wat stelliger zijn. De vijandschap tussen de vorst van Gelgel en die van Mataram en van Pasuruhan is ons ook van elders bekend. Van Eck deelt in zijn Schetsen (T.N.I., Nieuwe Serie, Jrg. 7, deel II, p.330) mede, dat wij Bali o.a. in 1569 en 1587 vermeld vinden onder degenen, die de Susuhunan van Mataram op diens eigen gebied kwamen bestrijden.

Nu zou 1569 nog wel kunnen vallen binnen de regering van Baturenggong, maar het is de vraag, of het al binnen de Mataramse periode valt, of liever gezegd: binnen de periode van de Mataramse oorlogen. Senapati van Mataram volgde in 1575 (Veth, Java, I, 307) zijn vader, de stichter (p.144) van het Mataramse rijk, van wie echter geen krijgstochten bekend zijn, op en pas in 1587 veroverde hij Pasuruhan.

In 1596 valt pas de aanval van de Mataramse gouverneur van Pasuruhan op Blambangan, waarbij Bali het laatstgenoemde rijk steunde en dus als vijand van Mataram en Pasuruhan optrad.

De Islam-propaganda, die de Pamancangah voor Baturenggongs jonge jaren vermeldt, kan daarentegen wel degelijk plaats gevonden hebben, zij het dan niet vanuit Mekka, dan toch vanuit het Islamitische Demak, welks grote activiteit ter uitbreiding van het geloof met het zwaard, vooral in de laatste jaren vóór 1550, genoegzaam bekend is.

Omtrent Baturenggongs binnenlandse politiek valt niet veel op te merken. Blijkbaar heeft zijn bestuur onder het nageslacht een goeden naam behouden. Wat men denken moet van het verhaal van de padanda Siwa en van de padanda Buddha, weet ik niet, omdat de tekst er van (P.K., IV, 111-116; Pam., fol. 31b-32a) zeer vaag is. Ook verderop wordt het houden van een vuuroffer als een verdienste van Baturenggongs en Nirartha's tijd vermeld, waaraan de bloei en de welvaart van het land te danken waren.

Iets positiefs kunnen we dus aan de berichten omtrent deze periode nog niet ontlenen; van de anderen kant is er echter geen reden om de mededelingen van de Pamancangah omtrent Baturenggongs macht in binnen- en buitenland in haar algemeenheid te wantrouwen.

§5. De regering van Bekung

Op de periode van Baturenggong volgde een tijd van grote binnenlandse moeilijkheden. Gelgels macht buiten Bali ging teniet en Tuban had een aanval van overzee te verduren. Twee grote opstanden tegen de vorst hadden plaats, en deze maakte zich ten slotte zo impopulair, dat hij zich buiten Gelgel vestigde.

Bijzonderheden hierover verstrekt bijna uitsluitend de Pamancangah. In de koningslijst van de Usana Bali (Friederich, p.283 sqq.) komt hij niet voor, in tegenstelling met zijn voorganger, die daar Batu-Enggong heet, en met zijn opvolger Seganing.

Toen Baturenggong stierf, had hij twee onvolwassen zoons, waarvan de oudste (raden Pangharsa, Pambayun) later de naam Bekung of Bengkung kreeg, omdat zijn huwelijk kinderloos (p.145) gebleven was, en de jongste raden Seganing heette.

De oudste zoon volgde zijn vader op, maar, nog te jong om zelf de regering te aanvaarden, kwam hij onder de voogdij van de 5 jongere broers van zijn vader, Gedong Artha, Nusa, Pagedangan, Anggungan en Bangli. Anggungan ambieerde het koningschap en verstond zich daarover met de patih, Batan Jeruk, die ondanks de waarschuwingen van de guru buddha, wiens leerling hij was, er eveneens naar streefde om zich van de macht meester te maken, maar zich bereid verklaarde Anggungan te erkennen.

Hoe omvangrijk deze samenzwering tegen de kroonprins was, blijkt uit de tekst niet; behalve de hierboven genoemden was ook Pande Bhasa, die reeds tijdens Baturenggong hoofd van het geslacht Dawuh geworden was, doordat zijn vader bhagawan geworden was, er bij betrokken, terwijl terloops vermeld wordt, dat ook Toh Jiwa tot de partij der opstandelingen behoorde.

Volgens Pam. 34b was de toenmalige heer van Jelantik, Pasi(m)pangans zoon, uit het geslacht Pangalasan, de aanstoker van het conflict;

Matang kunang mangkana, de rakryan Jarantik, angadoni kawiryan. Ujare rurah Jalantik: „Gen warang punapi jwa macane ubuhin?" Pinituhu denira rurah Batan Jeruk; nahan tang carita."

Dat kwam door toedoen van heer Jarantik, die zijn strijdlust opwekte. Heer Jarantik zei: „Wat heeft het voor nut, bésan, wanneer een tijger slechts als huisdier gehouden wordt?" Heer Batan Jeruk handelde naar die woorden; zo luidt het verhaal.

Batan Jeruk begon met zich meester te maken van de beide prinsen. Zijn actie werd echter door de meeste rijksgroten niet goedgekeurd. Onder leiding van Kubon Kelapa deden zij, door een gat, dat ze in de kratonmuur gebroken hadden ten Westen van de pasar, op het kratonterrein gekomen en vervolgens door het huis van de Panulisan getrokken zijnde, een aanval op de pura, waar Batan Jeruk toen verblijf hield. In deze strijd, waarin Batan Jeruk een jongere zuster der beide prinsen neerstak (volgens de prozatekst; volgens de kidung (IV, 137) geschiedde deze moord al eerder.), behaalden de loyale rijksgroten de overwinning.

De beide prinsen werden bevrijd en Batan Jeruk vluchtte. Hij begaf zich op weg naar Bungaya (Bungahya), maar onderweg werd hij door zijn achtervolgers ingehaald en zijn metgezellen werden verslagen; hijzelf stierf door allen verlaten in een jungutan (badplaatsje, prieel?). Deze opstand had volgens Pam., fol. 34b, plaats in het Saka-jaar “brahmana ñaritawang kawahan wani “(n).

Note: Het is mij niet geheel duidelijk, hoe deze sengkala gelezen moet worden; bij de hier voorgestelde lezing is wani = 1, kawahan = 4, wegens wah, ñaritawang (Jav. nyaritakake) = 1 (zoals wasitan in Rangga Lawe, I, 2) en brahmana (= bhujangga = naga, of = Buddha) = 8, dus 1418. Ik kwam tot dit vermoeden op grond van de Pangrincik ing babad, die o.a. geeft: babad kawon Bunga(h)ya: naga buntut an(j)ala ulan, 1418; met “ondergang van Bunga(h)ya" zal wel Batan Jeruks val bedoeld zijn, daar Bungaya zijn apanage schijnt te zijn. De betekenis van de sengkala-zin in de tekst is: een brahmaan spreekt van een stortvloed van dapperheid. Er zijn nog andere mogelijkheden tot oplossing, die echter niet geheel bevredigend zijn en daarom liever niet vermeld worden.

Van de anderen sneuvelde slechts Toh Jiwa (of: werd zwaar gewond?), getroffen door de pusaka-lans Baru Gudug. Anggungan onderwierp zich, maar hij werd door zijn vier broers uitgestoten en uit zijn ksatriya-schap ontzet. De broers van Batan Jeruk, Abyan Nangka, Tusan en Bebengan, vluchtten eveneens uit Gelgel naar Watu Aya (Batu Ahya) in Karangasem (vermoedelijk hetzelfde plaatsje als het hierboven reeds vermelde Bunga(h)ya). Op hun vlucht ontsnapten ze slechts ternauwernood aan de dood; ze hadden zich nl. verborgen op een gierstveld, en hun vervolgers vermoedden niet hen daar te kunnen vinden, omdat een vlucht tortelduiven, vlak voor hun komst neergestreken, er lustig aan het kirren was. Sindsdien waren gierst en tortelduiven taboe voor het gehele geslacht van Batan Jeruk. De leden van dit geslacht verspreidden zich en vestigden zich later, volgens P.K., V, 43-45. Pam., fol. 506, allen in behoeftige omstandigheden, behalve in Batu Aya ook in Parasi, Subagan, Tamega, Nis of Ngis, Pladung, Padang-Krta, Tonjaha, (W)ungkulan, Paket(an) en Sanggahit.

Welke rol Jelantik in dit conflict gespeeld heeft, is niet duidelijk. De prozaredactie vermeldt alleen, dat hij het was, die Batan Jeruk opstookte, maar waarom hij dat deed, en of hij ook deelnam aan de opstand en, zo ja, hoe dan de zaak voor hem afliep, van dat alles vernemen we hier niets. Maar wel lezen we verderop, nu ook in de kidung (IV, 293; fol. 456), dat zijn zoon, de Jelantik, die we hierbeneden nog zullen ontmoeten, er verdriet van had, dat zijn vader gestorven was “ala gurutalpaka, dadi lintah ring aweci, duk patinira, sira alabeh apuy" (als een snoodaard, in opstand tegen zijn heer, na zijn dood in het hellevuur gevallen en een bloedzuiger geworden in de hel awici), en daar de jonge Jelantik zichzelf later als zoenoffer aan de koning aanbood, ligt het vermoeden voor de hand, dat Bekung met heer bedoeld wordt, een opvatting, waartegen (p.147) zich het in het Middeljavaans eigenaardig gebruikte gurutalpaka geenszins verzet (n).

Note: Het is verbasterd uit Sk. gurutalpaga = in het bed van de guru komend, d.w.z. overspel plegend met de vrouw van zijn guru, één der zwaarst mogelijke zonden volgens Hindu-opvatting. Dat men in K.B.W, II, 71ob, analpaka guru verklaard vindt met langgana ring i bapa = ongehoorzaam jegens zijn vader, vindt zijn oorzaak 1) in het met meer begrijpen van talpaga, talpaka; 2) in het Balineesche gebruik van guru in de zin van ‘vader’. Deze laatste betekenis heeft Sk. guru ook reeds; ik heb, ook op grond van de Sk. betekenis, het nog wat ruimer opgevat, nl. als vorst.

Zoals hierboven reeds gezegd is, had ook Pande Bhasa zich bij Batan Jeruk aangesloten. Deze had hem opdracht gegeven, bij het begin van de opstand, om mededeling daarvan te gaan doen aan Manginte en te trachten hem te bewegen zich in de gewijzigde staat van zaken te schikken. Manginte was daar echter niet voor te vinden geweest, en had integendeel Pande er toe gebracht zijn betrekkingen met Batan Jeruk te verbreken. Daarom kon Pande later door bemiddeling van Manginte gratie verkrijgen. Tot straf werd hij echter op expeditie gestuurd; daarbij behaalde hij schitterende overwinningen, o.a. één op Sambawa. Nadat hij zich eens bijzonder had onderscheiden bij een vijandelijke aanval op Tuban (Bali), kreeg hij, wederom op voorspraak van Manginte, een apanage ten Oosten van de Unda, waar hij zich vervolgens vestigde.

Dit laatste geschiedde onder de regering van Bekung zelf, die intussen de voogdij van zijn ooms, vier na de afval van Anggungan, ontgroeid was. Bekungs patih was de zo-even reeds genoemde Manginte (Nginte, Panginte), die van Asak afstamde en dus ook tot het geslacht Kapakisan behoorde (n).

Note: Ik weet niet zeker, of Manginte enz. als apanage-naam is op te vatten, of dat het met „voogd", „hoeder" weer te geven is.

Hij was vroeger in dienst geweest als edelknaap (prakawan) bij de heer van Kapal, toen zijn vader zich na veel rondgezworven te hebben - hij had Gelgel verlaten wegens een twist met zijn ouderen broer - in het dorp Kapal gevestigd had. Reeds deze eerste meester van Manginte had opgemerkt, dat er grote gaven in hem scholen; daarop wezen trouwens reeds de feiten, dat er uit zijn schedeldak (Siwadwara, fontanel) vuur straalde en dat zijn handlijnen in de vorm van een rad liepen (n).

Note: Ook ken Angrok had in de rechterhand het radteken (Parar., p.56); ook het afgeven van een vuurgloed wordt in de Pararaton herhaaldelijk vermeld (p.47, 5o, 58).

Deze goede hoedanigheden hadden echter ten gevolge, dat Bekung de regeringszaken te gemakkelijk aan zijn patih overliet en zelf er zich niets van aantrok.

De Pamancangah duidt het op de (p.148) gewone wijze aan: de kaliyuga brak aan, de zeden vervielen, de tucht onder de mantri's verslapte, omdat de koning niet in staat was zijn plicht te doen. De voornaamste rijksgroten, Kubon Kelapa, Pinatih, de Manguri en anderen dachten er al over om aan Seganing in plaats van aan Bekung hun opwachting te gaan maken.

Toen kwam de noodlottige opstand, waartoe Pande tegen zijn wil gedwongen werd door de onbetrouwbaarheid van de vorst. Deze opstand wordt in de Pamancangah als buitengewoon ernstig voorgesteld en er wordt een zeer uitvoerig verhaal van gedaan (P.K., IV, 175-285; Pam., fol. 3S&-44&), romantisch uitgesponnen en opgesmukt, maar interessant genoeg om hier weer te geven, vooral omdat er iets van verteld schijnt te zijn aan de Hollanders, die slechts luttele jaren er na voor het eerst met Bali kennis maakten.

Pande Bhasa - in de prozatekst wordt hij gewoonlijk kyayi Pande' genoemd, en in de kidung heet hij hier steeds Lo(h) Akarya (n) - had een onderhorige, wiens vrouw eens verleid was door gusti Talabah.

Note: Akarya = werker en pande = panday = smid wordt beschouwd als hetzelfde als pande, pandya - wijze, geleerde. Via pande kan dus pande = akarya zijn. Lo vindt men ook in de naam van ken Angroks brahmaan Lo Gawe, en, daar gawe en karya synoniemen zijn, is Lo(h) Akarya ook = Lo Gawe. Pande Bhasa betekent “geleerd in de bhasa (taal, letteren, adatregels)" en is dus een zeer geschikte naam voor een manguri.

Deze onderhorige stierf, en zijn weduwe kwam volgens 's lands gebruik in de puri van Pande als bijzit. Talabah had intussen deze bien-aimée nog niet vergeten, en op zekere dag liet hij haar zijn gunst weer eens blijken door haar een kliekje van zijn rijst te geven. Toen Pande van deze schending van zijn eigendomsrecht hoorde, werd hij heel boos en zon op wraak.

Nu was hem ter ore gekomen, dat Talabah ook heimelijk een amourette had gehad met ni gusti Samantiga, de of een gemalin van Bekung, en dat zij aan haar minnaar als bewijs van haar gunst toen een ring met een ongemeen mooie robijn geschonken had. Pande maakte nu een gordel, die met bijzonder mooie edelstenen versierd was, en ging met die gordel getooid zijn opwachting maken in de kraton.

Wat Pande verwacht had, geschiedde. De gordel trok dadelijk 's vorsten aandacht en hij vroeg daarom naar de herkomst er van. Pande bood hem de gordel ten geschenke aan, maar Bekung weigerde, want hij was rijk genoeg om er zelf een te betalen; wel wilde hij graag de gordel leenen om hem na te kunnen laten maken, en tevens droeg hij Pande op eens voor hem uit te zien naar een bij de gordel passende robijn. Toen ging Pande de robijn (p.149) van Talabah ophemelen als de mooiste robijn, die hij ooit gezien had, hetgeen tot gevolg had, dat Bekung vroeg, of Pande die robijn niet eens voor hem lenen kon.

Pande vroeg de ring te leen, en Talabah kon, hoewel het voor hem een moeilijk geval was, het verzoek niet weigeren. Toen de vorst in Talabahs eigendom de ring herkende, die hijzelf vroeger aan Samantiga als bruidsgeschenk gegeven had, begreep hij natuurlijk, op welke wijze Talabah in het bezit er van gekomen moest zijn. Hij was woedend, en gaf Pande, die zich van de domme hield, opdracht om Talabah uit de weg te ruimen, maar het moest heimelijk geschieden, want de vorst was bang voor Talabahs talrijke familie. Samen gingen toen Bekung en Pande naar de tuin Warapsari en sloten een eedgenootschap ten overstaan van de god van de To(h) Langkir tegen Talabah. Toen kon Pande op hoog bevel zijn wraak aan Talabah koelen.

Intussen gelukte het Pande nog niet zo gauw een geschikte gelegenheid te vinden. Na vele mislukte pogingen riep hij ten slotte de hulp in van zijn vazal Capung van Panasan. Deze betrok op zijn beurt een bandega (n) die beledigingen en stokslagen van Talabah had moeten verduren, in het complot.

Note: Het woord heeft zich van de betekenis „koopman" zowel ontwikkeld tot „reizend marskramer" als tot „matroos" (modern Balinees). Wat er hiermee bedoeld wordt, is mij niet geheel evident.

De bandega bracht Capung, die als vrouw vermomd was, in Talabahs puri in Kuta, toen deze toevallig daar eens was; samen wachtten zij in het schemerdonker op Talabahs thuiskomst. Deze had intussen lont geroken en was half en half op een aanslag voorbereid. Toen Capung hem dan ook met zijn kris Kapal-A(ng)soka (n) aanviel, had hij dadelijk zijn eigen kris, Tinjak Lesung, gereed.

Note: genoemd naar een held uit de Rangga Lawe; zie hoofdst. II.

Een gevecht ontspon zich, waarin Talabah en de bandega sneuvelden, maar waaruit Capung ongekwetst te voorschijn kwam. Laatstgenoemde kon nu Pande de tijding van de dood van zijn vijand brengen, en Pande kon insgelijks doen bij de vorst.

Nu geschiedde het toevallig, dat Capung kort daarna plotseling omkwam ten gevolge van zijn eigen ondoordachtheid. Toen hij namelijk eens met anderen bij Pande zijn opwachting kwam maken, kreeg hij de dwaze inval om voor de grap over de muur van de puri te willen klimmen, waarop de man van de wacht, die niet wist, wat zijn bedoelingen waren en onraad (p.15o) vreesde, hem afmaakte.

Capungs weduwe kwam op het gerucht van zijn dood toegesneld, en in haar jammerklacht vermeldde ze ook, wat Capung kort te voren voor Pande opgeknapt had. Byasama, Pande's oudste zoon (ook Agra Byasama, Wayahan Byasama, of alleen Wayahan), legde haar dadelijk het zwijgen op, en toen dat niet hielp, sloeg hij haar en doorstak haar ten slotte midden op de markt. Deze tragische afloop kon intussen niet verhinderen, droeg er wellicht integendeel nog toe bij, dat het gehele geval van Pande's schuld aan Talabahs dood uitlekte. Gusti Kanca, een pasanakan (of prasanak; neef of vriend?) van Talabah, ging toen naar de vorst en eiste van hem, dat hij Pande de zuiveringseed (cor pangrarata) zou opleggen.

Bekungs hierboven reeds vermelde vrees voor Talabahs grote familie was nu wederom het richtsnoer voor zijn handelingen; in plaats van Talabahs ongeoorloofde betrekkingen met ni Samantiga te stellen tegenover de op zijn bevel aan Talabah voltrokken straf, gaf hij Kanca dadelijk zijn zin. Pande zag in, dat zijn partij verloren was; hij deed geen moeite de vorst tot een ander standpunt over te halen, verliet hem zonder afscheid te nemen, en ging naar huis om zich op de dood voor te bereiden. Hij schreef toen zijn laatste werk, de Nathamartha, waarop zijn zoon Byasama een vervolg schreef, waarin hij zinspeelde op de verkieselijkheid van de dood op het slagveld. Maar ook meer direct spoorde Byasama zijn vader aan de toegeworpen handschoen op te nemen: „Als Wiswakarma het huis bouwt, waarom zou men het dan niet bewonen?" Pande liet zich overtuigen, en liet bekend maken, dat hij de door Kanca geëiste eed - die blijkbaar op anggara-kasih zou gepresteerd worden - zou weigeren af te leggen. Strijd was toen onvermijdelijk. Zijn tegenstanders begonnen hun maatregelen te treffen en Pande's gebied met kuta's te blokkeren. Blijkbaar tegen de verwachting in, besloot Seganing Kanca, en dus zijn ouderen broer Bekung, te steunen.

Aan Pande's kant stonden alleen maar zijn familieleden en enkele onderhorigen met hun lieden, 400 man in totaal. De grote massa van zijn volk echter, de lieden van zijn apanage beoosten de Unda, konden hem niet te hulp komen, hoe graag ze het ook gewild hadden; door de sakti van Bekung bandjirde namelijk de Unda, zodat Gelgel onbereikbaar was voor hen. Aan de anderen kant stonden de vazallen van de vorst onder leiding van Kanca.

De gamelan Sekar Sandat, die in de tuin Warapsari stond, weerklonk en voorspelde Pande zijn 151) aanstaande dood. Pande raadde zijn drie zoons, Byasama, Plangpung en Jalengkog (n) aan, liever te trachten de gunst van de vorst te herwinnen en zo hun leven te redden, maar zij verklaarden het lot van hun vader te willen delen.

Note: P.K., IV, 278, heten ze Madhya en Sirikan, resp. 2de en 3de. Wie nu de middelste en wie de jongste was, blijkt nergens. Men ziet hier tevens uit, dat van het op p.21, noot 1, vermelde gewone gebruik wordt afgeweken.

Zij besloten de eerste aanval op het Zuiden te richten, omdat daar de lurah Bedahulu stond, die maar een jagerskind (P.K., IV, 230: wit ning Çabara; Pam., fol. 42a: wit juru boros) was. Daarop nam Pande afscheid van zijn vader Dawuh Bale Agung en van sang hyang Siwamarga (= de overledenen guru, Nirartha), deed samadhi, en kleedde zich vervolgens in het wit ten teken, dat hij zich ten dode gewijd had. Zijn vrouwen en kinderen te voren om te brengen wilde hij niet, omdat dan de vrouwen hun kans op de hemel zouden verspelen.

Pande ging met zijn troepje op weg. Op de markt trof hij zijn jongeren broer Anjarame (Anjar Rame, Anja Rame?; ook Jarame komt voor) aan, die juist zijn maaltijd zat te gebruiken. Pande ging naar hem toe om afscheid van hem te nemen, maar Anjarame zei met hem mee te zullen gaan, mits Pande hem even de gelegenheid gaf af te eten. Volgens het vooruit beraamde plan vielen Pande en de zijnen eerst in Zuidelijke richting aan. Lurah Bedahulu werd verslagen en vluchtte; op het strand, in Cedokandoga (splitsing?), vond hij een schuilplaats. Daarop wendde zich Pande naar het Westen en joeg Pinatih en Kubon Kelapa op de vlucht, de (Toya-)Pipis over. Vervolgens Noordwaarts, tegen Tabanan, Tegeh Kori, Buringkit en Kaba-Kaba, die eveneens het onderspit moesten delven. Ten slotte Oostwaarts, met nog slechts 100 van zijn 400 man over. Nu vond hij zijn oom (paman), Pandarungan, de zoon van Kapal, tegenover zich. Had hij ook hem overwonnen, dan zou de laatste tegenstander, die de weg naar de kraton nog versperde, uit de weg geruimd zijn; maar in het gevecht, dat tussen oom en neef plaats had, sneuvelden beiden.

Intussen was Anjarame reeds gesneuveld op de grote weg en waren dus slechts Pande's drie zonen nog in de strijd. Zij streden verder niet gezamenlijk meer, maar verdeelden de weinige manschappen, die nog over waren, en gingen elk een kant uit. Aan Byasama gelukte het door te dringen tot in de carangcang kawat (zie B.K.I., 1927, deel 83, p.138) van de kraton, waar zijn komst grote (p.152) ontsteltenis teweegbracht.

Juist had zijn schoonvader, hyang Taluh, de lurah van Sidemen (Singharsa), paleiswacht, toen Byasama binnendrong. Tevergeefs poogde Taluh zijn schoonzoon te bewegen af te zien van verdere actie, daar zijn vader, Pande, nu intussen toch reeds zijn schuld met het leven geboet had, en beloofde Byasama zijn voorspraak te zullen zijn bij de vorst. Niettemin maakte Byasama amok in het paleis, en daar Taluh zijn makkers bezwoer Byasama niet te doden, kon deze eerst zijn gang gaan; maar lang bleven de anderen natuurlijk niet lijdelijk toezien, en Byasama werd gedood.

Hij was intussen niet verder gekomen dan de carangcang; op de paseban hield Seganing de wacht, en binnen in de kraton bevond zich Bekung achter goedgesloten deuren. De jongere broers, Jalengkog en Plangpung, trachtten eveneens in de kraton te komen, en wel door het waterleidingkanaal. Door de duisternis raakten ze echter hun koers kwijt en werden door een overmacht overweldigd, voordat ze iets hadden kunnen uitrichten.

Hoe ernstig volgens de Pamancangah dit conflict was, blijkt hieruit, dat uitdrukkelijk gezegd wordt, dat Gelgel verloren zou zijn geweest, indien Pande ook over zijn mannen van beoosten de Unda had kunnen beschikken. Ook de verliezen van de andere partij waren zeer groot, en alleen Manginte en Kanca waren gaaf uit de strijd gekomen. Pande en die met hem gevallen waren, werden door hun familieleden - waarvan er dus blijkbaar nog over waren - verbrand. Hun opstand had plaats in 1581 AD (over de sengkala zie p.36).

Na de dood van zijn zoons en zijn kleinzoons schreef Dawuh Bale Agung de kidung Arjuna Pralabdha, zoals reeds vermeld is in het begin van hoofdstuk I. Niettegenstaande alles, wat gebeurd was, bleef hij zijn vorst trouw, maar Bekung wilde niets van hem weten en stuurde hem weg, toen hij zijn opwachting kwam maken. Dawuh verliet toen het hof en stierf korte tijd daarna.

De vorst, die ook schuld had aan de dood van Talabah, werd gedwongen uit de kraton weg te gaan; hij vestigde zich in Kapal, ten Westen van Gelgel, waardoor hij de naam kreeg: sang ring Badawuh = die in het Westen (resideert, resideerde), terwijl de naam, waarmee hij in deze paragraaf is aangeduid, dalem of aji Bekung = de kinderloze, volgens de Pamancangah (IV, 288; fol. 44b-45a) eveneens uit deze periode zou stammen.

Hiermee was echter de maat van Gelgels tegenslagen onder de regering van Bekung nog niet vol. Als derde grote gebeurtenis (p.153) noemt de Pamancangah (IV, 293-V, 5; fol. 45b-46a) de ongelukkige expeditie van de jonge Jelantik.

Hierboven is reeds verteld, dat de dood van zijn vader vermoedelijk samenhing met diens deelname aan de opstand van Batan Jeruk. Nu had de oude Jelantik voor zijn dood aan zijn zoon opdracht gegeven, dat hij (de zoon) zijns vaders zonde zoenen moest door te sneuvelen op het slagveld, en Jelantik had ook naar aanleiding hiervan een lied (gita, sangsipta) gedicht („Dalu de ning [dening] kadarurung anut ing ulah durjaneng buddhi").

De zoon, die om de daad en het lot van zijn vader veel verdriet had, had zich deze opdracht van zijn vader ter harte genomen, en had later aan zijn guru gevraagd, op welke wijze hij het best zijn doel kon bereiken. Deze raadde hem aan ascese te gaan verrichten in de Durga-kapel van Karoting. Zo deed Jelantik.

Na enige tijd vernam hij de stem der godin, die hem gelastte naar het hof terug te keren, daar binnenkort zijn wens vervuld zou worden. Inderdaad droeg de vorst hem enige tijd later op aan het hoofd van een expeditieleger naar Blambangan te gaan om Pasuruhan te bestrijden; Manginte kreeg bevel de voorbereidende maatregelen hiervoor te treffen. Jelantik nam voorgoed afscheid van de vorst en van zijn vrouw, die toen acht maanden zwanger was van haar eerste kind, en begaf zich naar Kuta met een leger van 20.000 man om daar scheep te gaan.

De troepen waren ruimschoots van alles voorzien, maar de voortekens waren ongunstig. Reeds in Kuta was er, toen de troepen zich inscheepten, een schip gebroken; op zee geschiedde het, dat er een pangrupak (mes, waarmee men op lontarbladen schrijft) overboord viel en rechtstandig, zichtbaar, in de bodem bleef steken eveneens een ongunstig omen. Onderweg hadden zij met gebrek aan voedsel te kampen en moesten na een reis van drie dagen reeds landen; in een bos bij Panarukan kampeerden ze twee dagen, en werden toen vanuit Blambangan van levensmiddelen voorzien. Vervolgens werd de tocht naar Pasuruhan voortgezet.

Daar was men echter van de komst van de vijand op de hoogte en had reeds de nodige maatregelen getroffen. In de hevige strijd die nu ontbrandde, en waarin de lieden van Pasuruhan gesteund werden door hulptroepen uit Mataram, leden de Balinezen een zware nederlaag. Jelantik sneuvelde; natuurverschijnselen kondigden aan, dat hij zijn doel, het delgen van de zondenschuld van zijn vader, bereikt had.

Non-traceable note: De vader of de zoon?

De lieden van Pasuruhan maakten (p.154) van deze gelegenheid gebruik om zich te wreken over de smaad, die hun vroeger aangedaan was, toen Ularan de sri juru onthoofd en zijn oorsieraden buitgemaakt had (n).

Note: Hier is de schrijver van de Pamancangah vermoedelijk in de war, omdat die smaad Blambangan, niet Pasuruhan was aangedaan, en Blambangan steunt hier juist Bali. Of het moest zijn, dat Pasuruhan hier de partij weer opneemt van Bhima Cili en Ni Bas, die destijds bij de expeditie van Ularan naar Pasuruhan gevlucht waren.

De overlevenden van de Balinezen vluchtten naar de schepen en keerden naar Bali terug, om de tijding van Jelantiks dood en van hun eigen nederlaag aan Manginte en aan de koning mede te delen. Grote verslagenheid heerste er op Bali, omdat in talrijke families doden te betreuren waren. Jelantiks vrouw schonk kort na de dood van haar man het leven aan een zoon, die ki Bogol (Balinees ‘bogol’ = ongewapend) genoemd werd, omdat zijn vader in de strijd, toen hij zag, dat de nederlaag onvermijdelijk was, de wapenen had neergelegd en in wijsgerige beschouwingen verdiept de dood over zich had laten komen. Het knaapje werd door de vorst verzorgd en kreeg later de naam Jelantik Bunga(h)ya.

De eerstvolgende belangrijke gebeurtenis was het overlijden van Manginte, de patih. Hij liet twee zoons na, Widya en Pranawa, die elk een gedeelte van zijn gebieden erfden en beiden in de functie van patih opvolgden. Widya kreeg als apanagegebied Agung, Pranawa het Noorden (Ler, Di-Ler, Ka-Ler, of Lor enz.). Na verloop van tijd stierf ook Bekung en werd opgevolgd door zijn jongeren broer Seganing.

Zoals we reeds eerder gezien hebben, zijn de juiste jaren van Baturenggongs regering niet bekend, en dus is moeilijk te zeggen, wanneer die van Bekung begon. Maar voor zijn regeringstijd hebben we meer gegevens tot onze beschikking.

1) In de eerste plaats het jaartal van de opstand van Pande Bhasa, waarover reeds hierboven (p.36) gesproken is, vermoedelijk 1581 AD.

2) In de tweede plaats het sengkala-jaartal van Batan Jeruks opstand, brahmana ñaritawang kawahan wani, dat echter, wanneer we het opvatten als 1418 C. = 1496 AD., volkomen waardeloos is.

3) En in de derde plaats geven twee Hollandsche bronnen enkele data voor de geschiedenis van Bali van die tijd, nl. het door P.A. Leupe in B. K. L, 1856, 2de reeks, deel 1, p.203-234, uitgegeven „Verhael van 't gheene mij op 't Eylandt van Baelle wedervaeren is, terwijl ick er aen landt ben gheweest, als hier nae vollygen sall" van Lintgensz. Aernoudt (zie Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.52-55, nr. B 66) en (p.155) de mededeling over de tocht van Cornelis de Houtman, bewerkt door G. P. Rouffaer en J. W. Yzerman, De eerste schipvaart der Nederlanders onder Corn. de H. 1595-1597 (Lekkerkerker, p.358-359, nr. C 180; vgl. aldaar CI (gegevens ontleen ik in de eerste plaats aan Lekkerkerker's Bali en Lombok).

Uit deze mededelingen blijkt, dat in 1597 de „coninck van Baelle" en de „Keyloer" in Kuta waren om een expeditie van 20.000 man uit te rusten om het door Pasuruhan bedreigde Blambangan te hulp te komen. In Blambangan was nl. de zoon van de in de vorige paragraaf reeds vermelden Santa Guna aan de regering gekomen; deze werd in 1596 met een leger van 8.000 man aangevallen door de gouverneur van het in 1587 door Senapati van Mataram veroverde Pasuruhan.

Toen begin 1597 de eerste Hollanders voor Blambangan kwamen, was de woeste oorlog tussen Pasuruhan en Blambangan in volle gang. Eerst werd Panarukan tevergeefs belegerd. De vorst van Gelgel verleende hulp, maar kon niet beletten, dat Blambangan in 1600 of 1601 werd ingenomen (ontleend aan Encycl. N.-L, Aanvullingen, p.221a, waar de bronnen opgegeven worden) (n).

Note: Nog iets uitvoeriger C. Lekkerkerker, Balambangan, De Indische Gids, 1923, Jrg. 45, deel II, p.1030-1040 vooral; vgl. ook Babad Tanah Djawi, p.256 sqq

Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat met deze actie van Gelgel de expeditie van Jelantik bedoeld wordt, die eveneens met 20.000 man uit Kuta vertrok om Blambangan te helpen en Pasuruhan te bestrijden', en wiens expeditie mislukte, zodat ze Blambangan niet redden kon.

Met de Keyloer van Lintgensz' verslag moet dan hier Manginte bedoeld zijn; Lekkerkerker meent (Bali en Lombok, p.53, noot 1), m.i. terecht, dat met Keyloer hier Kyayi Lor aangeduid wordt. Nu was Mangintes tweede zoon Kyayi Lor, en het is geenszins ondenkbaar, dat dit ook een titel van Manginte was, al noemt de Pamancangah hem nooit zo.

Tussen de dood van de oude Jelantik en die van de jonge liggen in elk geval 12 a 18 jaren, daar Batan Jeruks opstand vóór die van Pande plaats had, en de laatste op zijn vroegst in 1579 en op zijn laatst in 1585 gesteld werd (hierboven, p.36) op grond van de Pamancangah-tekst. Toen de Hollanders in 1597 op Bali waren, hoorden ze (Lekkerkerker p.359), dat 10 of 12 jaar van te voren één der stedehouders in het binnenland in opstand gekomen was tegen het centraal gezag en naar het (p.156) gewone ballingsoord Pulau Roesa (Nusa Penida) verbannen was.

Wellicht is hiermee één van de beide in de Pamancangah vermelde opstanden bedoeld; volgens de opvatting van v.d. Tuuk van de sengkala in fol. 44a had Pande Bhasa's opstand plaats in Saka 1507 = AD 1585. Dat zou juist twaalf jaar verschil geven met 1597. Nu wordt in de Pamancangah niet gesproken van een verbanning naar Nusa Penida, maar de Pamancangah is allesbehalve volledig, en het is natuurlijk ook twijfelachtig, of de Hollanders hun Balineesche zegslieden altijd goed begrepen hebben. De details van deze periode verdienen stellig nader onderzoek, dan er hier aan gewijd kan worden.

De algemene voorstelling van de Pamancangah van de minderwaardigheid van Bekung ten opzichte van Baturenggong schijnt mij wel aanvaardbaar te zijn. De Pamancangah vermeldt niet, zoals van Baturenggong en later van Di Made verteld wordt, dat Bali in zijn jaren ook macht had over andere gebieden. Zoals wij in §4 zagen, was Blambangan vermoedelijk in 1575 weer geheel zelfstandig, en ook het Oostelijk van Bali gelegen bezit had blijkbaar bij Baturenggongs dood zijn zelfstandigheid herwonnen, daar tussen Batan Jeruks opstand en 1581 een expeditie van Pande tegen Sambawa noodzakelijk was.

§6. De periode van Seganing en Di Made

Van Seganing (vermoedelijk het moderne Blahbatu bij Gianyar; zie Djawa, Jrg. 5, p.327a, noot 2.) die behalve uit de Pamancangah ook uit de koningslijst van de Usana Bali bekend is, vertelt de overlevering (“Goesti Pandji Sakti" van P. de Kat Angelino, Djawa, Jrg. 5, n°. 6, p.327a), dat hij een bijzonder groot aantal kinderen had en dat er door hem thans nog zoveel ksatriya's op Bali zijn. Veel meer dan dit vertelt ook de Pamancangah niet van deze pater familias, die wel een contrast vormde met zijn ambtsvoorganger! Onder zijn regering genoot het land rust en voorspoed, hetgeen ook wel nodig was na de verliezen, die het onder Bekung geleden had.

Het enige voorval van betekenis was, dat Pinatih eens in opstand kwam met zijn 12 kinderen; de Pamancangah stelt het aantal van zijn volgelingen op 35.000, een onwaarschijnlijk groot getal (Pam., fol. 47a: kapat sasur tali; ontbreekt in de kidung). De opstand ging echter niet door, want Agung, de oudste zoon en mede-opvolger van Manginte, wist hem van zijn plan af te brengen door overreding. Gevolgen had deze actie (p.156) niet, behalve dan, dat Pinatihs macht beknot werd (P.K., V, 10) en dat hij zijn dochter moest afstaan aan Seganing, wiens favoriete ze werd.

Het verhaal Goesti Pandji Sakti bevat de mededeling, dat bij een vrouw uit Panji in Den Bukit = Buleleng (in de Pam. vaak Ler Gunung, de Javaanse vertaling van Den Bukit) in zijn dienst had, Ni Luh Pasek Panji genaamd. Seganing trapte eens toevallig in haar urine en bemerkte, dat ze bijzonder warm was. Omdat daaruit bleek, dat de vrouw buitengewone hoedanigheden bezat, nam Seganing ze tot zich; bij hem werd ze de moeder van de bekenden Gusti Panji Sakti van Buleleng, uit wiens fontanel vuur straalde ten gevolge van zijn tejas. (n)

Note: Voor tejas (Sk.) is moeilijk een geschikte vertaling te vinden; het is ongeveer = gloed en duidt speciaal aan de - materieel gedachte - straling, die van iemands majesteit of sakti (tovermacht) uitgaat, in het algemeen dus de gematerialiseerde magische lading. Panji Sakti speelt in de Bulelengse geschiedenis een grote rol, en heeft ook met Blambangan te maken gehad. Afwijkende berichten over zijn afkomst in [van Bloemen Waanders]' Bijdragen tot de kennis van het eiland Bali, T.N.I. 1868, Serie 3, Jrg. 2, deel II, p.408 sqq., vgl. 384 sqq.; van Eck, Schetsen, T.N.I. 1878, N.S., Jrg. 7, deel II, p.340-341, Jrg. 9 (188o), deel I, p.6 sqq.

Dit verhaal komt niet in de Pamancangah voor en vermoedelijk is het ontstaan uit de behoefte om aan de latere heren van Buleleng, opvolgers van Panji Sakti, afstamming van de oude oppervorsten van Bali toe te kennen. Van 's vorsten 14 kinderen (Pam., fol. 4jb) was het oudste een meisje, Randa Guwang, zodat hij later door het tweede kind (Di Made) opgevolgd werd. De andere 12 waren: Karang Asem (samen met Di Made zoon van de hoofdvrouw), I Dewa Anom, Cawu, Blayu, Sumerta, Pamregan, Lebah, Sidan, Kabetan, Pasawahan, Kulit en Bedahulu.

Niet tot Seganings kinderen wordt dus gerekend Mambal, die Seganing in overspel bij de vrouw van Kyayi Ler, Mangintes tweeden zoon, verwekt had, en die Kyayi Ler geadopteerd had, omdat hij Seganings daad als een eerbewijs beschouwde. Het is niet gemakkelijk zich omtrent deze Mambal uit de Pamancangah een goed denkbeeld te vormen. Mambal was zijn apanagenaam; zijn eigen naam was Talam (P.K., VI, 20, Pam., fol. 60a), maar hij wordt ook Bhimasakti genoemd, omdat hij volgens de aji Bhimasakti leefde (P.K., VI, 20; vgl. V, 31, 45 en Pam., fol. 49a). Wat dat gewoonlijk zeggen wil, kan men lezen in Goris' “Storm-kind en Geestes zoon” (Djawa, Jrg. 7, N°. 2, p.110 sqq., spec. p.112b), maar hier krijgt men toch een enigszins andere indruk van hem. Hij was ruw, baardig, een herrieschopper (p.158), verouderde niet, had voor niemand ontzag, en al wordt niet direct van hem gezegd, dat hij het patroon poleng bang droeg (zie Goris, aldaar), men kan het toch gissen, omdat ook kyayi Babelod het droeg, die veel met Mambal gemeen heeft.

Naast deze kant van de Bhima-figuur - hij wordt ook in de tekst met Bhima vergeleken - komt de andere, de geestelijke kant uit in het verhaal, dat hij Manuhaba vroeg hem de weg naar de hemel te wijzen, waarop deze hem zei, dat bij dan maar steeds verder moest lopen in Zuidelijke richting. Mambal deed het, en zou aan Bali's Zuidkust de zee ingegaan zijn, indien de koning het niet verhinderd had. Niet alleen uit dit verhaal nu, maar ook uit andere, die Pam., fol. 50b-51&, geeft, krijgt men de indruk, dat hij door de eigenlijke heiligen, Manuhaba en Talaga, een beetje voor de gek gehouden werd, en dat is, voor zover ik weet, een trek, die bij de Bhima-figuur niet past.

Omtrent Seganings regering en de duur er van tasten we dus in het duister. In 1597 leefde Bekung nog en in 1651 was Di Made kort vóór het bezoek van Jacob Bacharach aan Gelgel overleden op hoge ouderdom. Di Made's opvolger was, volgens Heurnius' rapport van 1638 (van Eck, Schetsen, 1878, p.336-337), reeds toen, dus lang vóór Di Made gestorven, en tijdens Heurnius' verblijf op Bali werd er al getwist over de kwestie, wie de ouden vorst zou moeten opvolgen (Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.257).

In 1639 werd Bali door Mataram aangevallen en vroeg hulp aan de Compagnie, welke echter geweigerd werd; deze aanval heeft echter geen consequenties gehad. De reden van Matarams optreden was de actie, die Bali in Blambangan voerde, welk land nu eens in bezit van Mataram, dan weer van Gelgel was. In 1633 was het nog in het bezit van Gelgel, in 1639 was blijkbaar Mataram er de baas. Dat is, wat we van Bali's politieke geschiedenis in de eerste helft van de 17de eeuw weten uit niet-Balineesche bronnen (cf. Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.49-52); we kunnen er nog aan toevoegen het berichtje, dat ± 1633 Bima door Makassar veroverd, d.w.z. de vorst van Bali ontnomen werd (aldaar, p.50). Van dat alles vinden we zo goed als niets in de Pamancangah terug. Di Made's macht en heerlijkheid worden daar hoog geroemd, maar aan feiten horen we alleen, dat hij, nu Sasak en Sambawa hem onderdanig waren en er nog nooit onder zijn regering oorlog was gevoerd, een expeditie van 20.000 man uitzond onder Tabanan en Pacung om Blambangan te helpen en Pasuruhan te beoorlogen! 't Is de vraag, of we aan (p.159) dit gedeelte van de Pamancangah wel enige waarde mogen toekennen, want Di Made's regering is naar het schijnt allesbehalve rustig geweest, en de expeditie van 20.000 man vóór Blambangan tegen Pasuruhan lijkt veel op een kopie van Jelantiks tocht (n).

Note: In dat vermoeden wordt men versterkt, wanneer men leest, dat Mambal er bij de koning op aandrong het contingent troepen groter te laten zijn dan dat van Jelantiks expeditie. Niettemin worden er weer 20.000 gestuurd. Al lijkt dit Pamancangah-verhaal onbetrouwbaar, toch moeten er herhaaldelijk expedities naar Java gestuurd zijn geworden onder Di Made, daar Bali in die tijd, in elk geval tot 1633, Blambangan verdedigd heeft tegen aanvallen uit het westen. Ook zou het mogelijk zijn, dat de hiaat in de tekst, waarover beneden meer, reeds ingaat met de periode vóór de grote oorlogen met Mataram en dat de in de tekst genoemde expeditie het begin van die periode inluidt.

Wat van Di Made in de Pamancangah verteld wordt, kan in weinige woorden hier weergegeven worden. Hij had 5 hoofdgemalinnen (pancakanya):
1) nyayi Selat, die reeds voor haar geboorte door haar vader beloofd was aan Seganing, maar die Seganing aan zijn zoon had gegeven, omdat hij te oud was geworden, toen zij huwbaar geworden was;
2-3) twee zusters nyayi Peling, dochters van Sukahet;
4) nyayi Pacekan uit de familie Ler en
5) nyayi Tangkeban uit de familie Agung;
verder had hij 22 bijvrouwen.

Als zijn zoons worden genoemd: Pambayun, de kroonprins, en de radens Pacekan, Buddhi, Batan Nyambu, Tampwagan, Bukihan en Gianyar, waaraan de prozatekst nog toevoegt Ketut en Tambahan. In plaats van drie rijksgroten, had Di Made er vier door de splitsing van Mangintes gebied. De voornaamste geestelijken waren onder zijn regering Nirartha's nakomelingen, nl. de eerwaarde heren van Kamenuh, Pagulingan, Peling, Manuhaba, Padang Rata, Mambal, Sangsi, Siku, Kacang Pahos (Kacang Dawa), Empu, Padang Runtik (Padang Galak), Patapan en Boddha Tiga.

Naast hen waren er biksu's, astaseni's en Boeddhisten (tekst: sakyamuni's!), die hun standplaatsen hadden in Antugan of Anggungan, Banjar Carik, Intaran en Tambahu (n).

Note: De gehele zin is echter zeer onzeker; de 4 laatstgenoemden worden vermeld onder de geestelijke heren, die hun opwachting kwamen maken aan Di Made, maar worden niet vermeld in de lijst van Nirartha's nakomelingen, zodat men daaruit wellicht zou mogen concluderen, dat zij tot de drie hier vermelde niet-Siwaïtische groepen behoorden.

Di Made's rijkssieraden waren de wijsvingerring Rupek, die hierboven al vermeld is, de oorringen van de juru van Blambangan en zes rijkskrissen, afkomstig uit Majapahit, die zijn rijk beveiligden (zie p.139, noot 1). In het bezit van deze pusaka's regeerde Di Made veilig, zegt de Pamancangah (p.160); hij was een verschijningsvorm van Dharma; de acht goden waren in zijn lichaam vergaderd; hij was geliefd bij zijn onderdanen, gevreesd door zijn vijanden en roeide alle gespuis uit.

Op de “gouden oorkonde" wordt hij Paramarthasiwa genoemd. Tot de expeditie tegen Pasuruhan werd besloten op een grote plechtige audiëntie op vollemaansdag van Karttika, waarop alle personen van belang aanwezig waren. Als gunstige dag voor het vertrek stelden de geestelijken-wichelaars vast: Zondag-pon, 7 Karttika, in de wuku Kurantil (dat zou dus ongeveer een jaar later zijn!).

Hierboven, op p.15, is reeds opgemerkt, dat de prozatekst in fol. 62a vrij abrupt afbreekt. We horen nl. niets meer van het verloop van de uitgezonden expeditie; er volgen twee verhalen, die slechts zeer losjes met het voorgaande samenhangen, en dan het verhaal van Gelgels ondergang. De continuïteit is echter verbroken, en dat maakt het heel moeilijk ons over het laatste gedeelte van de Gelgelse tijd een oordeel te vormen. Het is meer op grond van Hollandsche berichten dan op die van onze tekst, dat in het bovenstaande de ondergang van Gelgel geplaatst werd onder Di Made; de vorst nl., die kort voor 1651 gestorven was, was oud en had lang geregeerd. Van het antagonisme tussen Raja Tangap, kleinzoon-erfgenaam van de vorst, die in 1638 16 a 17 jaar oud was, en Raja Panjakan, een zoon van de Dewa Agung bij de zuster van een zekeren gusti Padma (Lekkerkerker, Bali en L., p.257; v. Eck, Schetsen, 1878, p.336), waarbij de laatste een verdeling voorstelde, waarvan Tangap niet weten wilde, vernemen we niets uit de Pamancangah; wellicht is dat gedeelte verloren gegaan. Van de ondergang van Gelgel doet de Pamancangah het volgende verhaal (P.K., VI, 50-slot; Pam., fol. 66b-68a):

Nadat de vorst van Gelgel vele jaren voorspoedig geregeerd had, taande zijn macht. Vele vazallen verlieten met meenemen hunner pusaka-wapenen hun huizen in Gelgel. De directe oorzaak van 's vorsten val werd nglurah Agung van de karang kapatihan, d.w.z. die in de patihswoning ten Noorden van de pasar verblijf hield; de prozaredactie noemt hem dan ook uitdrukkelijk patih van Gelgel (fol. 666: anglurah Agung, kang akarang ring Gelgel, ler ing pasar, awastha ring karang kapatihan, denikang (dening) apatih langghana ring dalem), terwijl de kidung iets minder duidelijk is (VII, 3: sira mula pinatih = hij was oorspronkelijk patih, of: was van oorsprong een Pinatih, (p.161) lid van het geslacht Pinatih).

Om een of andere reden, die hier niet genoemd wordt, kwam deze nglurah Agung in opstand en belegerde de vorst in de kraton. Ook enkele getrouwen lieten zich insluiten, maar de bevolking, die hem te hulp wilde komen, werd de toegang tot de kraton afgesneden. Na verloop van enige tijd kon de vorst de verdediging niet langer volhouden; hij zag echter kans om de kraton aan de Zuidkant te verlaten en zijn aanhangers te bereiken, die zich ten Westen van de (Toya) Gendar bevonden. Deze groep, buiten de vazallen zelf 300 man sterk, vestigde zich in Guliang, waar een nieuwe kraton gesticht werd. Nglurah Agung van de karang kapatihan was nu heer en meester in Gelgel.

Toen de vorst enige tijd in Guliang verblijf had gehouden, stierf hij en liet twee onmondige zoons na uit een hoofdvrouw. De rijksgroten beraadslaagden nu over de kwestie, wie de gestorven vorst moest opvolgen. Er vormden zich twee partijen, één voor raden Pambayun en (of) voor Den Bancingah en één voor de onmondige prinsen; de eerstgenoemden waren uit lagere vrouwen geboren en dus lager in rang dan de jonge prinsen (deze voorstelling der zaken is niet geheel zeker, daar de tekst moeilijk te verstaan is; zie verder beneden).

Toen men niet tot overeenstemming kon komen, besloot de partij van de jonge prinsen (ook dit is onzeker, zie beneden), aan het hoofd waarvan Jambe Pule en Kadohan (? lees: kadehan = de familieleden van de vorst?) stonden, het veld te ruimen; zij konden echter alle pusaka-wapens, die zij uit Gelgel gered hadden, meenemen, behalve de kris Tanda Langlang (n1), die in Guliyang achterbleef bij de raden cili (?) (n2), en trokken Oostwaarts naar het gebied van Sidemen.

Note 1: Over de rol, die deze kris echter in de Klungkungse traditie juist in de geschiedenis van Gelgel speelt, zie v. Eck, Schetsen, T.N.I., 1880, p.120-121.
Note 2: Hoe is dat nu echter te rijmen met de mededeling, dat de raden cili's naar Sidemen gingen?

Toen zij daar in Ulah, aan de voet van de Dewangga, een kamp hadden opgeslagen, kwam de heer van Sidemen de raden cili(?) zijn opwachting maken, hiermee zijn partij kiezende. Een tijd lang vertoefden nu de bannelingen in Ulah. Toen beraadslaagden de ex-rijksgroten van Gelgel onder leiding van de heer van Sidemen over wat hun thans te doen stond. Besloten werd, dat laatstgenoemde brieven zou sturen aan de landheren van benoorden de bergen (Buleleng) en van Badung. Zo kwam er een verbond tot stand, dat ten doel had de wettige heerschappij van de erfgenaam van Di Made te herstellen.

Door de verbonden troepen werd toen van drie kanten een aanval gedaan op de usurpator Agung te Gelgel. De troepen van Badung vielen aan ten Zuiden van de kraton; de troepen van benoorden de bergen vielen vanuit het Westen aan en kampeerden in Panësan (-Aji); de troepen van Sidemen rukten vanuit het Noorden op en bereikten eerst Smarajaya en daarna Sumpulan en Dawan. Zijne Majesteit (de dalem cili) verbleef in Dawan, waar kyayi Paketan hem bewaakte. De troepen van Badung, die onder bevel van Jambe Pule stonden, vielen het eerst aan en veroverden Jumpahi. Kyayi Agung (van Gelgel) trok tegen deze vijand op en versloeg hem; de Badungers vluchtten en werden ten Oosten van de rivier afgesneden. Jambe Pule verdedigde zich wanhopig, maar verloor het; hij viel ten Oosten van de puri in Cedokandoga. - In het Westen, in Panesan (-Aji), ontstond er een fel gevecht tussen de troepen van benoorden de bergen en die van Gelgel; eerst werd er met afwisselend geluk gestreden; ten slotte wist patih Tamlang, de patih van Panji, de heer van benoorden de bergen, patih Dukut Krta, de bevelhebber van de Gelgelse troepen aan die kant, te doden, waarna het Gelgelse leger uiteengeslagen werd en zich op de rivier Pipis terugtrok, waarin velen verdronken. De heer van Sidemen, die in het Noorden stond, bouwde daar een versterkt fort en ging over tot het belegeren van kyayi Agung.

De eigenlijke afloop van de strijd wordt niet verteld. Blijkbaar is de bedoeling, dat na de nederlaag bij Panesan (-Aji) de macht van kyayi Agung van Gelgel gebroken Was, maar dat hij zich nog enige tijd staande wist te houden in zijn versterkingen, welk laatste verzet nog door de heer van Sidemen gebroken moest worden. Deze had intussen zijn kamp ten Zuiden van Smarajaya (Smarapura, Klungkung) bestendigd; daar werd de kraton van de jonge vorst gesticht en ingericht naar Majapahits model.

De voornaamste rijksgrote werd Dawuh (= de heer van Sidemen, of een halfbroer van de nieuwen koning?), wiens verblijf zich te Pamregan bevond, ten Zuiden van de kraton en ten Noorden van de kuta. De vazallen, die destijds Di Made in Gelgel trouw gebleven waren, werden beloond met privileges, die op koperen oorkonden vastgelegd werden.

Hier hebben we nu een lezing van de ondergang van Gelgel, die wat uitvoeriger is dan de tot nu toe bekende berichten daaromtrent en daarmee in hoofdzaak wel tot overeenstemming te (p.163) brengen is. De hoofdzaak van wat bekend was van elders, vat Lekkerkerker aldus samen (Bali 1800-1814, B.K.I., 1926, deel 82, p.330-331):

„De Gusti Agung Meruti van Karangasem kwam (waarschijnlijk in 1651), toen de regerende Dewa Agung te Gelgel overleed, in opstand tegen diens beide jeugdige zoons Dewa Agung Mayun en Dewa Agung Jambe. Deze vonden een toevlucht in de puri te Sidemen (West-Karangasem); Gusti Agung Meruti wist zich geruime tijd als heerser te Gelgel te handhaven*. Toen de beide Dewa's Agung volwassen waren rukten zij tegen de overweldiger op; deze werd verslagen en gedood nabij de pura Klotok. Dewa Agung Jambe stichtte zich een nieuwe puri te Klungkung; zijn broer kreeg Tampaksiring en Blahbatuh in Gianyar (vóór 1700)".

Bij * plaatst Lekkerkerker de noot: „Deze rebel is waarschijnlijk de „Coninck ofte gebieder van de Zuytsyde van het eylandt, genaemt Gusty Agon ... gebieder over Gilgil ende omleggende plaetsen", die in 1665 en 1666 een bondgenootschap zocht met de Compagnie, evenals Goesti Pandji van Buleleng" enz. (hieruit volgt tevens, dat de actie tegen Agung van Gelgel van na 1666 dateert).

Een soortgelijk verhaal bij J.C. Jasper, Het eiland Bali en zijn bewoners, loc. cit.; hier heet het, dat de beide prinsen, toen hun vader stierf, door de intriges van de na-ijverige punggawa van Gelgel naar Sidemen (Karangasem) overgebracht werden, en dat zij later met de punggawa's van Buleleng, Badung, Tabanan, Sidemen, Dawan en Gianyar tegen Gelgel optrokken en de punggawa doodden, waarna Dewa Agung Jambe vorst van Klungkung werd en D.A. Mayun punggawa van Tampaksiring.

Ter aanvulling hiervan diene het volgende uit van Bloemen Waanders' en van Eck's artikelen (T.N.L, resp. 1868, p.380, en 1880, p.112): Een Karangasemse vazal van de vorst van Gelgel beledigde eens zijn heer en werd daarom op zijn bevel op zijn terugreis naar Karangasem verraderlijk vermoord. Zijn drie zoons rukten met hun mannen tegen Gelgel op, verwoestten het totaal en dwongen de vorst de wijk naar elders te nemen. Later werd de zetel van de Dewa Agung naar Klungkung verplaatst. Een Klungkungs verhaal met een lezing, die eervoller is voor Gelgel-Klungkung, geeft van Eck op p.121; het is van te weinig waarde om het hier te vermelden.

Deze gegevens kunnen in details echter niet tot overeenstemming gebracht worden met het Pamancangah-verhaal. Agung van de karang kapatihan is vermoedelijk wel dezelfde als Agung (p.164) Meruti van Karangasem. De verhouding van deze laatsten tot de vorst van Gelgel blijkt niet; indien hij tot het geslacht Agung behoorde, na Mangintes dood één der beide patih-geslachten, zou het niet onmogelijk zijn, dat hij patih was van Gelgel, waar hij (als patih) ten Noorden van de pasar woonde.

Het Pamancangah-verhaal van de uitwijking naar Guliyang klopt met de mededeling bij van Eck, dat de vorst de wijk nam naar elders, en het bericht, dat de eigenlijke rechthebbenden op de troon naar Sidemen trokken en later met behulp van verscheidene oud-vazallen van Gelgel, onder wie de bekende Panji Sakti van Buleleng, die we als zoon van Seganing in de Bulelengse traditie reeds ontmoet hebben, Agung van Gelgel op zijn beurt overwonnen, vinden we zowel bij Lekkerkerker-Jasper als in de Pamancangah, terwijl ook over de omstandigheden van de stichting van de kraton van Klungkung eenstemmigheid heerst, tenminste in hoofdzaak.

Een moeilijkheid vormt evenwel de persoonlijkheid van de eerste Dewa Agung van Klungkung. Hierboven zagen wij, dat Raja Tangap, de kleinzoon van de vorst, die wij met Di Made meenden te moeten identificeren, in het jaar van Heurnius' bezoek aan Bali, 1638, 16 a 17 jaar oud was; deze man zou, bij leven en welzijn, in 1651 een dertiger geweest zijn en kan dus niet de jonge prins van de Pamancangah en de berichten Lekkerkerker-Jasper zijn.

Diens zoon? Dan zou hij Di Made's achterkleinzoon moeten zijn en zou men moeten aannemen, dat Di Made zoon en kleinzoon overleefde. Was hij niet Tangaps zoon, dan zal hij toch vermoedelijk wel minstens Di Made's kleinzoon zijn geweest en is het swaputra kalih, mijil ing bebecik, durung rumasa pan lagi alit-alit van P.K., VII, 8 (iets dergelijks Pam., fol. 67a) toch in elk geval misleidend.

De in 1651 gestorven vorst van Gelgel met Di Made te identificeren, schijnt in elk geval het beste te zijn, want een opvolger zou pas na 1638 (rapp. Heurnius) opgetreden kunnen zijn en zou moeilijk gelijk te stellen zijn aan de oude vorst van Bali, die na lange regering in 1651 stierf. De zaak wordt nog moeilijker.

De berichten van Jasper en Lekkerkerker spreken van een Dewa Agung Mayun„ één der minderjarige prinsen. Ook de Pamancangah spreekt van een raden Pambayun, maar deze schijnt - heel duidelijk is de tekst niet - evenmin als Den Bancingah voor opvolging in aanmerking gekomen te zijn als zoon van een lagere vrouw; deze Pambayun zou dezelfde kunnen zijn als degene, die in (p.165) P.K., V, 26, VI, 10, Pam., fol. 486, 586, 59a vermeld wordt - deze indruk wekt de Pamancangah althans -, maar hem heeft een vroeger gedeelte van de tekst aangeduid als kroonprins.

En ten slotte, terwijl èn Pamancangah èn bericht Lekkerkerker-Jasper spreekt van twee Dewa Agungs, die naar Sidemen gingen, spreekt P.K., VII, 12 van een raden cili, een jonge prins, die in Guliyang bleef, en VII, 14 van een rahaden cili, die naar Sidemen trok. Deze gegevens zijn voorlopig onontwarbaar, maar dit kan, wat de Pamancangah betreft, wel zijn oorzaak hebben in de hiaat van de tekst, of liever, in het feit, dat het slot van de eigenlijke Pamancangah ontbreekt; het verhaal van de ondergang van Gelgel nl. is, althans de prozaredactie, een op zichzelf staand verhaal, en pas later in de Pamancangah ingelijfd.

De namen der beide prinsen geeft de Pamancangah niet, indien we ten minste de Pambayun van VII, 9 aan de vroeger genoemden zoon van Di Made gelijkstellen. Mayun is een naam, die in elk gezin voorkomt, om zo te zeggen, en zegt dus niets; Jambe vinden we wel in de Pamancangah terug, maar daar is hij (Jambe Pule) een vazal, vermoedelijk heer van Badung. Wel merkwaardig is, dat niet Mayun, maar Jambe Dewa Agung van Klungkung werd, volgens het bericht Lekkerkerker-Jasper; de Pamancangah licht ons daarover echter niet in.

Onze conclusie kan zijn voor deze paragraaf: de schaarse gegevens der Pamancangah omtrent Seganing en Di Made verdienen geen onbeperkt vertrouwen. Dat deze twee vorsten in de eerste helft van de 17de eeuw in Gelgel geregeerd hebben, is wel waarschijnlijk, evenals de Pamancangah-voorstelling, dat toen Gelgel nog een vrij machtige staat was. Voor het laatste gedeelte van Di Made's regering moet een lastige lacune in de tekst aangenomen worden. Het verhaal van Gelgels ondergang lijkt in hoofdzaken betrouwbaar, maar de gebrekkige gegevens laten niet toe al de bijzonderheden met die der andere lezingen in overeenstemming te brengen.

Tot slot van ons hoofdstuk twee geschiedverhaaltjes, waarvan het onderwerp nog binnen de Gelgelse tijd schijnt te vallen. Belangrijk zijn ze niet, en commentaar er op is overbodig.

(1) Ki Pucangan

Het eerste verhaalt van een zekere ki Pucangan, die in de Noorderbergen een opdracht der godheid vervulde en als beloning het bevel ontving naar Badung te gaan, waar hij zijn geluk zou vinden. Badung behoorde toen tot het gebied van Tegeh Kori. In Badung stichtte hij een gezin en kreeg twee (p.166) zoons en een dochter. De oudste zoon verwierf zich een grote vaardigheid in het hanteren van het blaasroer, de jongste werd een groot hardloper. De schutter nu bevrijdde de vorst van „de lastige kraai van Gelgel", die we hierboven in ander verband reeds ontmoet hebben. Daardoor kwam hij, en vervolgens ook zijn jongere broer, in aanraking, en wat meer is, ook in de gunst van de vorst. Eerst verbleven ze enige tijd aan het hof en daarna gaf de koning Tegeh Kori bevel hun een gebied en een aantal onderhorigen te schenken.

Zo geschiedde; zij werden trouwe vazallen van hun heer. Nu geschiedde het, dat nglurah Agung van Mengwi aan Tegeh Kori de dochter ten huwelijk vroeg, die reeds aan de jonge Pucangan beloofd was. Tegeh Kori stemde toe uit vrees voor Agungs macht. De jonge Pucangans kwamen in opstand en verjoegen Tegeh Kori, waarop de oudste der twee door de vorst als heer van Badung werd erkend. Zo luidt de Pamancangah Badung.

(2) Pamancangah Nyalyan

Het tweede verhaal, de Pamancangah Nyalyan, luidt aldus: De kluizenaar van Suladri had twee dochters. Op zekeren dag kwam door een beschikking der goden een knappe jonge man in de kluizenarij aan, zonder dat iemand wist vanwaar hij kwam; hij zelf verklaarde de kluizenaar slechts te zijn „als een uienschil, die op de pasar thuis hoort, als een dor blad, dat ergens is komen aanwaaien."

De kluizenaar nam de vreemdeling in zijn kluizenarij gastvrij op en wilde hem ten slotte tot zoon adopteren; maar één van de dochters, die in de vreemdeling haar a.s. man zag, verhinderde de adoptie.

Eens zond de vorst van Gelgel zijn dienaren uit om in zijn gehele gebied naar meisjes te zoeken, die geschikt waren voor selir. Hem werd gerapporteerd, dat o.a. de kluizenaar van Suladri twee zeer schone dochters had. De jongste dochter werd 's konings selir en de oudste trouwde toen met de vreemdeling. Na enige tijd ging de kluizenaar met zijn dochter en schoonzoon een bezoek brengen aan de dochter in de puri. Zij werden hartelijk ontvangen door de koning, die vooral voor zijn zwager, de schoonzoon van de kluizenaar, sympathie opvatte. Daarom maakte hij hem tot zijn vazal en stelde hem 200 man ter beschikking, welk aantal later, toen de vreemdeling een flink vazal bleek, tot 500 verhoogd werd.

Uit het huwelijk van de vreemdeling met de kluizenaarsdochter werd een zoon geboren, terwijl de koning bij zijn selir een dochter kreeg. Toen deze dochter van de koning opgegroeid was, werd zij krankzinnig en tot herstel van haar gezondheid (p.167) naar haar oom gestuurd, de schoonzoon van de kluizenaar. Inderdaad genas zij, maar drie maanden, nadat zij in de puri teruggekeerd was, kwam de ziekte terug, en werd ze weer naar Suladri gestuurd.

Toen dit spelletje zich enige malen herhaald had, begreep de koning, dat hij hier te doen had met een aanwijzing der godheid, die wilde, dat zijn dochter zou trouwen met de zoon van zijn zwager, die eigenlijk iemand was van goede familie, en wiens stamboom terugging op Majapahit. Deze zoon, 's konings schoonzoon dus, kreeg de titel van pungakan van Den Bancingah en een verblijf benoorden de kraton van Gelgel (n).

Note: Naar aanleiding van deze gebeurtenissen werd de kidung Dalang Samirana geschreven (Pam., fol. 666).

Later, toen Gelgel verviel, vestigde hij zich in Nyalyan, waarheen hij de kris Lobar meenam. Met de pungakan Den Bancingah, die bij de val van Gelgel mee uitweek naar Guliyang, is vermoedelijk de zoon van deze eerste heer van Nyalyan bedoeld.

HOOFDSTUK V - NOG IETS OVER HET KARAKTER DER HISTORISCHE KIDUNGS

Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van onze behandeling van de voornaamste van de in de Inleiding opgesomde geschriften. Na in de vorige hoofdstukken de mededelingen van historisch belang - historisch in ruimen zin genomen - beschouwd en ze zoveel mogelijk aan beschikbaar vergelijkingsmateriaal naar hun waarde getoetst te hebben, hebben wij in dit slothoofdstuk nog volgens de indeling van dit werkje, gegeven op p.17, de verzamelde gegevens in ruimer verband te beschouwen. Recapituleren wij daartoe eerst de resultaten van de verschillende onderzoekingen.

De Calon Arang-verhalen hebben wij buiten beschouwing gelaten, doch daar ze met het overige niet direct samenhangen, schaadt dat het geheel slechts weinig. Ook de Pararaton-kidung hebben wij niet behandeld, omdat vergelijking met de prozatekst niets nieuws oplevert. De Panji Wijayakrama, de Rangga Lawe, fragmenten van de Pamancangah en de verschillende Kidung-Sunda-redacties bleken in hoofdzaak dezelfde stof te bevatten als het middenstuk van de Pararaton, doch in details vaak belangrijk te verschillen; de overeenkomst in hoofdzaken gaf grotendeels vrijstelling van vergelijking met de bronnen (n) der Oudjavaanse geschiedenis, daar nog onlangs Prof. Dr. N.J. Krom de gegevens der Pararaton-traditie op grondige en voortreffelijke wijze met al het overige, thans beschikbare materiaal vergeleken heeft; de detail-afwijkingen bleken deels aanvullingen van de Pararaton-stof te zijn, deels producten van dichterlijke fantasie, en voor een heel klein gedeelte steun te vinden in de geschiedbronnen.

Note: onder bronnen versta ik: Nagarakretagama, oorkonden, inscripties, contemporaine berichten van vreemdelingen enz.; men vindt ze in het begin van Krom, Gesch., opgesomd en toegelicht. De Pararaton echter reken ik niet tot de bronnen, maar tot de traditie.

De Pamancangah bleek lacuneus, maar niet onbelangrijk materiaal te bevatten voor de geschiedenis der Javaanse kolonie op Bali, met name voor die van het rijk van Gelgel, en in waarde (p.169) de Usana Jawa verre te overtreffen. Aan de hand van mededelingen in dit geschrift konden wij enig licht doen vallen op het belang van het Gelgelse literaire leven voor de Javaanse literatuurgeschiedenis, kwamen tot de conclusie, dat de Middeljavaanse historische traditie op Bali moet ontstaan zijn, en achtten het aannemelijk, dat de beoefening der Javaanse letteren, die wij in de 16de eeuw daar constateren, niet pas in het begin van die eeuw opgeschoten was, maar zich gedurende de gehele 15de eeuw rustig ontwikkeld bad als een zelfstandig geworden stek, in de bloeitijd uit de Majapahitse stam genomen.

Wij mogen dus de Middeljavaanse historische traditie beschouwen als een verzameling van verhalen betreffende de geschiedenis der Javanen, die zich in de bloeitijd van Majapahit, onder de regering van Hayam Wuruk of gedeeltelijk misschien reeds kort te voren, op Bali gevestigd hadden en van hun voorouders in Majapahit. Hiermee is in overeenstemming, dat het laatste verhaal, dat op Java betrekking heeft, de Kidung Sunda is, die een gebeurtenis van 1357 beschrijft, en dat volgens de Middeljavaanse historische traditie Majapahit met of kort na Hayam Wuruk onderging. Voor de Damar Wulan-roman echter, die uit de latere Majapahitse tijd stamt en wellicht herinneringen bevat aan de gebeurtenissen van 1403 tot 1406, is er in de op Bali bewaarde traditie geen plaats.

Niet zonder reden is in de Inleiding (p.9-12) ook aan de Pararaton een plaats ingeruimd in de reeks der traditiewerken. Herhaaldelijk heb ik de gelegenheid gehad er op te wijzen, dat Brandes' opvatting, dat de Pararaton de moeder der historische kidungs is, niet juist kan zijn; uit één massa traditie zijn Pararaton-verhalen, Panji Wijayakrama, Lawe en Kidung Sunda voortgekomen, maar niet alle op dezelfde plaats en in dezelfde tijd.

Een nog niet schriftelijk vastgelegde traditiemassa is vloeibaar; dat zien we niet alleen op Java en Bali, maar ook elders ter wereld. Vijf scheppen in de Kidung-Sunda-brij brachten vijfmaal spijs naar boven van telkens weer andere samenstelling: 4 onderling verschillende redacties en het Pararaton-stukje; en zoals men bij de brij niet altijd dezelfde toespijzen gebruikt, zo bracht men ook in de hoofdzaak van het uit de traditiemassa opgediepte telkens weer andere details aan. Niet alleen in historische verhalen geschiedde dat, maar ook bij talrijke andere stukken der Oudjavaanse literatuur zien we macapat- (p.170) naast tengahan-, tengahan- naast kakawin-, kakawin- naast prozaredacties.

Hoe vaak is Tantri- en Panji-stof niet wéér eens opnieuw in een andere vorm gegoten? In hoeveel verschillende gewaden treedt niet de éne Javaanse babad op? Ook in andere delen van de Archipel zien we, hoe fluctuerend de verhalenstof is.

Wie Maleise of Acehse verhalen gelezen heeft, weet, hoe zelden het gebeurt, dat twee kopieën van één verhaal precies hetzelfde vertellen. Niet anders is het met de verhouding tussen Pararaton en historische kidungs; meer moet men er m.i. niet achter zoeken, behalve dan, dat men er rekening mee houden moet, dat de kidung ook door literaire eisen gebonden was.

Wanneer we aannemen, dat er in de volksmond een aantal liederen bestonden betreffende gebeurtenissen uit de Majapahitse tijd der voorvaderen, welke liederen op een of ander tijdstip te boek zijn gesteld en op een ander tijdstip geëxcerpeerd zijn door de schrijver van de Pararaton, verklaart dat enerzijds de grote verschillen in de inhoud en anderzijds de soms frappante overeenkomst in woordgebruik. Want naast het fluctueren van de inhoud is bestendigheid van uitdrukking een kenmerk van deze stof, die - dat mag men niet uit het oog verliezen - altijd gezongen werd en nog gezongen wordt.

Wanneer we nu deze opvatting vergelijken met de beschouwing, die Krom, Gesch., p.22-25, en later nog enkele malen, b.v. p.368-369, aan de Pararaton en haar samenstelling wijdt, dan zien we, dat het bovenstaande Kroms opvatting steunt en gedeeltelijk aanvult, en er in elk geval niet mee in strijd is. Kroms mening komt hierop neer, dat de bewerker van het middenstuk van de Pararaton zijn mededelingen putte uit een kroniek met gegevens over de koningen van Singhasari en Majapahit enerzijds en anderzijds uit twee verhalencomplexen, in het eerste waarvan Wijaya de centrale persoon was, terwijl Gajah Mada in het middelpunt van het tweede stond.

Deze verklaring lijkt mij zeer aannemelijk, onder dit voorbehoud, dat ik de zin „Er waren dus klaarblijkelijk beide bovenomschreven historische romans, die omtrent Wijaya's genoten en die omtrent Gajah Mada" (p.23) te eng vind, en liever zou spreken van „beide bovenomschreven cyclussen van historische romans" of van „verhaalcomplexen", zoals verderop ook geschiedt. Tot deze cyclussen behoren dan de in de vorige hoofdstukken behandelde historische kidungs - voor zover ze op de geschiedenis van Majapahit betrekking hebben - en andere stukken, (p.171) die niet meer of nog niet bekend zijn; dat het tot dusverre bekende en in de Inleiding van dit boek opgesomde traditiemateriaal niet compleet is, blijkt reeds hieruit, dat vermoedelijk ook de Sorantaka of Sorandaka er haar plaats nog in zal moeten innemen (vergelijk het op p.75, noot 1, opgemerkte), èn bovendien kunnen particuliere Balische boekerijen nog verrassingen bevatten (Krom, Gesch., p.13).

Intussen moge het bovenstaande meer opgevat worden als een ‘Anregung’ tot verder onderzoek en verdere gedachtewisseling dan als pretenderende, nu alle moeilijkheden opgelost te hebben. Want daarvan zijn er nog heel wat over.

Noemen wij slechts de figuur van Mahapati, die volgens de Pararaton naast Lawe de hoofdpersoon was in diens opstand en die in de kidung niet eens vermeld wordt; die meer dan de helft van Kala Gemet's regeringsperiode, de jaren 1309-1319, domineerde, en nog geen 50 jaar na zijn dood - waarvan het verslag in de Pararaton al buitengewoon duister is (Krom, Gesch., p.372-373) - voor Prapanca (Nagarakretagama, 1365) een onbekende was.

Een andere moeilijkheid is de kwestie, waar de Pararaton ontstaan kan zijn. De handschriften ervan zijn van Bali afkomstig, naar alle waarschijnlijkheid althans. Dat de taal Middeljavaans is, kan nauwelijks als argument voor een of andere opvatting dienen, omdat het gebied daarvan zo groot en wat de tijd betreft zo moeilijk af te bakenen is. Stellig is het geen toeval, dat met de Pasunda Bubat, die aan de laatste Majapahitse kidung stof verstrekt heeft, ook het middenstuk van de Pararaton sluit.

Doch men wordt huiverig om de conclusie, die hieruit getrokken zou kunnen worden, ook werkelijk te trekken, wanneer men ziet, dat in de kroniek, die dan in de Pararaton volgt, een lijst van jaartallen en genealogieën (zie g op p.12), de beschrijving van de Paregreg (31, 6-16; 1403-1406 A.D.) plotseling uit de toon valt en harmonieert met het Pararaton-middenstuk. Gissenderwijze zou men kunnen denken aan een op Java samengestelde kroniek, die, naar Bali overgebracht zijnde in een jaar tussen 1481 en 1600 in (n), daar gecombineerd is aan de toen op Bali reeds bestaande geschiedverhalen.

Note: resp. het laatste jaartal van de tekst (1403 Saka) en het jaartal in de colofon van handschrift C (editie, p.3*).

Hierboven (p.46) is reeds aangestipt, dat men niet moet verwachten in de Middeljavaanse historische traditie bijzonderheden aan te treffen, die zouden kunnen wijzen op verband met (p.172) de nieuwere Javaanse tradities der babad. Ook de karakteristiek, die Brandes en Djajadiningrat van ontwikkeling en wezen dier traditie gegeven hebben (n), schijnt mij op de traditie van Bali niet van toepassing te zijn.

Note: resp. in Pararaten-editie, p.208 sqq., en in Critische beschouwing van de Sadjarah Banten, Haarlem, 1913, p.289 sqq.

De zo merkwaardige groei in zelfherhaling en de gemakkelijke assimilatie van heterogene elementen, die we op Java vinden, gedeeltelijk onder invloed van de wajang purwa, treffen we op Bali niet aan. Uit het feit, dat op het huidige Bali ware kennis van het oude cultuurbezit niet meer voorkomt, en vermoedelijk in de dagen van Cohen Stuart al niet meer voorkwam (zie Lekkerkerker, Bali en Lombok, p.67), blijkt, dat na de periode van bloei, die in hoofdstuk I behandeld is, - wanneer is moeilijk te gissen - verstarring is ingetreden.

Het Javaanse element, waaraan het literatuurbezit eigen was, is op de duur opgegaan in de oudere bevolkingslaag, en daarmee verdween de scheppende kracht; de trots echter, waarmee ook de latere Balinezen op hun Javaanse afstamming terugzagen, heeft de Javaanse literatuur op Bali van de ondergang gered.

Wil men toch de Middeljavaanse traditie van Bali met de Nieuwjavaanse van Java met elkaar vergelijken, dan kan men zeggen, dat de kidungs het dichtst bij de Damar Wulan-romans staan, in zoverre, dat in beide groepen naar literaire volmaaktheid gestreefd is bij het vertellen van geschiedkundige gebeurtenissen, hetgeen o.a. daaruit blijkt, dat in beide soorten geschriften het beschrijvende element van veel belang is.

Om jaartallen heeft men zich daarentegen volstrekt niet bekommerd, hetgeen vooral bij het lezen van de Pamancangah als een groot gebrek gevoeld wordt. Op de Middeljavaanse historische kidungs, ontstaan in een milieu, waarin de Oudjavaanse literatuur vlijtig bestudeerd werd, kunnen we natuurlijk invloed van die oudere werken verwachten. Hoewel de tijd nog niet rijp is voor een diepgaande studie op dit terrein, leveren de kidungs toch af en toe interessante aanwijzingen op literair gebied. Zo kan men er, hoewel zij veel minder gedurfd-erotisch zijn, ja, onverbloemde erotiek zelfs in de lulun-gids, die ik ingezien heb, bijna niet voorkomt, laat staan in de historische werken, een niet onbelangrijke invloed van de Smaradahana in bespeuren, een kakawin, die, naar we ook uit andere gegevens weten, op Bali zeer populair geweest is.

Zo vindt men in (p.173) Pamancangah-proza, fol. 15, strofe II, 9 en misschien ook V, 5 van de kakawin aangehaald en in de tekst te pas gebracht: de schepen van de eerste koning van Gelgel, Puspa en Pangkajawati genaamd, worden bij zijn tocht naar Majapahit in hun schoonheid van versiering vergeleken met Smara's paleis Alayalata.

In P.K., II, 31-34, vinden we een verhaal van het ontstaan van Java, „zoals Mpu Dharmaja het in zijn aan het Candapurana ontleende gedicht geeft": „Eens werd Kumara's boek (pustaka, nl. een lontar-handschrift) door Siwa's vloek weggeslingerd uit Kaçsmira (Kasjmier) en veranderd in het (in vorm ongeveer op een lontar-handschrift gelijkende) eiland Java. Dit eiland werd schoon en dichtbevolkt: het was, als had de hemel zich daarheen verplaatst. Op dit nieuw geschapen eiland werd Kama gereïncarneerd op Pasupati's bevel om er als koning te heersen. Dat hij (en zijn gemalin Ratih) zich na zijn verbranding en haar dood incarneren konden, kwam door de voorspraak van Uma (Girisuta). Deze had nl. op de Sumeru de nog geurige as gevonden van de Lichaamsloze (Kama) en had zich toen herinnerd, hoe hij de oorzaak er van geweest was, dat Siwa, in liefde voor haar ontbrand, zich naar de Himalaya had begeven om met haar mingenot te smaken. In haar dankbaarheid voor de hulp, die Kama haar bij die gelegenheid verleend had, ging zij aan de Heer als gunst vragen, dat Kama en Ratih herboren mochten worden. Uit liefde voor zijn gemalin gaf Siwa toe en zo waren zij op Java opgetreden".

Ook dit verhaal is aan de Smaradahana ontleend (XXXVIII, 12-15), waar met Kama's incarnatie de bekende Kedirische koning Kameswara bedoeld wordt. (n)

Note: Zie Poerbatjaraka, Historische gegevens uit de Smaradahana, T.B.G., 1919, deel 58, p.46X-492, en speciaal 470-472; op p.471, noot 4, vindt men reeds op het voorkomen van een parallel in de Pamancangah gewezen. Prof. Krom was zo vriendelijk mij op dit artikel opmerkzaam te maken.

Merkwaardig is in het verhaal de opmerking, dat de dichter zijn stof uit het Candapurana geput had, waarin van der Tuuk (K. B. W., II, 334, 335) een verbastering van Skandapurana ziet. Is deze mening juist - en ze lijkt heel plausibel -, dan hebben we hier een waardevolle vingerwijzing naar de bronnen der Oudjavaanse literatuur en bovendien een inlichting omtrent de inhoud van het Skandapurana, waarover men volgens Winternitz, Geschichte der indischen Literatur, I, 476-477, geheel in het onzekere verkeert.

In de prozaredactie (fol. 16) is het verhaal veel verwarder, als volgt: „Toen de koning van Bali en zijn gevolg langs de kust van Java voeren, kwamen talloze mensen toegesneld om hem te zien. Men wist nl. uit het aan het Candapurana ontleende verhaal van Dharmaja, dat Karna in menselijke gedaante steeds onder de levenden rondzwierf (vgl. de toespeling hierop in P.K., II, 29, 40, en Poerbatjaraka in bovengenoemd artikel op p.463); immers, zijn boek, groot en lang, maar smal, was weggeslingerd en hijzelf doolde rond, volgens de wensen en op bevel van de zegevierende Uma. Hayam Wuruk nu was de volmaakte Parameswara". De slotopmerking volgt heel vreemd op het verhaal; wil de schrijver zeggen, dat op bevel en naar de wensen van Hayam Wuruk de vorst van Bali de reis langs Java's kust naar Majapahit maakte, zoals Karna door Siwa’s (= Parameswara's) wil over Java zwierf?

(p.174) Hierboven, op p.79, zagen we reeds, dat wellicht ook de Nagarakretagama invloed gehad heeft, en wel op het verhaal van Hayam Wuruk's geboorte. Zonder enige twijfel is ook de troonrede van Hayam Wuruk, volgens P.K., II, 62-69, gehouden op de in §5 van hoofdstuk III vermelde rijksconferentie (zie aldaar), geschreven onder invloed van Nagarakretagama, Zang LXXXVIII en IXC, blijkens de vergelijking van de mantri's van Majapahit met de leeuw in het dichte woud in strofe 2 van Zang IXC.

Ook de Singhalangghyala parwa schijnt literaire invloed uitgeoefend te hebben, blijkens de vermelding in Rangga Lawe, I, 7 en IV, 128, en vermoedelijk vinden we Arjunawijaya-invloed in Pam., fol. 17a, waar de ter rijksconferentie aanwezige vorsten vergeleken worden met Ketucandra (of Candraketu), Bajrasurya, Singhalabayu en Kalinggapadmagosa (n).

Note: Candraketu is de uit de Arjunawijaya bekende vorst van Awantipura, de bondgenoot van Arjuna-Sasrabahu.

In P.K., 1,76, wordt Hayam Wuruk's moeder vergeleken met de uit de Sumanasantaka bekende Indumati (Ju., Cat., I, 144), waar de tekst zelf van de vergelijking zegt: winimba parwa khanda aneng usana, sri dewi Indumati, sinangsiptanira („naar een vergelijking, getrokken uit oude prozageschriften en (andere) geschriften, was zij als dewi I.").

Dat uit het Mahabharata vergelijkingen voorkomen, spreekt haast vanzelf, en ik heb er dan ook in mijn Aantekeningen bij de uitgave van Kidung Sunda B (B.K.I., 1927, deel 83) herhaaldelijk op kunnen wijzen, maar het is niet altijd duidelijk, of die vergelijkingen op de Sanskriet of op de Oudjavaanse tekst teruggaan.

Ook invloed van Panji-stof in het algemeen is merkbaar, b.v. in het opsommen der hofjuffers in K.S.b, I, 35b, p.137-138 in de Aantekeningen bij de editie, in de naam van de tuin Warapsari te Gelgel (P.K., IV, 188, 218, 223, Pam., fol. 396, 42a) en vooral in beschrijvingen van prinsessen, van kleding, van paleizen enz., doch bepaalde namen van Panji-verhalen heb ik niet genoemd gevonden.

Andere geschriften worden in de teksten af en toe genoemd; zo de Tantri in Rangga Lawe, I, 140, en de Kamandaka (Ju., Cat., II, 240-243) in P.K., IV, 192, Pam., fol. 40a (= Rajaniti), de (p.175) Saroddhrta (n) in P.K.. II, 64, de Slokantara (zie B.K.I., 1927, deel 83, p.137) en niet te vergeten de Nawanatya, waarover op p.17 reeds gesproken is.

Note: Naam van een leerboek of wetboek? Volgens K.B.W., II, 707a, regel 1, houdt het de tattwa kaparamarthan in. Onder de handschriften in de bibliotheek van I gusti Putu Jelantik te Singaradja (Bali) (Oudheidk. Verslag 1921, p.69) komt een Çasana/Sasana Saroddhrta voor.

Dat zulke aanwijzingen bij verdere bestudering van de grote massa nog onuitgegeven werken van de Oud- en Middeljavaanse literatuur van belang kunnen zijn, behoeft geen nader betoog.

Ik kan, aan het einde van dit werkje gekomen, niet als de Javaanse schrijvers de clementie der lezers inroepen wegens de lelijke vormen der letters - dat beletten mij de goede zorgen van uitgever en drukker -, wel voor de geringe voortreffelijkheid van de inhoud. Moge die clementie mij geworden. En hiermee, menawi sampun terang, kula pamit.

LIJST DER MEEST GEBRUIKTE AFKORTINGEN

Bal. = Balinees
B.K.I. = Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, de Haag, Martinus Nijhoff. Brandes, Beschrijving enz. Dr. J. Brandes, Beschrijving der Javaansche, Balineesche en Sasaksche Handschriften, aangetroffen in de nalatenschap van Dr. H. N. van der Tuuk, en door hem vermaakt aan de Leidsche Universiteitsbibliotheek, deel I-III. Batavia, Landsdrukkerij, 1901, 1903, 1915.
cod. = Handschrift van de Leidsche Universiteitsbibliotheek.
Ç. = Çaka/Saka (jaartal volgens Hindu-jaartelling). diss. dissertatie.
Encycl. N.I. = Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, tweede druk, Leiden-den Haag, 1917 sqq., met Aanvullingen en Wijzigingen, 1922 sqq.
Friederich, V.V. R. Friederich, Voorlopig Verslag van het eiland Bali, Verh. B.G., deel 22 en 23, Batavia, 1848-49. Het vaak geciteerde artikel De Oesana Bali van deze schrijver vindt men in T.N.L, Jrg. 9, deel 3, p.245 sqq.
Gedenkschr. = K. I. Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan (van het onder B.K.I. genoemde Instituut) op 4 Juni 1926.
Goris, diss. = R. Goris, Bijdrage tot de kennis der Oud-Javaansche en Balineesche Theologie, Leiden, 1926.
Jav. = Javaansch
Ju., Cat., I-III = Dr. H. H. Juynboll, Supplement op de Catalogus van de Javaansche en Madoereesche Handschriften der Leidsche Universiteits-Bibliotheek, I en II, Leiden, 1907 en 1911. Met Cat., III wordt bedoeld het Supplement op de Catalogus van de Sundaneesche Handschriften en Catalogus van de Balineesche en Sasaksche handschriften der Leidsche Universiteits-Bibliotheek, Leiden, 1912.
Ju., Wrdl. = Oudjavaansch-Nederlandsche Woordenlijst, Leiden, 1923, van dezelfde schrijver.
KBW. of K.B.W. = Kawi-Balineesch-Nederlandsch Woordenboek door Dr. H. N. van der Tuuk, I-IV, Batavia, Landsdrukkerij, 1897-1912.
Kern, V. G. Prof. H. Kern, Verspreide Geschriften, de Haag, Nijhoff (nog niet compleet).
Krom, Gesch. Dr. N. J. Krom, Hindoe-Javaansche Geschiedenis, de Haag, Nijhoff, 1926.
Krom, Inleiding. Dr. N. J. Krom, Inleiding tot de Hindoe-Javaansche Kunst, tweede, herziene druk, I-III, de Haag, Nijhoff, 1923.
K.S. = Kidung Sunda, in redacties A, B, C en D.
Lekk., Bali en Lombok = C. Lekkerkerker, Bali en Lombok. Overzicht der literatuur omtrent deze eilanden tot einde 1919, Rijswijk (Z. H.), 1920.
Nag. (ed.) Het Oud-Javaansche Lofdicht Nagarakretagama van Prapanca (1365 A. D.). Tekst, vertaling en bespreking, overgedrukt uit de Verspreide Geschriften, dl. VII-VIII, van Prof. Dr. H. Kern. Met aantekeningen van Dr. N. J. Krom, de Haag, Nijhoff, 1919.
N.J. = Nieuwjavaans
O.J. = Oudjavaans
O.J.O. = Oud-Javaansche Oorkonden. Nagelaten Transscripties van wijlen Dr. J. L. A. Brandes. Uitgegeven door Dr. N. J. Krom. Verh. B. G., deel 60, Batavia, 1913.
Oudheidk. Versl. = Oudheidkundig Verslag (van de Oudheidkundigen Dienst in Nederlandsch-Indië), uitgegeven door het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (jaarlijks), Weltevreden-den Haag.
Pam. = Pamancangah. Prozatekst van cod. 5054.
Parar., Par. = Pararaton (Ken Arok) of Het Boek der Koningen van Tumapel en van Majapahit, uitgegeven en toegelicht door Dr. J. L. A. Brandes. Tweede druk, bewerkt door Dr. N. J. Krom e.a., Verh. B. G., deel 62, Batavia-den Haag, 1920. De Jav. tekst wordt hier met cijfer van pagina en regel van de eerste editie geciteerd, het overige naar de pagina der tweede editie.
Pigeaud, diss. = Th. G. Th. Pigeaud, De Tantu Panggelaran, den Haag, 1924.
P.K. = Pamancangah-Kidung.
R.L. = Rangga Lawe (met Panji Wijayakrama).
S. en Sk. = Sanskriet.
T.B.G. = Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, Weltevreden-den Haag.
T.N.I. = Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Elke jaargang bestaat uit twee delen. N.S. = Nieuwe Serie.
U.B. = Usana Bali.
U.J. = Usana Jawa.
Verh. B.G. = Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Uitgave zie onder T.B.G.
V.G. = zie onder Kern.
v.l., v.l.l. = varia lectio, variae lectiones.
Vreede, Cat. = Catalogus van de Javaansche en Madoereesche handschriften der Leidsche Universiteits-Bibliotheek, door A. C. Vreede, Leiden, 1892.
Wrdl. = zie onder Ju., Wrdl.

STELLINGEN

I) In zijn streven de Islam op een basis te stellen, die voor alle richtingen in de Islamitische wereld aanvaardbaar is, ruimt Muhammad 'Abduh (Risalat al-Tawhid, Cairo 1343 H.; Exposé de la réligion musulmane, par B. Michel et Moustapha Abdel Razik, Paris, 1925) aan de ratio een te grote plaats in zijn systeem in, en geeft daardoor een scheve voorstelling van de wording en van de historische ontwikkeling van de Islam.

II) Ten onrechte meent Schreiner (Z.D.M.G, 52, p.561), dat al-Mar'i's bewering, dat Ibn Taimiya niettegenstaande zijn verbod tot shadd al-rihal toch grafbezoek goedkeurde, een apologetisch kunststukje van de biograaf van Ibn Taimiya is.

III) Onder de Sulusche tradities, die betrekking hebben op de verspreiding van de Islam over de Zuidelijke Filippijnen, verdient die, welke Palembang als stamland noemt, de voorkeur (deze tradities in N. Saleeby's „The History of Sulu", en „Studies in Moro History, Law and Religion", Ethnological Survey Publications, Manila 1905); de mededelingen betreffende de staatkundige verhouding tussen de Filippijnen en de rest van de Maleise Archipel vóór 1500 in „Condition in Philippine Islands. Report of the special Mission etc." (House of Representatives, doe. 325, Washington 1922), p.12 sqq., zijn gedeeltelijk onjuist.

IV) De door N. Saleeby voorgestelde oplossing van het Filipijnse taalprobleem (The Language of Education of the P.I., Manila 1924; vgl. F. R. Blake in J. A. O. S., 46, p.61 sqq.) is ook van waarde voor Nederlandsch-Indië.

V) Ten onrechte hebben Kern, v. d. Tuuk en Brandstetter de huidige woordenschat van het Tagalog en de Bisaya-talen tot basis hunner taalkundige vergelijkingen met andere Indonesische talen genomen.

VI) Met F. R. Blake's „A New Method of Syntactical Arrangement" (J. A. O. S., 41, p.467 sqq.) behoort bij het samenstellen van nieuwere I.N. spraakkunsten rekening te worden gehouden.

VII) Invloed van het Sanskriet op het Oudjavaanse proza openbaart zich ook in het z.g. creoliseringsverschijnsel.

VIII) De hypertrofische ontwikkeling van de Krama X Ngoko-uitgangen in modern-Javaansche woorden is sterk beïnvloed door de eisen van de Javaansche metriek.

IX) De k van Jav. ‘cilik’ is anorganisch.

X) H. Kraemer houdt bij zijn verklaring van de term suluk - naar hij meent, ontleend aan de naam der Javaansch-Islamitisch mystieke liederen; „Een Javaansche primbon uit de Zestiende Eeuw", diss. Leiden, 1921, p.61, noot 4 - te weinig rekening met het feit, dat voor de Javanen het verschil tussen Voor-Indische en Javaansche versmaten zeer belangrijk is.

XI) Wong alang taga (Poestaka radja poerwa, in J. Kats, Papetikkan saking serat Djawi, II, 47; eerste editie, Weltevreden, 1910) is uit w. wanantara verbasterd. Ot iliran in Pamancangah, fol. 6a, is een wisselterm voor wot sari, wegens de gelijkheid in klank van santun en santen.

XII) Naar eenheid van methode en naar uitwisseling van gegevens en resultaten behoort door wetenschappelijke instellingen in Z.O. Azië meer dan tot dusverre gestreefd te worden.

XIII) Grondige en blijvende belangstelling in de Amerikaans-Filipijnse bestuursmethoden en de resultaten daarvan is ook voor Nederlandsch-Indië dringend vereist.

Sourcehttps://www.delpher.nl

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman http://guidomansdijk-talen.nlsocial facebook box white 24